Eerbetoon aan Gustav Leonhardt: Concerten van Bach

Oude Meesters in de Kleine Zaal 20.15 uur

Holland Baroque
Menno van Delft klavecimbel
Siebe Henstra klavecimbel

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Concerto in c kl.t., BWV 1060 (1736)
voor twee klavecimbels en orkest
Allegro
Adagio
Allegro 

Courante
Sarabande

Gavotte I/II
uit ‘Zesde suite in D gr.t.’, BWV 1012 (1720)
oorspronkelijk voor cello solo, transcriptie voor klavecimbel (1975-78) door Gustav Leonhardt
klavecimbel: Siebe Henstra

Derde Brandenburgse concert in G gr.t., 
BWV 1048 (1721)
[geen tempo-aanduiding]
Adagio
Allegro 

Wilhelm Friedemann Bach
1710-1784

Cantabile
uit ‘Concert voor twee klavecimbels en orkest in Es gr.t.’, F. 46 (1745?)

Johann Sebastian Bach

Concerto in D gr.t., BWV 1054 (1730)
Allegro
Adagio e piano sempre
Allegro
klavecimbel: Menno van Delft 

er is geen pauze
einde van het concert ca. 21.25 uur

Toelichting

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Concert voor twee klavecimbels

Tekst: Agnes van der Horst

Tussen 1729 en 1741 was Johann Sebastian Bach leider van het stadsorkest van Leipzig, het Collegium Musicum. Het orkest speelde wekelijks in Kaffeehaus Zimmermann en bij alle stadse evenementen.

Bach had dus een flinke voorraad instrumentale concerten nodig; vooral soloconcerten in de destijds populaire Italiaanse stijl. Zoals in die tijd gebruikelijk bewerkte hij veel stukken van andere componisten of ouder werk van zichzelf, zoals de concerten die hij schreef in Weimar en Cöthen.

Bach componeerde/arrangeerde in zijn Collegium Musicum-periode onder meer acht (waarvan zeven voltooide) klavecimbelconcerten voor één, twee, drie en zelfs vier klavecimbels (BWV 1052-1059). Kenners dateren de uitgeschreven werkpartituren rond 1739, maar al die concerten zijn bewerkingen van oudere (vaak verloren geraakte) composities.

Dat hij zoveel voor klavecimbel schreef had te maken met het feit dat, behalve hijzelf, zijn oudste zonen Wilhelm Friedemann en Carl Philipp Emanuel uitstekende klavecinisten waren. 

Bach is de eerste componist in de muziek­geschiedenis die zo vaak het klavecimbel als concertinstrument gebruikte. In zekere zin is hij daarmee de oervader van het pianoconcert.

Bachs eerste concert voor twee klavecimbels, het Concerto in c klein, BWV 1060, toont aan dat hij de Italiaanse concertstijl van ­Antonio Vivaldi bewonderde, maar die ook helemaal naar zijn hand zette. Zijn bij Vivaldi de sologedeelten strikt gescheiden van de tuttipassages, bij Bach vormen ze een organisch geheel.

Vivaldi streefde naar helderheid en doorzichtigheid in zijn muziek. Voor Bach, meester van het , is het kunstige lijnenspel belangrijk, waarbij de twee solisten en het tutti gelijkwaardige partners zijn. Ook de twee solostemmen zijn onafhankelijk: ze spelen unisono, imiteren elkaar of vervlechten hun melodische lijnen tot sierlijke guirlandes.

Bach stopt graag verrassingen in zijn muziek. Zo krijgt het  – even voorbij het midden – plotseling een dramatische wending. De serene stemming wordt onderbroken door dreigende noten, unisono gespeeld door het tutti, of er niets gebeurd is pakt de muziek ten slotte de draad weer op.

Dit concert voor twee klavecimbels kreeg later van Bach een tweede leven als Concert voor viool en hobo.

