Dudok Quartet Amsterdam in Beethovens Dertiende strijkkwartet

Dudok Quartet Amsterdam: 
Judith van Driel viool
Marleen Wester viool
Marie-Louise de Jong altviool
David Faber cello
 

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Strijkkwartet in F gr.t., op. 18 nr. 1 (1798-1800)
Allegro con brio
Adagio affettuoso ed appassionato
Scherzo: Allegro molto
Allegro

Tristan Keuris (1946-1996)

Tweede strijkkwartet (1985)

[in één deel] 

pauze ± 21.05 uur

Ludwig van Beethoven

Strijkkwartet in Bes gr.t., op. 130 (1825-26)
Adagio, ma non troppo – Allegro
Presto
Andante con moto, ma non troppo – Poco scherzoso
Alla danza tedesca: Allegro assai
Cavatina: Adagio molto espressivo
Finale: Allegro

einde ± 22.10 uur

Toelichting

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Beethoven: Strijkkwartet in F groot

Door Axel Meijer

Strijkkwartetten van twee componisten, allebei jong overleden: Tristan Keuris werd vijftig, Ludwig van Beethoven slechts zes jaar ouder. In die korte levens representeren de werken op dit programma belangrijke keerpunten.

Dat geldt vanzelfsprekend voor Beethovens allereerste strijkkwartet, het Strijkkwartet in F groot. De zes kwartetten in 18 ontstaan tussen 1798 en 1800 in opdracht van Franz von Lobkowitz. Het getuigt van Beethovens grote zelfverzekerdheid dat hij de opdracht aanneemt: de prins bestelt namelijk tegelijkertijd een soortgelijke set bij Joseph Haydn – Beethovens voormalige leraar en de onbetwiste ‘vader van het strijkkwartet’.

Ter voorbereiding op zijn eigen werk kopieert Beethoven, letterlijk, strijkkwartetten van Haydn en van Wolfgang Amadeus Mozart. Het openingsthema van het Strijkkwartet in F groot is, wellicht als eerbetoon, een herkenbare maar steviger variant op het begin van Haydns opus 50 nr.1. De bijna obsessieve drive van het con brio komt voort uit deze gepuncteerde ritmische figuur, die Beethoven (telt u mee?) maar liefst 104 keer opvoert.  

Uit een opmerking van de componist zelf weten we dat het affettuoso ed gebaseerd is op Shakespeares Romeo and Juliet. De langzaam stijgende lijn van de openingsmelodie eindigt in een variant op het van het . De begeleidende figuur neemt bij iedere herhaling in hevigheid toe. Tegen het eind introduceert Beethoven een ten hemel reikende vioolmelodie, die al vooruit doet denken naar de Cavatina uit het Strijkkwartet in Bes groot, ook op dit programma.

In het swingende trekt Beethoven de ritmische trukendoos helemaal open. De finale stelt opvallend hoge eisen aan de altviolist. Opvallend, omdat rond 1800 het professionele strijkkwartet als ensemble nog niet bestaat, en de altpartij doorgaans ontzien wordt. De was meestal immers het tweede instrument van een goede violist.

Tristan Keuris 1946-1996

Keuris: Tweede strijkkwartet

Pas decennia na Beethovens Strijkkwartet in F groot ontstaat het beroepsstrijkkwartet zoals wij dat kennen, en dat zijn kwaliteiten in dienst stelt van de almaar hogere technische eisen van componisten.

Een voorbeeld hiervan is Tristan Keuris, die zijn virtuoze Tweede strijkkwartet in 1985 schrijft voor het Nederlandse Raphael Kwartet. In hetzelfde jaar benadert de gerenommeerde Londense muziekuitgever Novello de componist met het voorstel zijn toekomstige werken uit te geven – teken van groeiende internationale erkenning. Het Tweede strijkkwartet wordt de eerste Keuriscompositie in de catalogus.

In eigen land is de waardering intussen niet onverdeeld: alle recensies prijzen Keuris’ grote vakmanschap, maar hij komt nooit helemaal af van het schampere predikaat van ‘de componist met de gouden handjes’. De benaming verwijst naar de kennelijk als suspect ervaren toegankelijkheid van Keuris’ werk.

Het is waar dat de componist het strikte al vroeg afzweert, ten gunste van een breder herkenbaar idioom. Ook geeft hij zelf toe dat hij een nostalgische hang heeft naar Classicisme en . Maar in Keuris’ handen levert dat eerder een moderne Romantiek op dan wat doorgaans wordt verstaan onder , zoals goed is te horen in het Tweede strijkkwartet.

