Essentials: De Moldau door het Concertgebouworkest

Koninklijk Concertgebouworkest
Jakub Hrůša dirigent

TOM Talk

Thomas Vanderveken tackelt de essentials

Maurice Ravel 1875-1937

Pianoconcert in G Gr.t., Op. 34 (1931)
Allegramente
Adagio assai
Presto


Bedřich Smetana 1824-1884

Vltava (De Moldau)
Šárka
uit ‘Má vlast’ (Mijn vaderland, 1874-79)

er is geen pauze

Toelichting

Maurice Ravel 1875-1937

pianoconcert

Achteraf zouden de jaren 1928-32 het hoogte­punt van Maurice Ravels carrière blijken: in 1932 was de componist betrokken bij een auto-ongeluk, waarna zijn gezondheid langzaam maar onverbiddelijk verslechterde. Dat bleek ook uit het componeerproces van het Pianoconcert in G groot, dat Ravel schreef op verzoek van de bevriende pianiste Marguerite Long.
Het concert is zonnig, een ‘divertissement de luxe’, en absorbeert elementen van jazz die Ravel tijdens zijn Amerikaanse tournee in 1928 had leren kennen. Zoals hij het tegenover de Daily Telegraph verwoordde: ‘Een concert mag blijmoedig en stralend zijn, en hoeft niet altijd te streven naar diepzinnigheid en drama. Over sommige grote componisten is gezegd dat hun concerten niet vóór maar tegen de piano zijn geschreven, en volgens mij klopt dat helemaal.’

Licht en gracieus moest het Pianoconcert in G groot worden. Na de openingsklap klinkt een vrolijk , waarbij twee en tegelijk lijken te klinken; dit begin is vaak vergeleken met de bitonaliteit van Igor Stravinsky's Petroesjka. Het eerste thema, druk huppelend geïntroduceerd door de , heeft de schwung van het door jazz sterk beïnvloede Franse muziekleven. Het tweede thema is juist laid back à la George Gershwin.
Het langzame deel vraagt alle aandacht. De schoonheid ervan klinkt zo vanzelfsprekend, dat je niet zou vermoeden hoeveel moeite Ravel had met het componeren van deze muziek. De nasleep van het ongeluk begon hem langzaam op te breken – als pianist ging zijn techniek achteruit, zijn geheugen begon te haperen. Boven een rustig ritme van de linkerhand speelt de rechterhand een soort sarabande. Pas na drie minuten zet de fluitist in, een verbluffend moment van delicate kleuring.
In het slotdeel heeft de solist talloze pianistische passages te verwerken, moet ook de tist hard werken en geeft het koper commentaar in de jazzy stijl van New Orleans.

Floris Don

Bedřich Smetana 1824-1884

vltava en šárka

In 1875 beleefden de eerste twee delen van de cyclus symfonische gedichten Ma vlást (Mijn vaderland) hun première, met Vltava (De Moldau) als tweede en meest populaire deel. In een toelichting gaf de componist zijn opzet prijs: ‘De compositie beschrijft de loop van de Vltava, die uit twee kleine bronnen ontspringt, de Koude en de Warme Vltava [gerepresenteerd door respectievelijk fluiten en klarinetten], de vereniging van beide stroompjes in een enkele stroom, de loop van de Vltava door bossen en weiden, door een landschap waar een boerenbruiloft gevierd wordt, de rondedans van de meerminnen in de nachtelijke maneschijn: op de rotsen nabij doemen trotse kastelen op, paleizen en ruïnes. De Vltava tolt in de stroomversnelling van St. Jan; dan dijt zij uit richting Praag, langs [het in deel één beschreven kasteel] Vyšehrad, om majesteitelijk te verdwijnen in de verte, uitlopend in de Labe (of Elbe, in het Duits).’

In het veel minder bekende derde deel Šárka (ook onderwerp van een onvoltooide van Janáček) refereert Smetana aan de gelijknamige strijdster die, aldus de oude Tsjechische legende, wraak heeft gezworen op alle mannen, nadat een man haar eerder bedrogen heeft. Zij laat zich aan een boom vastbinden als prooi voor het mannenleger van de edelman Ctírad. Bij een eerste aanblik raakt hij (in de muziek vertegenwoordigd door de cellist) op haar (klarinet) verliefd. Maar zodra hij haar heeft bevrijd, geeft zij Ctírad en zijn mannen een slaapmiddel. Snurkend (!) dutten zij in. Met wagneriaans geschal roept Šárka haar medestrijdsters op, die in koelen bloede het volledige vijandige mannenleger ombrengen.
Smetana’s tiek is Tsjechisch. De muzikale middelen waarvan hij zich bedient zijn echter eerder Duits dan Slavisch van oorsprong. De symfonische gedichten van de Duits-Hongaarse Franz Liszt stonden model, en Smetana’s muzikale equivalent van het golvende water in Vltava herinnert aan de stijgende en dalende lijnen van Mendelssohns – door Wagner hooglijk gewaardeerde – Ouverture De Hebriden.

