Dvořáks Negende symfonie met Mirga Gražinytė-Tyla

Rafał Blechacz piano
Orchestre Philharmonique de Monte-Carlo
Mirga Gražinytė-Tyla dirigent

Dit concert maakt deel uit van de serie Grote Solisten.

Ook interessant:
- Interview met Rafał Blechacz
- Boekentip: New Worlds of Dvořák

Frédéric Chopin (1810-1849)

Pianoconcert nr. 2 in f kl.t., op. 21 (1829)
Maestoso
Larghetto
Allegro vivace

pauze ± 20.50 uur

Antonín Dvořák (1841-1904)

Symfonie nr. 9 in e kl.t., op. 95 ‘Uit de Nieuwe Wereld’ (1893)
Adagio – Allegro molto
Largo
Scherzo: Molto vivace
Allegro con fuoco

einde ± 22.10 uur

Toelichting

Frédéric Chopin (1810-1849)

Tweede pianoconcert

Door Frits de Haen

Chopins vader Nicholas was afkomstig uit de Vogezen en raakte als jongeman in Warschau verzeild. Daar werd Frédéric geboren. Ook al verkeerde Frédéric Chopin vanaf 1830 in West-Europa en vooral in Parijs, de band met zijn Franse familie was zo verwaterd dat hij geen pogingen meer ondernam om met hen in contact te komen. Polen beschouwt hem met graagte als natio­nale componist. Voor de concerten die hij in de jaren 1828 tot 1832 gaf in Warschau en later Parijs, schreef de virtuoze pianist en componist onder meer zijn twee pianoconcerten. In tegenstelling tot wat hun nummering suggereert, is het Tweede pianoconcert in f klein het oudste; pas toen Chopin dat voltooid had begon hij aan het concert dat we thans kennen als het Eerste pianoconcert in e klein.

Chopins Tweede pianoconcert kan niet los gezien worden van zijn toenmalige heftige gevoelens voor Konstancja Gladkowska

De verwarring kan verklaard worden uit het feit dat het Tweede pianoconcert pas gepubliceerd werd in 1836, terwijl het in 1830 geschreven Eerste pianoconcert al drie jaar eerder in druk verkrijgbaar was. Hoewel Chopin in 1827 en 1828 al een drietal werken voor piano en orkest had gecomponeerd, waaronder variaties op het duet ‘Là ci darem la mano’ uit Mozarts Don Giovanni, voelde hij zich blijkbaar nog niet zo op zijn gemak bij het schrijven voor piano en orkest. ‘Ik voel me als een beginneling terwijl ik daarvóór de idee had dat ik al alles wist.’ Meer dan eens is Chopin bekritiseerd omdat zijn orkestpartijen vooral dienen als ondersteuning van de solistische partij. Maar toch: zijn werken voor piano en orkest ademen zo’n prachtige lyriek dat ze tot op de dag van vandaag populair gebleven zijn. 

De eerste uitvoering van het nieuwe concert in f klein vond plaats in bescheiden kring, tijdens een huisconcert in februari 1830. Naar aanleiding daarvan veranderde de componist er nog het een en ander aan, hoewel de zegetocht ervan toen eigenlijk al begonnen was. Want bij dat huisconcert was een criticus van de Gazeta Polska aanwezig die het werk lovend besprak. Toen het Tweede pianoconcert een maand later zijn officiële première beleefde in het Nationaal Theater van ­Warschau, ­regende het complimenten. Niet alleen werd Chopin de ‘Paganini van de piano’ genoemd, maar ook stelde men het concert op één lijn met zijn illustere voorgangers, de pianoconcerten van Ludwig van Beethoven. Daarmee was Chopins faam voorgoed gevestigd. Het Tweede pianoconcert kan overigens niet los gezien worden van Chopins toenmalige heftige gevoelens voor Konstancja Gladkowska. Sterker nog: het middendeel is een ode aan haar. Niet voor niets schreef Chopin op 3 oktober 1829 aan een vriend: ‘Ik droom van haar, ik heb mijn gevoelens voor haar neergelegd in het [later omgedoopt tot Larghetto] van mijn concert.’