Het stuk opent met een solo – met ruim anderhalve minuut opvallend lang. De opwaartse figuur, eerder stuwend en meeslepend dan tragisch, levert het materiaal voor de rest van dit deel. Keuris past hier op zijn eigen manier de ‘ontwikkelende variatie’ toe, een compositietechniek met een respectabele staat van dienst, maar voor het eerst analytisch geduid door Arnold Schönberg

Hoewel de delen van het kwartet in elkaar overlopen, zijn de vier bewegingen van het ‘klassieke’ strijkkwartet goed te onderscheiden. Ook dat is kenmerkend voor Keuris, met zijn voorliefde voor traditionele vormen. Het korte, woeste bevat felle ’s die in de verte aan het enige strijkkwartet van Maurice Ravel doen denken.

Een allengs bestendigende vertraging leidt naar een langzaam deel dat toch nergens zijn gedrevenheid verliest. De hoekige, hoogst virtuoze finale is het langste van de vier delen, maar is zo energiek dat het voorbij lijkt te vliegen. Het enige rustpunt hier is een verwijzing, hoog in de vioolpartij, naar het openingsgegeven. Zo rondt Keuris zijn strijkkwartet cyclisch, je zou haast zeggen klassiek, af.

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Beethoven: Strijkkwartet in Bes groot

In sommige opzichten is Beethovens Strijkkwartet in Bes groot, uit 1826, een moderner, baanbrekender stuk dan dat van Keuris. Dat geldt alleen al voor de omvang: zo’n drie kwartier, in een ongebruikelijk zestal delen. In het brede eerste deel speelt Beethoven met de klassieke , door de ontwikkeling en doorwerking van de ’s steeds te onderbreken met terugkeringen naar het ­openingsadagio.

Dit reusachtige en toch intieme deel wordt gevolgd door Beethovens kortste voor kwartet: een venijnig van amper twee minuten. Hoe galant Beethoven óók kan zijn bewijst hij met de beide volgende delen. In beide lijkt de geest van de oude leermeester Haydn rond te waren. Over het vijfde deel, de beroemde Cavatina, zegt Beethoven: ‘Nooit heb ik een geschreven die me meer aangreep.’

Beethovens oorspronkelijke finale, de Grosse Fuge, valt tijdens de ­première bij niemand in goede aarde. De strijkers vinden het te moeilijk en het publiek begrijpt er niets van. Een recensent schrijft dat het ‘net Chinees’ is (en tegelijk, kennelijk, ‘alleen begrijpelijk voor Marokkanen’!). Uiteindelijk vervangt Beethoven het door een slot­ dat weliswaar toegankelijker is, maar nog altijd onmiskenbaar een ‘late Beethoven’: ritmisch complex, emotioneel uiterst onstuimig en tegelijkertijd reflecterend. Het Strijkkwartet in Bes groot, 130 is de laatste compositie die Beethoven, vijf maanden voor zijn dood, voltooit.   

Biografie

Dudok Quartet Amsterdam, kwartet

Het Dudok Quartet Amsterdam studeerde bij het Alban Berg Quartett aan de Musikhoch­schule in Keulen en bij Marc Danel aan de Nederlandse Strijkkwartet Academie. In 2014 kreeg het de Kersjes­prijs en in 2018 een Borletti-Buitoni Trust Award, en het was prijswinnaar van de concoursen van Weimar en Bordeaux.

In de debuteerde het kwartet in juni 2008 in een Lunchconcert en was het op 28 december 2025 voor het laatst te gast samen met pianist Hannes ­Minnaar in Het Zondagochtend Concert.

De nieuwsgierigheid van de musici reikt zowel naar het verleden als de toekomst; ze spelen muziek van vóór 1900 met historisch verantwoorde instrumenten en strijkstokken, arrangeren jazz, folk, vocale werken en klaviermuziek en werken samen met componisten als Joey ­Roukens, Bushra El-Turk, Celia Swart, Peter Vigh, Max Knigge en Theo Loevendie (Tweede strijkkwartet, 2022).

Onder meer bij de wereldpremière van Only the Sound Remains (De Nationale Op­era, 2016) werkte het Dudok Quartet Amsterdam met Kaija Saariaho, en muziek van haar en Sjostakovitsj staat op de nieuwste cd Terra Memoria.

De strijkers hebben hun eigen podcast Muziek­verhalen, richtten in 2024 met de Dudok Muziekdagen hun eigen festival op in Kampen en tourden eerder dit seizoen door het Verenigd Koninkrijk, de ­Verenigde Staten en Schotland. Ze spelen op violen van Francesco Goffriller (1725) en Vincenzo Panormo (1810), een van Jean Baptiste Lefèbvre (1767) en een van Hendrik Jacobs (1700). Naamgever van het ensemble is architect en muziekliefhebber Willem Marinus Dudok (1884-1974): ‘Ik voel diep de gemeenschappelijke basis van de muziek en de architectuur: ze ontlenen immers beide haar waarde aan de juiste maatverhoudingen.’