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Zesde suite in D groot

Klavecinist, organist, fortepianist en Gustav Leonhardt was een van de belangrijke pilaren onder de naar zo authentiek mogelijke uitvoeringen strevende oude-­muziekbeweging. Leonhardt was ook een gedegen wetenschapper, die artikelen en boeken schreef over Johann Sebastian Bach.

Als musicus maakte hij een massa opnames van Bachs klavecimbel- en werken en met zijn eigen Leonhardt Consort nam hij met dirigent/cellist Nikolaus Harnoncourt al Bachs kerkcantates op.

Gustav Leonhardt hield zo van Bach dat hij alles van hem wilde uitvoeren, niet alleen Bachs (toch behoorlijk omvangrijke) oeuvre voor klavier. Tussen 1975 en 1978 transcribeerde hij Bachs werken voor solo viool en voor solo .

In de jaren 1990 verschenen deze s en s op cd. De opnames en Leonhardts s met deze s maakten diepe indruk en oogstten veel succes.

Over zijn Bachuitvoeringen zei hij – altijd bescheiden en relativerend – in een interview in 2011: ‘Ik weet inmiddels zoveel over de tijd van Bach en heb zoveel gelezen van wat Bach zelf schrijft over muziek, instrumenten, stemmingen, ornamentiek en noem maar op, dat ik denk (en ik hoop dat het waar is) dat als Bach zou horen wat ik speel, zou zeggen: “Nou jongen, het kan beter, maar ik herken het als mijn stuk.”’ 

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Derde Brandenburgse concert

Bachs Brandenburgse concerten dateren uit de tijd dat hij kapelmeester was aan het hof van Cöthen (1717-1723). De verzameling van ‘zes concerten voor diverse instrumenten’ droeg hij in 1721 op aan de Markgraaf van Brandenburg. Verschillende ervan waren al eerder geschreven, zoals ook het Derde Brandenburgse concert, BWV 1048.

In dit concert spelen alleen strijkers met het continuo (de begeleidende instrumenten) en zwijgen de hout- en . De drie strijkersgroepen (violen, alten en ’s) spelen samen met het continuo, wisselen elkaar soms af en af en toe treedt een van de stemgroepen als solist naar de voorgrond.

Bach geeft in dit concert zijn eigen draai aan het Italiaanse concerto grosso. Het feestelijke eerste deel is briljant geïnstrumenteerd. Het openingsthema maakt daarin de dienst uit en is voortdurend te horen in verschillende gedaantes. Bach houdt ervan de luisteraar op het verkeerde been te zetten, met abrupte wendingen of plotselinge stiltes.

Maar het ‘langzame deel’ van dit concert spant de kroon. Het bestaat uit slechts twee en waarboven een ultrakorte . Onmiddellijk daarna valt het snelle slotdeel in met rappe zestienden, die doordansen tot het eind.

Ook dit concert werd door Bach hergebruikt: het juichende openingsdeel kwam in 1729 terecht in de Pinkstercantate Ich liebe den Höchsten von ganzem Gemüte, BWV 174.

Wilhelm Friedemann Bach 1710-1784

Cantabile

Niet alleen Carl Philipp Emanuel en Johann Christian Bach volgden hun vaders voetstappen. Ook Bachs minder bekende oudste zoon Wilhelm Friedemann was een getalenteerd musicus en componist. Hij kreeg les van zijn vader en was ook een van zijn leerlingen aan de Thomasschule..

Om hem te helpen en te stimuleren bij het componeren stelde Bach voor zijn oudste het Klavierbüchlein für Wilhelm Friedemann Bach samen, waarin hij compositievoorbeelden noteerde van zichzelf of van zijn collega’s. Al vanaf zijn tienerjaren schreef Friedemann daar zijn eerste stukjes bij. Hij ontwikkelde zich tot een vooraanstaand organist en klavecinist en werkte van 1733 tot 1746 als hoforganist aan het hof van Dresden

Wilhelm Friedemann Bach schreef verschillende religieuze vocale werken, concerten en ’s, kamermuziek en solostukken voor en klavecimbel. Zijn Concert voor twee klavecimbels en orkest in Es groot stamt uit de tijd dat hij in Dresden woonde en werkte.

