Don Giovanni door het Orkest van de Achttiende Eeuw

Orkest van de Achttiende Eeuw
Cappella Amsterdam
Kenneth Montgomery dirigent
Jeroen Lopes Cardozo regisseur
André Morsch bariton (Don Giovanni)
Katharine Dain sopraan (Donna Anna)
Paula Murrihy mezzosopraan (Donna Elvira)
Henk Neven bas (Leporello)
Thomas Cooley tenor (Don Ottavio)
Rosanne van Sandwijk mezzosopraan (Zerlina)
Berend Eijkhout bas (Masetto)
David Wilson-Johnson bas (Il Commendatore)

Deze uitvoering wordt voorzien van boventiteling.

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Don Giovanni, KV 527 (1787)
opera buffa in twee bedrijven naar een libretto van Lorenzo Da Ponte

pauze ± 21.00 uur
einde ± 22.45 uur

Toelichting

Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791

Mozart: Don Giovanni

Door Frits de Haen

Gedurende een groot deel van zijn leven schreef Wolfgang Amadeus Mozart muziek­dramatische werken: op zijn elfde componeerde hij Apollo et Hyacinthus en in zijn sterfjaar 1791 sloot hij dit oeuvre af met Die Zauberflöte en La clemenza di Tito.

Toch wordt op de keper beschouwd maar een gering aantal van zijn 22 muziekdramatische werken nog regelmatig uitgevoerd: de drie Italiaanse opere buffe (ofwel komische ’s) Le nozze di Figaro, Don Giovanni en Così fan tutte die hij maakte in samenwerking met librettist Lorenzo Da Ponte; daarnaast de Sing­spiele (muziekdramatische werken met gesproken dialogen) Die Entführung aus dem Serail en Die Zauberflöte en – in iets mindere mate – de opera seria (‘serieuze opera’) Idomeneo.

De drie Da-Ponte-opera’s nemen in dit geheel een centrale plaats in. Ze ontstonden in 1786 (Le nozze di Figaro), 1787 (Don Giovanni) en 1790 (Così fan tutte). Uit een brief aan zijn vader Leopold blijkt dat Wolfgang Amadeus Mozart Da Ponte had leren kennen in het voorjaar van 1783: ‘We hebben hier een zekere abate da Ponte als dichter.’

Lorenzo Da Ponte leefde van 1749 tot 1838 en was een kleurrijke persoon uit Venetië, die na tal van omzwervingen in Wenen terecht was gekomen. Hij gold als avonturier en vrouwenverleider, en rekende een gelijkgestemd iemand als Casanova tot zijn vrienden.

Hij had Mozart klaarblijkelijk een libretto beloofd wanneer hij het iets minder druk had, maar ‘wie weet nu of hij dan ook woord kan houden – of wil! U weet dat Italianen in je gezicht erg voorkomend zijn!’, zoals Mozart zijn vader in Salz­burg schreef. Uiteindelijk zou Da Ponte inderdaad woord houden, en zo ontstond Le nozze di Figaro op een theaterstuk van Beaumarchais.

Da Ponte rekende Casanova tot zijn vrienden

Nadat Le nozze di Figaro begin 1787 in Praag een ongekende ontvangst had gehad, nodigde theaterdirecteur Pasquale Bondini Mozart uit om een nieuwe opera speciaal voor zijn Nationaal Theater te ­schrijven.

In zijn overigens niet altijd even geloofwaardige memoires verhaalt Da Ponte hoe hij tegelijkertijd aan operalibretto’s werkte voor Antonio Salieri, Giovanni Battista Martini en Wolfgang Amadeus Mozart: ‘Salieri hoefde geen origineel van me. Hij had voor Parijs de opera Tarare geschreven, maar wilde die zowel in karakters als in muziek italianiseren en vroeg daarom slechts om een vrije vertaling. Mozart en Martini lieten de keuze aan mij. Ik koos voor Mozart de Don Giovanni, die hem bijzonder beviel, en voor Martini L’arbore di Diana.