Onno Schoonderwoerd

Biografie

Jakub Hrůša, dirigent

Jakub Hrůša is chef- van de Bamberger Symphoniker en – met ingang van 2025/2026 – music director van de Royal in Londen. Daarnaast is hij eerste gast­dirigent van het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia en van het Tsjechisch Filharmonisch Orkest, dat hem recent benoemde tot chef-dirigent met ingang van 2028.

Als gastdirigent onderhoudt Jakub Hrůša goede banden met onder meer de Wiener, de Münchner en de Berliner Philharmoniker, het Gewandhausorchester Leipzig, de Staatskapelle Dresden, het Orchestre de Paris, het NHK Symphony ­Orchestra Tokyo, de orkesten van Cleveland, New York, ­Chicago en Boston en – sinds 2015 – het Concertgebouworkest.

­dirigeerde Jakub Hrůša op het Glyndebourne Festival en in de grote theaters van Wenen, Londen, Parijs en Zürich. In 2023 benoemde O­pus Klassik hem tot van het jaar. Voor opnames met de Bamberger Sym­phoniker won hij twee ICMA Prizes (werken van Rott respectievelijk Bruckner) en een Preis der deutschen Schallplattenkritik (Mahler), en in 2024 viel hij dubbel in de prijzen bij de Gramophone Awards, voor Brittens Vioolconcert met Isabelle Faust en het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en voor Janáčeks Kát’a Kabanová op de Salzburger Festspiele.

Jakub Hrůša studeerde in Praag bij Jiří Bělohlávek en was in 2015 de eerste winnaar van de Sir Charles Mackerras Prize. Hij kreeg samen met zijn Bamberger Symphoniker de Bayerische Staatspreis für Musik, werd in zijn vaderland onderscheiden met de Antonín Dvořák Prize en de zilveren medaille 2024 van de ­Tsjechische Senaat, en is erelid van de Royal Academy of Music in Londen.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Seong-Jin Cho, piano

Seong-Jin Cho was in 2011 – op zijn zeventiende – finalist op het Tsjaikovski-concours in Moskou, en studeerde vervolgens aan het Conservatoire National Supérieur de Musique in Parijs. In oktober 2015 trok hij internatio­naal de aandacht toen hij het Fryderyk Chopin Pianoconcours in Warschau won. Een maand later debuteerde hij in de : bij het Concertgebouw­orkest in Ravels Pianoconcert in G groot onder leiding van Jakub Hrůša.

Toen hij in ­januari 2024 bij het Concert­gebouworkest terugkeerde (Chopin onder leiding van Santtu-Matias Rouvali) publiceerde Preludium een interview met de Zuid-Koreaanse pianist. In de zomer van 2024 soleerde hij voor een derde keer bij het Concertgebouworkest (Beethoven onder leiding van Myung-whun Chung).

Seong-Jin Cho ondernam tournees met de Berliner Philharmoniker onder Kirill Petrenko (Korea), het Gewandhaus­orchester Leipzig onder Andris Nelsons (Korea, Japan en Europa), de Czech Philharmonic onder Semyon Bychkov (Taiwan en Japan) en de Münchner Philharmoniker onder Lahav Shani (Korea, Japan en Taiwan), en soleerde bij de Wiener Philharmoniker en de orkesten van New York, Philadelphia, Pittsburgh, Los Angeles en Boston.

Onder de en met wie hij regelmatig werkt, zijn Gustavo Dudamel, Yannick Nézet-Séguin, Gianandrea Noseda, Antonio Pappano, Simon Rattle en Esa-Pekka Salonen. In seizoen 2024/2025 was Seong-Jin Cho artist in residence van de Berliner Philharmoniker, en in het huidige seizoen heeft hij een soortgelijke positie bij het London Symphony Orchestra – met onder meer de wereldpremière van een nieuw pianoconcert voor hem van Donghoon Shin.

Solorecitals gaf Seong-Jin Cho in Carnegie Hall in New York, Suntory Hall in Tokio en de Musikverein en het Konzerthaus in Wenen. In Het Concertgebouw was hij eerder solo te beluisteren op 10 januari 2016 in de en in de -serie Meesterpianisten in 2017 en 2018.