Gardiner leidt Brahms bij het Concertgebouworkest

Concertgebouworkest
Sir John Eliot Gardiner dirigent
Stephen Hough piano

Johannes Brahms (1833-1897)

Symfonie nr. 2 in D gr.t., op. 73 (1877)
Allegro non troppo
Adagio non troppo
Allegretto grazioso (quasi andantino) - Presto ma non assai
Allegro con spirito

pauze ± 21.10 uur

Johannes Brahms

Pianoconcert nr. 1 in d kl.t., op. 15 (1854-59)
Maestoso
Adagio
Rondo: Allegro non troppo

einde ± 22.30 uur

Toelichting

Johannes Brahms (1833-1897)

Brahms: Tweede symfonie

Door Aad van der Ven

In 1876 had Johannes Brahms zijn Eerste symfonie in c klein voltooid. Daarmee was een moeilijke ­periode, waarin hij zich struikelend in de voetsporen van zijn idool Ludwig van Beethoven voortbewoog, definitief afgesloten.

Een nieuw elan maakte zich van hem meester. Zijn Tweede symfonie in D groot ontstond al een jaar later tijdens de zomer, die hij grotendeels aan de Wörthersee in het Oostenrijkse Karinthië doorbracht, een idyllische plek waar hij in alle rust de schetsen kon uitwerken die hij uit Wenen had meegebracht. Het Vioolconcert zou hij daar in 1878 in even zonnige omstandigheden componeren, een met eveneens het stralende D groot als dominerende .

‘Er ligt een floers van weemoed overheen’

Toch was er bij Brahms weinig voor nodig om zijn stemming plotseling te doen omslaan. Zo kon het gebeuren dat hij in diezelfde zomer van 1877 ook een van zijn somberste werken voor koor schreef, namelijk het motet Warum ist das Licht gegeben. En de Tweede symfonie wordt in het algemeen dan wel ‘optimistisch’ of ‘pastoraal’ – een associatie met Beethovens Zesde symfonie – genoemd, toch ligt er een floers van weemoed overheen en is er soms een verwijzing naar een ver conflict.

De behaaglijke indruk die het eerste deel aanvankelijk maakt, mede door de ‘mollige’ ( in tertsen en sexten boven gonzende strijkers), is dan ook enigszins bedrieglijk. Het tweede deel, dat breed en elegisch begint, krijgt in een maalstroom van zestiende noten zelfs iets geagiteerds. Het daaropvolgende Allegretto grazioso is juist opvallend ontspannen. Dit deel is, net als het Un poco allegretto e grazioso uit de Eerste symfonie, heel anders dan de stoere -achtige derde delen die we vaak bij Brahms horen.

Uitermate opwindend is dan weer de finale, con spirito, die overigens eerder energiek dan vrolijk klinkt. De Brahms-biograaf Malcolm MacDonald noemt dit slotdeel ‘more Jupiterian than jovial’, refererend aan de finale van Wolfgang Amadeus Mozarts laatste symfonie.

  • Brahms omstreeks 1865

Als geheel is deze ‘Weenser’ dan Brahms’ andere symfonieën. We kunnen dan aan Franz Schubert denken. Stel voor dat we het eerste deel tweemaal zo snel zouden spelen als normaal gebeurt, dan zouden we een vloeiende schubertiaanse horen. Brahms combineert in zijn Tweede symfonie een gulle expressiviteit met een tische hechtheid en een geconcentreerdheid die weer sterk aan Beethoven doen denken.

Hoe spontaan alles ook klinkt, zeker in deze partituur is alles door en door georganiseerd. Dat bereikte Brahms onder meer door het waarmee het werk begint, de achtereenvolgens dalende en stijgende kleine secunde, als centrale bouwsteen te gebruiken voor de symfonie als geheel. Veel ën, ook in andere delen, zijn daarvan afgeleid.

Geen componist uit de tweede helft van de negentiende eeuw voelde zich sterker verbonden met de traditie van de ontwikkelingsvorm dan Brahms. Daarmee was hij de meest prominente vertegenwoordiger van de , die zich afzette tegen de ‘Nieuwe Duitse School’ van nieuwlichters als Franz Liszt en Richard Wagner, die zich in hun composities door de literatuur lieten inspireren. Dat Brahms bovendien de polyfone kunst van de meesters in ere hield, maakt dat zijn muziek een bijzondere combinatie van eruditie en passie bezit, waarvan de Tweede symfonie een duidelijk voorbeeld is.

Johannes Brahms (1833-1897)

Brahms: Eerste pianoconcert

Door Aad van der Ven

Brahms: Eerste pianoconcert

‘Van de piano maakt hij een orkest van klagende en jubelende stemmen’, schreef Robert Schumann over zijn jongere collega Brahms. ‘Zijn s zijn ware symfonieën.’ Dit laatste was juist het probleem. Brahms leverde een waar gevecht om de beperkingen van het instrument dat hij zo bespeelde te ontstijgen. Een voorbeeld is zijn Sonate voor twee piano’s, die hij in 1853 samen met Clara Schumann, de vrouw van Robert, in huiselijke kring speelde.

Zij was onder de indruk. Brahms, met zijn destructieve zelfkritiek, niet. Hij besloot het werk te transformeren tot een symfonie, maar kwam er niet uit. Van zijn vriend Julius Grimm nam hij vervolgens het idee over piano en orkest te combineren. Na diverse geschetste versies te hebben verworpen zag zijn Eerste pianoconcert in d klein het licht. Het symfonische karakter van de is onmiskenbaar. Maar hoe zwaar en ingewikkeld het aandeel van de solist ook is, virtuositeit is nergens een doel. De nadruk ligt steeds op de organische samenhang van piano en orkest.