(...) Ik zal ’s nachts voor Mozart schrijven en daarbij Dantes Inferno voor de geest halen, ’s ochtends voor Martini, waarbij ik Petrarca ter hand zal nemen, en ’s avonds voor Salieri, waarbij Tasso me vergezelt.’

Overigens vergat Da Ponte erbij te vermelden dat de Don Giovanni niet helemaal origineel was; hij greep immers terug op Giovanni Bertati, die een libretto had gemaakt voor Giuseppe Gazzaniga, en dat werk was in februari 1787 in première gegaan. Bertati had zich op zijn beurt gebaseerd op de aloude Spaanse legende van de rokkenjager Don Juan, die voor het eerst op schrift was gesteld door Tirso de Molina (1584-1648).

Hoe het ook zij, Da Ponte zette zich aan het schrijven en leverde inderdaad in korte tijd een meesterlijk libretto, dat vervolgens door Mozart op muziek werd gezet. Naar alle waarschijnlijkheid dateren de eerste schetsen al van maart 1787 (de première was voorzien in het najaar), maar gezegd moet worden dat Mozart zich ook tijd gunde om andere werken in deze tijd te schrijven, waaronder het , KV 511, de Strijkkwintetten, KV 515 en 516, de Blazersserenade, KV 388 maar ook Eine kleine Nachtmusik.

Toen Mozart op 1 oktober 1787 de reis naar Praag ondernam, was de nog niet compleet. De première die aanvankelijk voorzien was voor 14 oktober, moest uitgesteld worden, mede doordat het instuderen van de nieuwe opera het Praagse gezelschap meer tijd kostte dan Mozart had voorzien.

In plaats van de nieuwe opera werd Le nozze di Figaro, Mozarts grote succesnummer in Praag, opgevoerd onder leiding van de componist. Van Don Giovanni ontbraken nog verscheidene nummers, waaronder de ouverture, en een hardnekkig verhaal wil dat Mozart die pas de nacht voor de première op 29 oktober 1787 schreef.

De eerste uitvoering was een doorslaand succes. Zo noteerde de Prager Oberpostamtszeitung op 3 november: ‘Kenners en musici zeggen dat in Praag de gelijke ervan nog niet werd uitgevoerd’, terwijl Mozart zelf een dag later in een brief schreef: ‘den 29:t ocktb: gieng meine oper Don Giovanni in scena, und zwar mit dem lautesten beyfall.’

De opgetogen berichten uit Praag lieten Wenen niet onberoerd en in mei 1788 maakte ook het publiek daar kennis met Don Giovanni. Voor deze Weense première bracht Mozart enkele wijzigingen aan.

Omdat de Weense tenor opzag tegen de coloraturen in Il mio tesoro intanto, werd deze geschrapt en componeerde Mozart – zij het voor een ander moment in de opera – de nieuwe tenor-aria Dalla sua pace.

Leporello’s aria Ah pietà, signori miei werd vervangen door een , terwijl Mozart een duet toevoegde voor Zerlina en Leporello. Bovendien kreeg Donna Elvira nog een nieuwe scène, In quali eccessi, o Numi. In de praktijk wordt tegenwoordig meestal een mengeling van beide versies uitgevoerd.

Don Giovanni wordt wel de opera der opera’s genoemd. En met recht, want weinig opera’s hebben een zo meeslepend en humoristisch libretto en weinig opera’s zijn zulke indrukwekkende opeenstapelingen van louter muzikale hoogtepunten.

Wat hoogtepunten betreft, is de hoofdpersoon van de opera aanmerkelijk slechter af: hij loopt in de opera het ene blauwtje na het andere en vindt uiteindelijk zijn noodlot in de hel. Maar dat gebeurt pas na zo’n drie uur, waarin drama en humor hand in hand gaan.