Het Cantabile is het tweede en langzame deel van het concert en doet zijn naam eer aan. Het is buitengewoon zangerig en klinkt als een liefdesaria uit een .

Wilhelm Friedemann heeft de voorkeur voor contrasten en verrassingen van zijn vader overgenomen. Het eerste en derde deel van het dubbelconcert zijn groots, snel en dicht geïnstrumenteerd, het korte ­Cantabile is eenvoudig en charmant. Hierin spelen alleen de twee klavecimbelsolisten.

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Concerto in D groot

Bachs Concerto in D groot, BWV 1054 is een bewerking van zijn Vioolconcert in E groot, BWV 1042, dat waarschijnlijk dateert uit de tijd dat Bach kapelmeester was in Cöthen.

Ook dit concert was gearrangeerd voor de Collegium Musicum-concerten met Bach zelf of een van zijn zonen aan het klavecimbel. Het voortvarende en opgewekte eerste deel van het concert heeft een duidelijke A-B-A-structuur.

In het eerste gedeelte presenteert Bach de belangrijkste motieven, in het tweede gedeelte wordt door het orkest op de ’s gevarieerd, terwijl de klavecinist er op los lijkt te fantaseren. In de laatste ­sectie komt het muzikale materiaal weer in zijn oorspronkelijke vorm terug.

De opbouw van dit deel lijkt een vooruitwijzing naar de latere uit de . In het langzame deel speelt de klavecinist een dromerige en elegante boven een chaconne-achtige, zichzelf herhalende (maar dan gevarieerde) baslijn. Het laatste deel is zo mogelijk nog bruisender en virtuozer dan het eerste, maar wordt even onderbroken door een melancholiek ‘verrassingsmoment’.  

1928-2012

Gustav Leonhardt

Vandaag precies vijf jaar geleden overleed Gustav Leonhardt (1928-2012), eminent klavecinist, organist en , pionier op het vlak van de authentieke uitvoeringspraktijk van muziek uit de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw en – zoals generatiegenoot Frans Brüggen het ooit formuleerde – leermeester voor een hele generatie.

Leonhardts grootste project, samen met Nikolaus Harnoncourt, was de allereerste integrale plaatopname van alle ruim tweehonderd s van Johann Sebastian Bach; ze deden er achttien jaar over en kregen er in 1980 de Erasmusprijs voor.

Naast andere belangrijke onderscheidingen kreeg Leonhardt zelfs zijn ‘eigen’ plane­toïden: Leonhardt (nr. 9903) en Gustavleonardt (nr. 12637). In 1951 maakte Gustav Leonhardt zijn -debuut, met BachDie Kunst der Fuge met Hans Brandts Buys op een tweede klavecimbel.

Zijn laatste Concertgebouwoptreden was op 28 september 2011, een soloprogramma met werken van Bach, Couperin, Forqueray en Froberger. Vandaag herdenkt Holland Baroque de ‘vader van de oude muziek’, samen met twee van zijn studenten van weleer. ‘Ja, altijd maar weer Bach. Ik zou genoeg hebben aan alleen maar Bach.’ (Gustav Leonhardt in zijn laatste interview in Preludium, september 2011)

Biografie

Holland Baroque, ensemble

Holland Baroque, opgericht in 2006, is met zijn bijzondere programma’s een graag geziene gast op de (inter)nationale podia en is winnaar van onder andere de VSCD Klassieke Muziekprijs, twee Edisons en twee REMA Awards. De artistieke leiding ligt in handen van de tweelingzussen Judith en Tineke Steenbrink, die waar nodig repertoire herschrijven naar bezetting en aard van hun ensemble en hun gasten.