Antonín Dvořák (1841-1904)

Dvořák: Negende symfonie

Door Aad van der Ven

  • Antonín Dvořák met zijn gezin en vrienden op de binnenplaats van zijn New Yorkse huis, ca. 1893

Over de vraag in hoeverre Dvořáks Negende symfonie Amerikaans dan wel ­Tsjechisch is wordt al ruim een eeuw lang naar hartelust gedelibereerd. Waar en wanneer de componist het werk schreef is duidelijk. Dat was in 1892/93 in het vijfkamerappartement in New York, 327 East 17th Street, waar hij met zijn gezin gedurende zijn verblijf in de Verenigde Staten woonde. Een vermogende Amerikaanse had een formidabel salaris in het vooruitzicht gesteld als hij naar New York wilde komen om het door haar aldaar gestichte conservatorium te leiden. Een belangrijke Europese toondichter zou misschien jonge Amerikaanse componisten het gevoel kunnen bijbrengen, zo dacht zij, dat hun land een nieuw soort muziek nodig had waarin nationale elementen geïntegreerd zouden zijn in traditionele, klassieke vormen. Had Dvořák in zijn eigen land niet hetzelfde gedaan?

‘De invloed van Amerika kan iedereen opmerken die er een neus voor heeft’

Hij nam niet zonder aarzeling het aanbod aan en kweet zich drie jaar lang gewetensvol van zijn taak. Daarbij hield hij voldoende tijd over om enkele partituren te schrijven, waaronder de Negende symfonie en het C­elloconcert, die nu algemeen tot zijn beste worden gerekend.

Uit diverse bronnen blijkt dat Dvořák zeer geïnteresseerd was in negro­spirituals en in de eren en dansen van de inheemsen. Wat hij daarvan te pakken kon krijgen, bestudeerde hij. Zijn eigen muziek is er zeker door beïnvloed. Toen hij aan de Negende symfonie werkte, verklaarde hij in een brief aan een van zijn vrienden, dat deze compositie anders zou worden dan al zijn andere stukken: ‘De invloed van Amerika kan iedereen opmerken die er een neus voor heeft.’ Opmerkelijk is dat hij zich enkele jaren later, terug in het vaderland, enigszins distantieerde van deze uitlatingen. Hij noemde zijn ­Negende toen ‘echte Boheemse muziek.’ Misschien was hij geïrriteerd geraakt door het historische gewicht dat in de Verenigde Staten aan het werk werd gegeven. Daar noemden sommigen het ‘het begin van een nieuwe Amerikaanse muziek.’

In elk geval valt niet te loochenen dat zijn laatste symfonie ën bevat die een spiritual-afkomst verraden, zoals de fluitmelodie in het eerste deel en het hoofdthema van het langzame deel, voorgedragen door de . Er waren geruchten dat Dvořák van plan was een te componeren gebaseerd op The Song of Hiawatha van Longfellow. De opera kwam er niet, maar er zijn aanwijzingen dat iets van het schetsmatig genoteerde materiaal een plaats heeft gekregen in deze symfonie, vooral in het derde deel, , dat ‘dansende indianen’ zou uitbeelden. In het contrasterende gedeelte echter nemen Tsjechische boeren het heft in handen. Hier horen we de componist die ’s zomers het liefst in een klein houten huisje, een door hem opgeknapte schaapskooi, op het Zuid-Boheemse platteland verbleef. Het vurige slotdeel mondt uit in een episode die ’s uit de drie voorgaande delen bevat.

Biografie

Rafał Blechacz, piano

Rafał Blechacz had pianoles vanaf zijn vijfde, studeerde in 2007 af bij Katarzyna Popowa-Zydroń aan de muziekacademie van Bydgoszcz en behaalde in 2017 een doctoraat in de muziekfilosofie.

Hij werd internationaal bekend toen hij in 2005 op het Chopinconcours in Warschau naast de eerste prijs en de publieksprijs ook alle speciale prijzen verzamelde; hij was de eerste Poolse pianist die het concours won sinds dertig jaar eerder Krystian Zimerman.

Later zou de pianist de Premio Internazio­nale Accademia Chigiana (2010) en de Gilmore Artist Award (2014) toegekend krijgen. Op zijn debuut-cd staan preludes van Chopin (2007), zijn derde album – Chopins beide pianoconcerten met het Concert­gebouworkest – werd bekroond met een Preis der deutschen Schallplattenkritik, en ook zijn laatste cd (2023) is gewijd aan Chopin.

Recentelijk soleerde Rafał Blechacz bij het London Philharmonic Orchestra, het City of Birmingham Sym­phony ­Orchestra, het Orchestre de Paris, het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin, het hr-Sinfonie­orchester Frankfurt, het Mahler Chamber Orchestra, de Camerata Salzburg, het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het Orchestra dell’Accademia di Santa Cecilia en de orkesten van Minnesota, Detroit en Montréal. s geeft de pianist in de Verenigde Staten en Azië, en op de grote Europese podia.