Want er mag niet vergeten worden dat Mozart, ondanks de zwarte kanten van Don Giovanni, in de eerste plaats een ‘dramma giocoso’ componeerde; en niet voor niets eindigt dat, naar de beste tradities van de komische opera, met een opgewekt sextet dat fungeert als ‘moraal van het verhaal’.

Don Giovanni (1787)

Synopsis

Eerste bedrijf
Don Giovanni sluipt ’s nachts het huis van de Commendatore in om diens dochter, Donna Anna, te verleiden. Donna Anna stribbelt tegen en haar vader komt af op het tumult. In een zwaardgevecht wordt de Commendatore gedood. Don Giovanni ontsnapt. Anna’s verloofde, Don Ottavio, moet haar beloven dat hij de moord op haar vader zal wreken. Ondertussen loopt Giovanni op straat een van zijn eerdere veroveringen, Donna Elvira, tegen het lijf. Ze is kwaad omdat hij haar heeft bedrogen en Giovanni maakt zich uit de voeten.

Zijn knecht Leporello zingt Elvira fijntjes zijn meesters meer dan duizend affaires tellende ‘balboekje’ voor. Als het dag is geworden maakt Giovanni boerendochter Zerlina, die op het punt staat te gaan trouwen met Masetto, het hoofd op hol. Net op tijd komt Elvira tussenbeide. Anna en Ottavio raken met Giovanni aan de praat en worden al snel vergezeld door Elvira, die Giovanni beschuldigt van ontrouw. Hij op zijn beurt verklaart Elvira voor gek, maar Anna herkent Giovanni als de insluiper die haar vader heeft gedood.

Op een feest in Giovanni’s paleis verschijnen Anna, Elvira en Ottavio gemaskerd. De gastheer probeert nogmaals Zerlina de zijne te maken, maar haar gegil verraadt de aanrander. Anna, Elvira en Ottavio maken zich bekend en beschuldigen Giovanni en plein public, maar de vrouwenversierder weet te ontkomen samen met Leporello – die eerst nog van zijn baas de schuld krijgt ook!

Tweede bedrijf
Leporello keurt de losbandige levenswandel van zijn meester steeds sterker af en wil zijn baan opzeggen, maar laat zich omkopen met extra geld. Giovanni heeft het gemunt op een nieuw slachtoffer: de ­kamenierster van Elvira. Hij dwingt zijn knecht om van kleding te ruilen. Terwijl Leporello in Giovanni’s kleding Elvira om de tuin moet leiden, kan Giovanni vermomd als Leporello achter de kamenierster aan. Maar dat snode plan wordt verijdeld door Masetto en zijn vrienden, die op pad zijn om Giovanni een lesje te leren. ‘Giovanni’ (eigenlijk Leporello) geeft Masetto er echter flink van langs, en Zerlina verzorgt haar neergeslagen verloofde liefdevol.

Leporello wordt door Elvira aangezien voor Giovanni en ze noemt hem zelfs ‘mijn echtgenoot’. Leporello ziet zich genoodzaakt de onfortuinlijke verkleedpartij op te biechten aan Anna en Ottavio. ’s Nachts treffen meester en knecht elkaar – om weer van kleding te wisselen – op het kerkhof, vlakbij het grafmonument voor de Commendatore. Als Giovanni er vrolijk op zinspeelt dat ‘ie in Leporello’s kostuum bij diens vrouw is langs geweest, buldert de stem van de dode een waarschuwing.

Giovanni nodigt het standbeeld overmoedig uit voor een souper en de stenen gast verschijnt inderdaad bij Giovanni aan tafel. Hij gebiedt de adellijke schurk berouw te tonen, maar Giovanni weigert en wordt opgeslokt door plotselinge vlammen. De politie arriveert; aan Leporello de taak om uit te leggen wat zijn meester is overkomen. Anna belooft Ottavio hem te trouwen na een jaar van rouw, Elvira trekt zich terug in een klooster, niets staat de bruiloft van Zerlina en Masetto nog in de weg, Leporello hoopt in de herberg een betere baas te vinden. Gezessen zingen ze de moraal van dit verhaal: wie leeft als een zondaar sterft als een zondaar.

