Fischer, Mönkemeyer en Müller-Schott: Schubert

Julia Fischer viool
Nils Mönkemeyer altviool
Daniel Müller-Schott cello

Dit concert maakt deel uit van de serie Kamermuziek.

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Strijktrio in c kl.t., op. 9 nr. 3 (1797-98)
Allegro con spirito
Adagio con espressione
Scherzo: Allegro molto e vivace
Finale: Presto

Bohuslav Martinů (1890-1959)

Tweede strijktrio, H. 238 (1934)
Allegro
Poco moderato — Vivo — Allegro ma non troppo

pauze (± 21.00 uur)

Franz Schubert (1797-1828)

Strijktrio in Bes gr.t., D 471 (1816)
Allegro
Andante sostenuto

Strijktrio in Bes gr.t., D 581 (1817)
Allegro moderato
Andante
Menuetto: Allegretto
Rondo: Allegretto

einde (± 21.55 uur)

Toelichting

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Beethoven: Strijktrio

Door Christiane Schima

Hoewel er minder werken voor strijktrio dan voor strijkkwartet gecomponeerd zijn, zijn de middelen van het strijktrio toereikend voor een volwaardige compositie. De bezetting van boven­stem (viool), middenstem () en bas () voldoet aan het traditionele drieklanksysteem. Na Haydn en Mozart hebben Beethoven, Schubert en een eeuw later Martinů bijzondere werken voor deze bezetting geschreven.

Beethoven: Strijktrio

Toen Ludwig van Beethoven zijn Strijktrio’s, 9 componeerde, woonde hij pas vier jaar permanent in Wenen. De jonge componist, hij was begin twintig, verwierf al snel respect en was in adellijke kringen een graag geziene gast. Ietwat weerbarstig van karakter, verblufte hij met zijn exorbitante pianokunsten en zijn nieuwe gepassioneerde wijze van componeren.

‘Met het vuur van de jeugd waagde hij zich stoutmoedig (om heftige passies uit te drukken) in verre en. Deze ontstellende opwindingen hebben me tot in het diepste getroffen. (…) Ik heb nog nooit iemand zo horen spelen.’ Aldus tijdgenoot Johann Schenk. De pianist en pedagoog Abbé Gelinek beschrijft Beethoven als een ‘kleine, donkere en koppig uitziende jongeman in wie de satan steekt...’

Voordat Beethoven in Wenen arriveerde was het publiek aan de meer lichtvoetige klanken van Joseph Haydn en Wolfgang Amadeus Mozart gewend. De dramatische toon die Beethoven reeds in sommige van zijn eerste werken aanslaat, zorgde zowel voor bewondering als irritatie.

Stonden de eerste twee ’s uit 9 nog in helder , in zijn Strijktrio in c klein, opus 9 nr. 3 heeft Beethoven gekozen voor het donkere c klein. Deze zou ook in zijn latere werken, bijvoorbeeld zijn Vijfde symfonie, een belangrijke rol spelen.

Twee stormachtige, door e momenten onderbroken hoekdelen ( con spirito en de Finale) omlijsten in dit trio een berustend con espressione en een goedgemutst . Het past bij Beethoven dat hij zich aan het slot van de finale ontpopt als de idealist die hij altijd was. ‘Per aspera ad astra’: door de doornen naar de sterren. Het werk eindigt in helder majeur.

Bohuslav Martinů 1890-1959

Martinů: Tweede strijktrio

Bohuslav Martinů behoorde tot een generatie van componisten – Stravinsky, Bartók, Prokofjev, Berg, Webern, Milhaud – die veel bijgedragen hebben aan de veelkleurigheid van de muziek van de twintigste eeuw. Martinů heeft verschillende invloeden ondergaan: in zijn composities vermengen neoclassicistische, impressionistische en moderne middelen zich met folkloristische elementen, die getuigen van een nostalgische liefde voor zijn vaderland, het huidige Tsjechië.

Opgegroeid in het Oost-Boheemse stadje Policka leert Martinů al vroeg viool en piano spelen. In 1908 studeert hij viool en aan het Praagse conservatorium, maar wordt daar wegens gebrek aan discipline voortijdig ontslagen. Hij wil componeren. Op initiatief van zijn leraar compositie, Josef Suk, krijgt hij in 1923 een stipendium voor een eenjarige studie in Parijs.