Clara was onder de indruk. Brahms niet.

Het eerste deel, waarmee Brahms jaren heeft rondgelopen, geeft iets prijs van zijn smartelijke ervaringen in die periode. Zijn dierbare vriend Robert Schumann kwam in 1854 na een mislukte zelfmoordpoging in een psychiatrische kliniek terecht en stierf twee jaar later. Brahms stond in die tijd Clara, voor wie hij een meer dan oppervlakkige genegenheid koesterde, terzijde.

Sinds Beethovens Vijfde pianoconcert (1809) was zo’n titanisch openingsdeel voor de combinatie klavier-orkest niet meer geschreven. Klinkt het tweede deel uit het bewuste werk van Beethoven als een gebed, ook het van Brahms heeft een dergelijk karakter. ‘Benedictus qui venit in nomine Domini’ (‘Gezegend die komt in de naam van de Heer’) schreef hij erboven. De muziek vertoont overeenkomsten met enkele religieuze koorwerken van zijn hand die in dezelfde periode ontstonden.

Brahms moet zich hebben gerealiseerd dat hij voor de zware opgave stond om de finale voldoende tegenwicht te laten bieden aan de omvang en de allure van het openingsdeel. Daarin is hij met vlag en wimpel geslaagd: het is zowel speels als stoer en bevat veel gespierde s en verrassende ische passages, plus virtuoze passages in de pianopartij als plotselinge lichtflitsen tegen een donkere achtergrond.

Zulke muziek – dat geldt voor het werk als geheel – schreef Brahms voor het eerst en zou hij daarna nooit meer schrijven.

Biografie

John Eliot Gardiner, dirigent

John Eliot Gardiner wordt beschouwd als een sleutelfiguur in de ontwikkeling van de historische uitvoeringspraktijk. Zijn repertoire beslaat de vroege tot en met de twintigste eeuw.

De afgelopen decennia bleef hij zijn visie vernieuwen en verbreden.

Hij is oprichter en artistiek leider van zowel de English Baroque Soloists als het Monteverdi Choir. In 1989 riep hij bovendien het Orchestre Révolutionnaire et Romantique in het leven. John Eliot Gardiner is chef- geweest van het Dallas Symphony Orchestra, het CBC Vancouver Orchestra en de Opéra Natio­nal de Lyon. Als gastdirigent leidde hij onder meer het London Philharmonic ­Orchestra, het London Symphony ­Orchestra, de Berliner en de Wiener Philharmoniker, het ­Mahler Chamber ­Orchestra, het Orcheste National de France en het Leipziger ­Gewandhausorchester.

Hij maakte ruim 250 plaat- en cd-opnamen en ontving meer Gramophone Awards dan welke andere levende klassieke artiest ook. Voor de live-opnames van Bachs complete geestelijke s kreeg hij de Gramophone Special Achievement Award. John Eliot Gardiner heeft verschillende eredoctoraten en een ‘honorary fellowship’ aan King’s College in Cambridge en is voorzitter van het Bach Archiv in Leipzig. In 2013 verscheen zijn Bach-biografie Music in the Castle of Heaven.

Hij is Commandeur dans l’Ordre des Arts et des Lettres en Chevalier de la Légion d’Honneur. In 1998 werd hij geridderd in de Queen’s Birthday Honours List en in 2005 kreeg hij het Verdienstkreuz in Duitsland. In januari 2016 kreeg hij de Concertgebouw Prijs toegekend. Het Concertgebouworkest leidde hij vele malen sinds 1994.

Tussen 2021 en 2023 leidde hij bij het orkest een Brahms-cyclus; opnamen van de vier symfonieën werden uitgebracht op Deutsche Grammophon.

Stephen Hough, piano

Stephen Hough studeerde aan het Royal Northern College in Manchester en de Juilliard School in New York. In 1983 won hij de New Yorkse Naumburg Competition.

Hij soleerde met vele orkesten, gaf s in de meest prestigieuze concertzalen en trad regelmatig op tijdens bijvoorbeeld de Salzburger Festspiele, Mostly Mozart en de festivals van Aldeburgh, Aspen en Verbier. Bij de BBC Proms gaf hij meer dan 25 uitvoeringen van pianoconcerten. 

Stephen Hough bracht ruim zestig albums uit en won onder meer een Deutsche Schallplattenpreis, een Diapason d’Or en acht Gramophone Magazine Awards. Sinds 2005 is Stephen Hough Australisch staatsburger. In 2014 werd hij Commander of the Order of the British Empire.

Naast pianist is Stephen Hough ook een succesvol schrijver en componist. Hij schreef artikelen voor The Guardian, The Times, Gramophone en BBC Music Magazine en publiceerde onder meer de roman The Final Retreat. In 2019 verscheen bij Faber & Faber een bundel met essays. Zijn Missa Mirabilis, geschreven in opdracht van Westminster Cathedral, werd uitgevoerd door de Indianapolis Symphony en het BBC Symphony Orchestra.

Op 12 en 13 mei 2022 debuteerde Stephen Hough bij het Concertgebouworkest in BrahmsEerste pianoconcert onder leiding van John Eliot Gardiner.