Biografie

Cappella Amsterdam, koor

Cappella Amsterdam, opgericht in 1970 door Jan Boeke, staat sinds 1990 onder de artistieke leiding van Daniel Reuss. Al ruim vijftig jaar lang houdt het kamerkoor de rijke koorcanon levend. De repertoirekeuze reikt van middeleeuwse tot de meest complexe hedendaagse koormuziek. 

Het koor schenkt speciale aandacht aan het werk van Nederlandse componisten, variërend van Jan Pieterszoon Sweelinck tot Louis Andriessen, Ton de Leeuw, Robert Heppener en Jan van Vlijmen. De veelzijdigheid van Cappella Amsterdam komt ook tot uitdrukking in samenwerkingen met bijvoorbeeld het Holland Festival, ­Asko|Schönberg, MusikFabrik, de Akademie für Alte ­Musik Berlin, het Amsterdams Andalusisch Orkest en het Koninklijk Concertgebouworkest.

Vaste partner is Nieuw Vocaal Amsterdam, dat jonge zangers van vier tot eenentwintig jaar een klassieke opleiding biedt. De cd’s van Cappella Amsterdam werden meermaals onderscheiden: zo kreeg ­Golgotha van Frank Martin – samen met het Ests Philharmonisch Kamerkoor – een Grammy-nominatie, een Janáček-album een Edison Klassiek en een Diapason d’Or, een Brahms-album een Preis der deutschen Schallplattenkritik en Arvo Pärts Kanon Pokajanen een Edison Klassiek.

Het vorige optreden van Cappella Amsterdam in de Eigen Programmering was in 2023 een kerstconcert met het Nederlands Kamerorkest.

Orkest van de Achttiende Eeuw, orkest

Het Orkest van de Achttiende Eeuw verwierf wereldfaam door symfonisch werk uit te voeren op originele instrumenten (of kopieën daarvan) en op een historisch geïnformeerde manier. Het ontstond in 1981 naar een idee van blokfluitist Frans Brüggen, die tot aan zijn dood in 2014 en artistiek leider bleef. Sindsdien werkt het gezelschap met gasten.

De orkestleden spelen internationaal in toonaangevende (kamer)muziek­ensembles en komen een aantal keer per jaar voor een project bij elkaar. De uitgebreide discografie van het Orkest van de Achttiende Eeuw omvat werken van Purcell, J.S. en C.Ph.E. Bach, Rameau, Haydn, Mozart, Beethoven, Schubert, Mendelssohn, Chopin en Weber. Met Daniel Reuss en Cappella Amsterdam nam het orkest Beethovens Missa solemnis en BrahmsEin deutsches Requiem op.

Na een concertante Così fan tutte van Mozart onder leiding van Ed Spanjaard in 2013 volgden in de onder leiding van Kenneth Montgomery Le nozze di Figaro, La clemenza di Tito, Don Giovanni en een bewerking van Die Zauberflöte/ Der Schauspieldirektor. In mei 2023 verzorgde het orkest in Het Concertgebouw een driedaags Beethoven Festival, in oktober 2023 bracht het opnieuw, nu onder leiding van Manoj Kamps, een productie van Così fan tutte, en in oktober 2024 kwam het met een Mozart-programma met onder meer het Requiem samen met Cappella Amsterdam.

Kenneth Montgomery, dirigent

Kenneth Montgomery is afkomstig uit Belfast en studeerde in Londen bij Adrian Boult, in Hamburg bij Hans Schmidt-Isserstedt, in Siena bij Sergiu Celibidache en bij John Pritchard. Hij begon zijn loopbaan bij Glyndebourne Festival en English National Opera. In 1973 werd hij music director van Bournemouth Sinfonietta, twee jaar later van de Glyndebourne Touring Opera.