Solo in de speelde hij in de serie Meesterpianisten in 2007, 2010, 2013 en 2017. In mei 2012 verving Rafał Blechacz in Het Concertgebouw Maria João Pires bij Die Deutsche Kammerphilharmonie Bremen onder leiding van Trevor Pinnock, en in de zomers van 2008 en 2009 was hij te gast bij het Concertgebouworkest.

Orchestre Philharmonique de Monte-Carlo, orkest

Het huidige Orchestre Philharmonique de Monte-Carlo komt voort uit het in 1856 opgerichte Orchestre du Nouveau Cercle des Etrangers.

Sinds eind negentiende eeuw verzorgde het gezelschap tal van wereldpremières, en componisten als Massenet, Puccini, Ravel, Mascagni, Fauré, Franck, ­Honeg­ger, Ibert, Lalo, Milhaud, Poulenc en Satie kozen het als ideale vertolker van hun werken. Ook vandaag de dag maakt muziek van eigentijdse componisten vast deel uit van de programmering.

Sinds het seizoen 2016/2017 is Kazuki Yamada chef-. Onder zijn vele voorgangers waren Victor de Sabata, Igor Markevitch, Lawrence Foster, Marek Janowski, Yakov Kreizberg en Gianluigi Gelmetti. Als gastdirigent stonden legendes op de bok als Toscanini, Furtwängler, Richard Strauss, Kleiber, Stokowski, Barbirolli, Bernstein, Giulini, Solti, Prêtre en Maazel.

Onder de bijzondere projecten van het orkest waren de complete pianoconcerten van Bartók door Zoltán Kocsis, de Grande messe des morts van Berlioz in de Dom van Berlijn en Schönbergs Gurre-er in Monte-Carlo en in de Berliner Philharmonie.

Voor het huidige seizoen nodigde het Orchestre Philharmonique de Monte-Carlo als solisten onder anderen Martha Argerich, Gautier Capuçon, Isabelle Faust, Nelson Goerner en Daniel Lozakovich uit, en de pianisten Lucas en Arthur Jussen zijn er momenteel artists in residence. Het orkest was te gast op de festivals van Aix-en-Provence, Montreux, Orange, La Roque d’Anthéron, Praag, Dresden, Bonn, Bad Kissingen en Rheingau en ondernam tournees naar China, Zuid-Korea, Japan en de Verenigde Staten.

Het vorige optreden in Het Concertgebouw was in de zomerprogrammering van 2008; dirigent was toen Kazuki Yamada, solist was Jorge Luis Prats.

Mirga Gražinytė-Tyla, dirigent

Mirga Gražinytė-Tyla werd in een muzikale familie geboren in Vilnius; ze voegde ‘Tyla’ toe aan haar naam, het Litouwse woord voor ‘stilte’. Ze studeerde aan de conservatoria van Leipzig, Bologna en Zürich en assisteerde in 2009 Kurt Masur bij het Orchestre National de France.

De Young Conductors Award van de Salzburger Festspiele 2012 leidde haar internatio­nale doorbraak in.

Het jaar daarop leidde ze in Salzburg het Gustav Mahler Jugendorchester en werd ze benoemd tot Kapellmeister van de Bern Oper. Bij de Los Angeles Philharmonic was ze tussen 2012 en 2017 achtereenvolgens Dudamel Fellow, assistent- en associate conductor.

In februari 2016 werd Mirga Gražinytė-Tyla benoemd tot music director van het City of Birmingham Symphony Orchestra, waarmee ze zich schaarde in het rijtje Simon Rattle, Sakari Oramo en Andris Nelsons. Met dit orkest maakte ze in mei 2019 haar Concertgebouwdebuut, en in maart 2023 keerden ze samen terug.

Aan het eind van 2021/2022 trad ze in Birmingham terug als chef, ze bleef een seizoen eerste gastdirigent en daarna werd ze associate artist. Mirga Gražinyte-Tyla is een veelgevraagd gastdirigent, en zo maakte ze in april 2023 haar – van voorjaar 2021 uitgestelde – debuut bij het Concertgebouworkest.

Actuele hoogtepunten zijn concerten met het Sinfonieorchester Basel, het Orchestre Philharmonique de Radio France, het Orchestra dell’Accademia di Santa Cecilia, de Münchner Philharmoniker en The Philadelphia Orchestra, en debuten bij de New York Philharmonic, de Staatskapelle Dresden en in het Teatro Real in Madrid met Mieczysław Weinbergs The Passenger.

’s leidde ze eerder in München, Heidelberg, Salzburg en Berlijn, en het was de veelvuldige samenwerking met Gidon Kremer en zijn Kremerata Baltica die haar op het spoor zette van de veronachtzaamde componist Weinberg.