François Leleux en Nederlands Kamerorkest: Haydn, Fauré en Brahms

Nederlands Kamerorkest
François Leleux hobo/leiding

Gabriel Fauré (1845-1924)

Prélude
uit ‘Pelléas et Mélisande’, op. 80 (1898)

toegeschreven aan Joseph Haydn (1732-1809)

Hoboconcert in C gr.t., Hob. VIIg/C1 (1800)
Allegro spiritoso
Andante
Rondo: Allegretto

pauze ± 20.50 uur

Johannes Brahms (1833-1897)

Serenade nr. 1 in D gr.t., op. 11 (1859)
Allegro molto
Scherzo: Allegro non troppo
Adagio non troppo
Menuetto I en II
Scherzo: Allegro
Rondo: Allegro

einde ± 22.05 uur

Toelichting

Gabriel Fauré (1845-1924)

Fauré: Prélude uit ‘Pelléas et Mélisande’

Door Sabien van Dale

  • Gabriel Fauré

Het toneelstuk Pelléas et Mélisande van de Belgische auteur en Nobelprijswinnaar Maurice Maeterlinck kende slechts één opvoering. Op die bewuste premièreavond op 16 mei 1893 in het Théâtre des Bouffes-Parisiens bevond zich onder het publiek Claude Debussy. Hij zette meteen zijn zinnen op een ­bewerking. Debussy was niet de enige die muziek zag in Maeterlincks symbolistische tragedie. In Londen nam de actrice Mrs Patrick Campbell in 1895 het initiatief voor een opvoering in een Engelse vertaling, uiteraard met zichzelf in de rol van Mélisande. Zij benaderde eerst Debussy voor de toneelmuziek, maar hij wees haar voorstel hoogmoedig van de hand.

In de lente van 1898 kwam Campbell tot een akk­oord met Gabriel Fauré, toen een regelmatige gast en veel gespeeld componist in de Engelse hoofdstad. Terug in Parijs ging Fauré aan de slag met Pelléas, maar wegens een tijdrovende inspectieopdracht van de nationale conservatoria vertrouwde hij het orkestratiewerk toe aan zijn leerling Charles Koechlin. Dankzij hun gezamenlijke inspanningen – en tot nijd van Debussy – kon de première op 21 juni 1889 plaatsvinden in het Prince of Wales Theatre in Londen.

De broeierige sfeer past goed bij de inhoud van het toneelstuk

Uit de zeventien nummers destilleerde Fauré een drieledige orkestsuite, bestaande uit de Prélude, het vederlichte La fileuse en La mort de Mélisande. In 1901 voegde hij de toe. Nog later besloot hij tot een uiteindelijke versie voor waarin hij zelf weer de eerdere kamerorkestversie van Koechlin herwerkte. Het resultaat is een voller en harmonisch rijker klankpalet. De broeierige sfeer past goed bij de inhoud van het toneelstuk, met een dolende Golaud op jacht door het woud (Prélude), een onschuldige Mélisande aan het spinnewiel (La ­fileuse), een fluitsolo als waarmerk van de componist in de Sicilienne en een slotstuk dat het gedoemde einde van een onmogelijke driehoeksrelatie aandoenlijk poëtisch neerzet.

Joseph Haydn (1732-1809)

Haydn: Hoboconcert in C groot

Door Jos van der Zanden

  • Joseph Haydn

Stel dat het affiche van dit concert zou zeggen ‘Hoboconcert van Ignaz Malzat’ in plaats van ‘Hoboconcert van Joseph Haydn’. Zou publiek dan afhaken? Zou de afweging zijn: bij Haydn is kwaliteit gewaarborgd, maar bij die onbekende naam is dat maar afwachten? Waarschijnlijk wel. De naam Haydn is voor menigeen een magneet: een Weense Klassieker van de eerste orde – dan krijg je waar voor je geld, dat is beproefd meesterschap.

In Haydns tijd beseften uitgevers dat terdege. Vandaar dat heel wat muziek rondging onder Haydns naam die in werkelijkheid door en van de tweede garnituur was geschreven. Bijvoorbeeld door zijn leerling Ignaz Pleyel – geen topkwaliteit, maar ook weer niet slecht. Er kraaide geen haan naar (op een handjevol kenners misschien) dat er sprake was van een ghostwriter.

Het zogenoemde ‘Hoboconcert van Haydn’ is niet van Haydn, dat staat vrijwel vast. Toen het in 1926 werd ontdekt in het Duitse Zittau en door Breitkopf & Härtel gepubliceerd, werd aan Haydn gedacht omdat iemand diens naam op het manuscript had gezet. Wie dat gedaan had was onbekend en er was alle reden om sceptisch te zijn. Maar sensatie is moeilijk te bedwingen. Geleerden die een oordeel moesten geven, bekeken stijl, behandeling van ’s en motieven, orkestratie en techniek, maar een overtuigende toeschrijving bleef uit. Sommige commentatoren namen de naam Wolfgang Amadeus Mozart in de mond, en zelfs die van de jonge Ludwig van Beethoven. Maar die kans is verwaarloosbaar klein. Wie wel hoge ogen gooit, is de onbekende componist Ignaz Malzat (1757-1804), een brave Oostenrijker bekend van ook wat andere onderhoudende concerten. Het Hoboconcert in C groot heeft daar veel van weg. Haydn zelf zou vermoedelijk een wat verrassender eind hebben gebreid aan de finale, een thema-met-variaties.