Sinds zijn debuut bij De Nederlandse Operastichting in 1970 nam zijn bekendheid ook in Nederland snel toe en hij werd chef- van het Radio Symfonie Orkest en het Groot Omroepkoor. Verder was Kenneth Montgomery chef-dirigent bij de Opera Northern Ireland, de Santa Fe Opera en het Ulster Orchestra en werkte hij als gastdirigent onder meer aan La Scala in Milaan en aan operahuizen in België, Frankrijk, de Verenigde Staten en Canada.

Hij werd in 1991 de eerste ­artistiek leider van de Dutch National Academy en geeft nog steeds masterclasses aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

Met het Orkest van de Achttiende Eeuw werkte Kenneth Montgomery voor het eerst in 2013. In oktober 2014 dirigeerde hij het orkest in de van Het Concertgebouw in Mozarts ‘Jupiter’-symfonie als onderdeel van het herdenkingsconcert voor Frans Brüggen. In het najaar van 2015 leidde hij bij het Orkest van de Achttiende Eeuw een reeks concertante uitvoeringen van Le nozze di Figaro van Mozart, in 2017 een reeks van diens La clemenza di Tito en in 2019 van Don Giovanni.

Jeroen Lopes Cardozo, regie

Jeroen Lopes Cardozo begon zijn loopbaan als regisseur/producent met Brittens ­kerkopera Curlew River. Kort daarop werd hij artistiek leider van Stichting De Kleine , waaraan hij twaalf jaar lang verbonden bleef. Inmiddels regisseerde hij opera’s van onder anderen Monteverdi, Puccini, Poulenc, Wagner en Offenbach.

Hij werd geëngageerd door onder meer de Opera Vlaanderen, het Residentie Orkest en het Radio Filharmonisch Orkest en werkte met en als Lawrence Renes, Jaap van Zweden, Arjan Tien en Ed Spanjaard.

Bij het Orkest van de Achttiende Eeuw werkte hij mee aan producties van Les Indes galantes van Rameau en Die Entführung aus dem SerailCosì fan tutteLe nozze di Figaro en La clemenza di Tito van Mozart

Ook regisseerde hij talloze musicals, shows en theaterstukken. Bij Joop van den Ende Theaterproducties werkte hij als resident director voor The Phantom of the en Zorro.

Als gevechtschoreograaf ontwierp Jeroen Lopes Cardozo scenes voor onder meer Toneelgroep Amsterdam, Het Nationale Toneel en Toneelgroep Oostpool, voor de musical Soldaat van Oranje en voor BaantjerGooische vrouwen en Karakter.

André Morsch, bariton

De Duitse bariton André Morsch studeerde bij Margreet Honig aan het Conservatorium van Amsterdam en is een voormalig lid van William Christie’s Le Jardin des Voix. Hij is winnaar van de Internationale Wettbewerb fur kunst Stuttgart en van de Prix Bernac van de Académie Ravel in Saint-Jean-de-Luz.

Van 2011 tot 2018 maakte de zanger deel uit van het ensemble van de Staatsoper Stuttgart. zong hij ook in de theaters van Basel, Zürich, Genève, Dijon, Nancy, Versailles en Parijs.

Bij De Nationale stond hij in Puccini’s La fanciulla del West, Schrekers Der Schatzgräber en Die Gezeichneten en Enescu’s Oedipe. Als concertzanger musiceerde André Morsch met onder meer het Radio Filharmonisch Orkest, het Nederlands Kamerkoor, Les Arts Florissants, Les Talens Lyriques, Le Poème Harmonique, het Gewandhausorchester Leipzig, het Beethoven­orchester Bonn, het Balthasar Neumann Ensemble, de Akademie für Alte Musik Berlin en het Kioi Hall Chamber Orchestra.