Vanaf nu wijdt Martinů zijn leven volledig aan het componeren en hij vestigt zich, gefascineerd door het bruisende Parijse culturele leven, in de Franse hoofdstad. In 1941 emigreert de componist – hij stond op een zwarte lijst van de nazi’s – naar Amerika. Hij zal zijn vaderland nooit meer zien.

Martinů’s Tweede strijktrio is nog in zijn Parijse tijd ontstaan. De modernistische invloeden van Igor Stravinsky en de Franse avant-garde, met name die van zijn collega en goede vriend Darius Milhaud, zijn onmiskenbaar. Hierop wijzen de folkloristische elementen, de uitdagende s en het gebruik van en en modale (vóór-klassieke) ën.

Ook de tweedeligheid van het werk is ongewoon en niet traditioneel. Niettemin vertonen de delen met hun contrasterende ’s – een energiek en een us – en de uitwerking daarvan raakvlakken met de klassieke .

Het tweede deel begint met een langzame introductie. In dit door melancholieke episoden onderbroken deel kunnen we de innerlijke gespletenheid van de componist al bespeuren die in zijn latere in Amerika gecomponeerde werken nog sterker tot uitdrukking zou komen. Martinů zwierf tussen verschillende werelden, hij was een ontheemde die zijn vaderland nooit kon vergeten. Maar zijn Tweede strijktrio eindigt optimistisch en met bravoure.

Franz Schubert 1797-1828

Schubert: Strijktrio's

Alle strijktrio’s van Franz Schubert, het zijn er in totaal drie, zijn in zijn jonge jaren ontstaan. Hun publicatiegeschie­denis werpt een licht op Schuberts late erkenning als componist. Het Eerste strijktrio, D 111A uit 1814, werd pas in het midden van de twintigste eeuw gepubliceerd, het tweede D 471 uit 1816 in 1890, het derde D 581 uit 1817 in 1897, dus lang na Schuberts dood.

Veel van zijn werken moesten ‘uitgegraven’ worden, waaronder ook zijn beroemde ‘Unvollendete’ symfonie. Ze werd eind negentiende eeuw in een la van een muziekliefhebber in Graz ontdekt. Van Eduard Bauernfeld, toneeldichter en vriend van Schubert, is het volgende rijm afkomstig: ‘Ein echter Wiener – und ein Genie. Es staunt das ganze Land – die Wiener selbst erfuhren’s nie’.

Hoewel Schubert een rasechte Wener was, is zijn genie in zijn vaderstad vrijwel onopgemerkt gebleven. De reeds op 31-jarige leeftijd gestorven Schubert was een ‘profeet in eigen land’. Zijn Strijktrio in Bes groot uit 1816 heeft de componist niet voltooid, de handgeschreven breekt in het tweede, langzame deel af. Het slechts een jaar daarna ontstane Tweede strijktrio, D 581, eveneens in Bes groot, heeft hij afgemaakt.

Het zijn zwierige werken uit Schuberts jonge jaren die mozartiaanse trekken vertonen. Met zijn structuur – een gewichtig openingsdeel, een , een vrolijk en een goedgemutst als uitsmijter – toont Schubert zich schatplichtig aan zijn voorgangers Haydn en Mozart.

Maar Schubert geeft er een eigen draai aan. Zijn ­Tweede strijktrio wijst vooruit naar zijn met betoverende ën gelardeerde werken uit zijn latere periode. 

Biografie

Julia Fischer, viool

Julia Fischer won in 1995 – op haar elfde – de Yehudi Menuhin Competition en was als solist te gast bij vele ­orkesten, waaronder het London Philharmonic Orchestra, het Orchestre National de France en het Filharmonisch Orkest van Sint-Petersburg. Bij de Wiener Symphoniker bekleedde ze vorig seizoen een residency, en met cellist Daniel Müller-Schott tourde ze onlangs met het Bayerisches Staatsorchester met BrahmsDubbelconcert.

Als fervent kamermusicus richtte de violiste in 2011 het Julia Fischer Kwartet op, met naast altviolist Nils Mönkemeyer ook violist Alexander Sitkovetsky en cellist Benjamin Nyffenegger. Met deze formatie maakte ze begin dit jaar een tournee langs podia in onder meer Leipzig, Londen, Luxemburg en Zürich.