Zo ontstonden unieke projecten als Gospel Baroque met het London Community Gospel Choir, Love is Crazy met zanger/entertainer Sven Ratzke, Carrousel met (jazz)tist Eric Vloeimans en Silk Baroque met shengspeler Wu Wei.

Ook waren er samenwerkingen met ­singer-songwriter Daniël Lohues en met Cappella Amsterdam, Wishful Singing en Herman Finkers. Met Reinbert de Leeuw ondernam Holland Baroque in 2016 een ‘zoektocht naar de waarheid van Bachs Matthäus-Passion’ – door Cherry Duyns vervat in een registratie en een documentaire. Omvangrijk (archief-)onderzoek leidde tot de herontdekking van verloren gewaande muziek van de zeventiende-eeuwse Boxmeerse componist Benedictus à Sancto Josepho.

Holland Baroque zet zich in voor de toekomst van muziek: met schoolconcerten en workshops stimuleert het de creati­viteit bij kinderen en jongeren en via het Samama Fellowship kunnen young professionals een seizoen lang ervaring opdoen. Sinds 2024 werken de musici samen met verschillende organisaties uit het sociale domein en zetten ze bij repetities en concerten de deuren open voor doelgroepen met ­maatschappelijke uitdagingen.

Vorige optredens van ­Holland Baroque in de waren Forgotten Christmas in december 2017 en een Frans programma met sopraan Julie Roset in mei 2023; in maart 2024 volgde een Zondagochtend Concert vol Bach in de .

Menno van Delft, klavecimbel

Menno van Delft studeerde klavecimbel, en muziekwetenschap in Amsterdam, Den Haag en Utrecht. Onder zijn docenten waren naast Gustav Leonhardt ook Bob van Asperen en Piet Kee. Onder leiding van Wim van Gerven zong hij gedurende zijn studiejaren in de Schola Cantorum Amsterdam.

In 1988 was hij finalist tijdens het C.Ph.E. Bach Concours in Hamburg en een jaar later was hij voor het eerst te gast op het Festival Oude Muziek Utrecht. Als continuospeler en solist treedt Menno van Delft veelvuldig op met het Schönbrunn Ensemble, Cantus Cölln, Al Ayre Español, het Nederlands Kamerkoor, De Nationale en het Konink­lijk Concertgebouworkest.

Hij is oprichter van Das Zimmermannsche Caffee, een ensemble dat zich richt op muziek uit de Rococo. Met Siebe Henstra vormt hij het duo Der Prallende Doppelschlag. Met het vocale ensemble Jan van Ruusbroec richt Menno van Delft zich op repertoire uit de Renaissance. Sinds 1995 is hij verbonden aan het Conservatorium van Amsterdam.

Siebe Henstra, klavecimbel

Op zijn zestiende bouwde Siebe Henstra zijn eerste klavecimbel, en direct na de middelbare school ging hij studeren bij Ton Koopman en Gustav Leonhardt. Hij werd prijswinnaar op klavecimbelconcoursen in Edinburgh (1982) en Amsterdam (1987).

Als continuospeler speelt hij met onder meer het Orkest van de Achttiende Eeuw, het Leonhardt Consort, La Petite Bande, het Ricercar Consort, Tokyo Baroque en het Koninklijk Concertgebouworkest. Met celliste Lucia Swarts vormt hij een duo en hij is vast verbonden aan De Nederlandse Bachvereniging. Met Menno van Delft vormt hij het duo Der Prallende Doppelschlag – op twee klavichorden, klavecimbels of s.

Hij speelde onder leiding van en als Gustav Leonhardt, Frans Brüggen en Jos van Veldhoven. Siebe Henstra werkte mee aan de integrale opname van de volledige werken van Sweelinck, die werd onderscheiden met een Edison en een Preis der deutschen Schallplattenkritik.

Sinds 1988 is Siebe Henstra hoofdvakdocent klavecimbel aan het Utrechts Conservatorium en daarnaast geeft hij geregeld masterclasses.