In de gaf hij verschillende keren een , voor het laatst in oktober 2018 met Rosanne van Sandwijk en Julius Drake. In de was hij te beluisteren in Bachs Johannes-­Passion (2017), Brahms’ Ein deutsches Requiem (2018) en Mozarts Don Giovanni (2019), telkens met het Orkest van de Achttiende Eeuw.

Katharine Dain, sopraan

De Nederlands-Amerikaanse sopraan Katharine Dain studeerde aan Harvard ­University, de Guildhall School of ­Music and Drama in Londen en Mannes College of Music in New York. In 2018 debuteerde ze als Konstanze in Mozarts Die Entführung aus dem Serail in Clermont-Ferrand, Avignon, Rouen, Massy en Reims.

Bij De Nationale stond ze in Viviers Kopernikus, en in december 2020 verzorgde ze met het Concertgebouworkest en Antony Hermus de wereldpremière van Notenkrakers’ notulen van Bram Kortekaas. Haar ‘lockdownalbum’ Regards sur l’Infini (Messiaen, Debussy, Delbos, Dutilleux en Saariaho) met pianist Sam Armstrong werd in 2021 bekroond met een Edison voor het beste debuut.

Highlights waren ook een residency bij Tapiola Sinfonietta (2023/2024) en de productie I Have Missed You Forever met Asko|Schönberg voor het Opera Forward Festival 2022. Katharine Dain was te gast op festivals als Wonderfeel, het Holland Festival, het Aldeburgh Festival en het West Cork Chamber Music Festival.

In Het Concertgebouw zong ze eerder bij het Orkest van de Achttiende Eeuw in Beethovens Negende symfonie (2023) en in Mozarts Don Giovanni (2019), Die Zauberflöte/Der Schauspieldirektor (2021) en Così fan tutte (oktober 2022). Ook stond ze in de in 2022 en 2023 in de kerstprogramma’s van het Nederlands Kamer­orkest.

Paula Murrihy, mezzosopraan

Paula Murrihy is Iers van geboorte en begon haar studie aan het conservatorium in Dublin. In de Verenigde Staten volgde ze lessen aan het New England Conservatory in Boston, waarna ze deelnam aan zowel het Britten-Pears Young Artists Programme als het Merola Program van de San Francisco Opera.

In 2009 werd ze ingelijfd bij het vaste zangers­ensemble van de Oper Frankfurt, waar ze rollen vertolkte in werken van bijvoorbeeld Mozart, Purcell, Humperdinck, Bizet en Richard Strauss. Voor de vertolking van de partij van Octavian in StraussDer Rosenkavalier was Paula Murrihy te gast bij de Staatsoper Stuttgart.

De mezzosopraan werd inmiddels ook geëngageerd door onder meer de Metropolitan in New York, de Scala in Milaan en De Nationale Opera in Amsterdam.

In Het Concertgebouw zong ze eerder in BachMatthäus-Passion met het Orchestra of the Age of Enlightenment onder leiding van Mark Padmore (2015) en in MozartLa clemenza di Tito (2017) en Don Giovanni (2019) met het Orkest van de Achttiende Eeuw onder leiding van Kenneth Montgomery.

Henk Neven, bas

Henk Neven kreeg een Borletti-Buitoni Trust Fellowship en ontving in 2011 de Nederlandse Muziekprijs. Hij vertolkt hoofdrollen in ’s van Monteverdi tot en met Messiaen bij De Nationale Opera, het Theater an der Wien en in de grote theaters van Berlijn, Parijs, Brussel en Londen.

Bij het Orkest van de Achttiende Eeuw was hij eerder Almaviva in Mozarts Le nozze di Figaro (2015), Publio in La clemenza di Tito (2017), Leporello in Don Giovanni (2019) en Papageno en Puf in de pastiche Der Schauspieldirektor/Die Zauberflöte (2021), maar ook Christus in Bachs Johannes-Passion (2019).

recitals gaf de zanger op de BBC Proms en in Wigmore Hall in Londen, in Het Concertgebouw en op de festivals van Oxford en Leeds.