Julia Fischer is afkomstig uit München en studeerde daar bij Ana Chumanchenco, die ze opvolgde als docent aan de Musikhochschule. Naast viool speelt Julia Fischer op professioneel niveau ­piano: in 2008 debuteerde ze met Griegs Pianoconcert in de Alte Oper in Frankfurt, waar ze recentelijk nog aan de vleugel verscheen in Dvořáks Pianokwintet.

Bij haar laatste optreden in Het Concertgebouw, in juli 2015, vertolkte Julia Fischer in de het Vioolconcert van Chatsjatoerjan met het Radio-Sinfonieorchester Stuttgart.

Nils Mönkemeyer, altviool

Nils Mönkemeyer heeft een voorspoedige carrière sinds hij zijn opleiding aan de Musikhochschule in München afrondde. Hij is een regelmatige gast van bekende festivals en concertzalen, waaronder het Konzerthaus in Berlijn, de Tonhalle in Zürich en Wigmore Hall in Londen.

Gezelschappen als het Filharmonisch Orkest van Helsinki en het Tokyo Symphony Orchestra nodigden hem uit als solist, en momenteel is hij voor het tweede seizoen artist in residence bij het Philharmonische Gesellschaft ­Bremen.

Naast werk uit het verleden voert Nils Mönkemeyer graag hedendaagse muziek uit van componisten als Jennifer Higdon en Isabel Mundry. Recente hoogtepunten zijn de ­première van Dieter Ammanns ­Altvi­oolconcert met het Sinfonieorchester Basel, ­Mozarts concertante met ­Viktoria Mullova en de Philharmonia Zürich en – afgelopen mei – Matthias Pintschers Janusgesicht met Amsterdam Sinfonietta.

De Duitse altviolist nam een aantal goed ontvangen cd’s op, waaronder vertolkingen van werk van Bruch, Walton en Pärt met de Bamberger Symphoniker en soloconcerten van ­Vivaldi, Paganini en Tartini met ­l’arte del mondo. Nils Mönkemeyer is sinds kort verbonden aan de Hoch­schule für Musik ‘Hanns Eisler’ in Berlijn, nadat hij sinds 2011 had lesgegeven aan zijn eigen alma mater in München.

Hij bespeelt een van Philipp ­Augustin. In de speelde hij eerder kamermuziek met Liza Ferschtman, Julia Fischer en Daniel Müller-­Schott, en hij was er voor het laatst te gast op 18 maart 2020 samen met het Signum Quartett.

Daniel Müller-Schott, cello

Daniel Müller-Schott, in 1992 op zijn vijftiende winnaar van het Tsjaikovski Concours in Moskou, studeerde bij Walther Nothas, Heinrich Schiff en Steven Isserlis. Ook had hij een jaar privéles van cellist/ Mstislav Rostropovitsj. Een belangrijk mentor was violiste Anne-Sophie von Mutter, aan wiens zijde de cellist in 2000 zijn debuut maakte in Carnegie Hall in New York met op de lessenaar het Dubbelconcert van Brahms.

Daniel Müller-Schott groeide uit tot een gevierd musicus, en hij onderhield nauwe banden met de dirigenten Kurt Masur, Yakov Kreizberg en Lorin Maazel. Als solist werd hij geëngageerd door bijvoorbeeld het London Philharmonic Orchestra, het City of Birmingham Symphony Orchestra, de Berliner en de Dresdner Philharmoniker, het Sydney Symphony Orchestra en belangrijke orkesten in de Verenigde Staten en Azië.

In Nederland was hij meerdere keren te gast bij het Nederlands Philharmonisch Orkest. Daniel Müller-Schott brengt geregeld nieuwe composities in première, van bijvoorbeeld Sebastian Currier, André Previn, Peter Ruzicka en Olli Mustonen. Met Julia Fischer nam hij het album Duo Sessions op met werken van Kodály, Schulhoff, Ravel en Halvorsen, dat in 2017 een International Classical Music Award won.

Het vorige optreden van Daniel Müller-Schott in de van Het Concertgebouw was een met pianist Simon Trpčeski in november 2014.