Johannes Brahms (1833-1897)

Brahms: Eerste serenade

Door Jos van der Zanden

  • Johannes Brahms

In 1876 maakte Johannes Brahms een tournee door Nederland. Hij dirigeerde in de Amsterdamse Parkzaal nabij Artis (op de plek waar Het Concertgebouw in 1888 zou openen graasden toen nog koeien in de weilanden) en andere Nederlandse locaties. Duizend gulden rijker keerde hij terug naar Wenen – een behoorlijk kapitaal. Brahms bewaarde aan Nederland dan ook goede herinneringen. De Eerste fungeerde bij zijn Nederlandse concerten als publiekstrekker. Dit in een aansprekende stijl geschreven stuk moest bij de tournees het pad effenen voor minder toegankelijke werken. De serenade dateerde uit Brahms’ jeugd, hoewel het stuk toen nog de gedaante had van een nonet, kamermuziek dus. Het waren violist Joseph Joachim en Clara Schumann, ­pianovirtuoos en echtgenote van componist Robert, die Brahms ertoe brachten om een orkestarrangement te vervaardigen. Deze versie (met onder meer vier s) kwam voor het eerst tot klinken in 1860, op een concert in Hannover onder leiding van Joachim. Anderhalve eeuw na dato is het stuk nog even geliefd als weleer. Brahms mijdt in dit werk de dramatiek van de symfonie. Van de zes delen valt het zwaartepunt op het lange openingsdeel in en het mozartiaanse derde deel. Al in de beginmaten wordt de toon gezet van het gehele werk, met een vrolijk in de hoorn tegen een punt in de bassen. Al snel doen de fameuze Brahms-len hun intrede, evenals de voor Brahms zo kenmerkende twee-tegen-drie-figuren (hemiolen).

Het tweede deel is een , speels en vriendelijk. Hier en daar klinkt de ritmiek van de door – ongecompliceerder kan het niet. Centraal echter staat het non troppo, dat bijna een kwartier duurt. Vooral de hebben hier een dankbare partij. In twee korte ten worden blazers en strijkers vervolgens bloksgewijs tegenover elkaar geplaatst. Een Scherzo leidt de uitbundige finale in, die stilistisch al iets verraadt van de befaamde Hongaarse dansen waarmee Brahms later furore zou maken.

Biografie

Nederlands Kamerorkest, orkest

Het Nederlands Kamerorkest, dat optreedt in bezettingen van 25 tot 45 musici, verzorgt gemiddeld per seizoen 25 ­concerten – veelal zonder en onder leiding van concertmeester Gordan Nikolić – op het ‘thuispodium’ van de , zowel in eigen series als binnen de Eigen Programmering van Het Concertgebouw.

Daarnaast treedt het op in vele andere zalen in binnen- en buitenland en speelt het ook op minder gebruikelijke plekken als poppodium Paradiso in Amsterdam en openluchttheater Caprera in Bloemendaal.

In het oprichtingsjaar 1955 gaf het Nederlands ­Kamerorkest zijn eerste concert in het kader van het Holland Festival. De eerste 22 jaar was de legendarische ­violist en Szymon Goldberg ­muzikaal leider, met David Zinman als secondant. Antoni Ros-Marbà leidde het orkest van 1979 tot 1986.

Toen het gezelschap in 1985 organisatorisch opging in de Stichting Nederlands Philharmonisch Orkest werd het begeleiden van producties van De Nationale een van de kerntaken; tegenwoordig worden het Nederlands Kamerorkest en het Nederlands Philharmonisch internationaal gerekend tot de beste operaorkesten.

Veelgeprezen cd’s van het Nederlands Kamerorkest zijn bijvoorbeeld de Mozart-albums met violiste Julia Fischer, pianist Martin Helmchen en violiste Noa Wildschut. Binnen de Eigen Programmering stond het gezelschap voor het laatst in de op 29 augustus 2025, met een programma ron­dom de Zesde symfonie ‘Pastorale’ van Beethoven met Floris Kortie als verteller.

François Leleux, hobo/leiding

François Leleux heeft een drukke agenda als en hoboïst. Hij is artistic partner van Camerata Salzburg en was in het seizoen 2020/2021 artist in residence bij het City of Birmingham Symphony Orchestra. Eerder had hij dit soort posities ook bij het Orchestre de Chambre de Paris, het hr-Sinfonieorchester, het Orchestre Philharmonique de Strasbourg, het Berner Symphonieorchester, het Norwegian Chamber Orchestra en het Orquesta Sinfónica de Tenerife.

François Leleux stond eerder op de bok bij onder meer het Oslo Philharmonisch Orkest, het WDR Sinfonieorchester, het Gulbenkian Orchestra in Lissabon, het Swedish Radio Symphony Orchestra, het BBC Scottish Symphony Orchestra en het Sydney Symphony ­Orchestra.

Als hoboïst soleerde de musicus wereldwijd bij befaamde gezelschappen, waaronder bijvoorbeeld ook de New York Philharmonic en het NHK Symphony Orchestra in Tokio.

Onder zijn kamermuziekpartners – ook enkele keren in de – vinden we zijn echtgenote, violiste Lisa Batiashvili, en de pianisten Eric Le Sage en Emmanuel Strosser. Ook speelt François Leleux geregeld in het sextet Les Vents Français.