Hij soleerde bij het Concertgebouworkest, het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het Nederlands Kamerorkest, de Nederlandse Bachvereniging, het Orchestra of the Age of Enlightenment, Les Talens Lyriques, het Orchestre National de France en de Staatskapelle Berlin.

Thomas Coolley, tenor (Don Ottavio)

Thomas Cooley was afgelopen seizoen in Chicago artist in residence bij Music of the Baroque, en trad in dat kader op in Monteverdi’s Vespers, Händels Judas Maccabaeus en een aantal Bachs.

De uit Minnesota afkomstige zanger werd de afgelopen tijd ook uitgenodigd door de orkesten van steden als Pittsburgh, Baltimore, Milwaukee, Atlanta, Indianapolis, Houston en Washington.

Het St. Paul Chamber Orchestra engageerde hem voor concertante uitvoeringen van Brittens The Turn of the Screw, de St. Louis Symphony voor Brittens Peter Grimes in Carnegie Hall in New York.

Met het American Classical Orchestra onder leiding van Nicholas McGegan was Thomas Cooley in de titelrol in Händels Samson te gast in de New Yorkse Alice Tully Hall. Bij de Noorse Nationale in Bergen werkte de tenor mee aan een productie van Frank Martins Le vin herbé.

In Het Concertgebouw was Thomas Cooley eerder te horen bij de Radio Kamer Filharmonie en het Orkest van de Achttiende Eeuw.

Rosanne van Sandwijk, mezzosopraan (Zerlina)

Rosanne van Sandwijk studeerde aan rts Rotterdam cum laude af bij Roberta Alexander. Niet lang daarna, in 2007, debuteerde de mezzosopraan met een Lunchconcert in de van Het Concertgebouw, met de erencyclus Frauenliebe und -leben van Schumann.

Rosanne van Sandwijk viel meervoudig in de prijzen tijdens het Internationaal Vocalisten Concours ‘s Hertogenbosch 2010 en kreeg de GrachtenfestivalPrijs 2014. Ze concerteert veelvuldig en gaf s met de pianisten Julius ­Drake, Malcolm Martineau en Kris­tian Bezuidenhout.

Als zangeres debuteerde ze in 2011 bij De Nationale Opera in GluckIphigénie en Tauride. Ze keerde er meerdere keren terug, onder meer in WagnerParsifal en MozartDie Zauberflöte. Van 2013 tot 2015 was ze ensemblelid aan het Theater Kiel, waar ze haar repertoire flink uitbreidde. ­

Rosanne van Sandwijk soleerde bij onder meer het Rotterdams Philharmonisch Orkest, Les Musiciens du Louvre, Camerata Salzburg, Concerto Köln en het Concertgebouworkest en was in de voor het laatst te horen in oktober 2017 in een concertante uitvoering van Mozarts La clemenza di Tito door het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam.

Berend Eijkhout, bas (Masetto)

Berend Eijkhout studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag bij Frans Fiselier en Gerda van Zelm. Hij vervolgde zijn opleiding bij Nadine Secunde en Peter Lockwood, en kreeg verder lessen van Roberta Alexander, Luca Pisaroni, Hans Pieter Herman en Margreet Honig.

Op het ­podium was hij te zien in de Mozart-opera’s Die Zauberflöte (Papageno), Don Giovanni (­Masetto) en Le nozze di Figaro (Il Conte), maar ook in werken van Monteverdi, Händel, Rossini en Weill. Hij werkte mee aan nieuw gecomponeerde opera’s als Who’s Afraid of Orfeo? (Chiel Meijering) en Mariken in de Tuin der Lusten (Calliope Tsoupaki).

Berend Eijkhout heeft daarnaast een uitgebreid concertrepertoire en soleerde onder en als Jos van Veldhoven (Messiah in Tokio, Weihnachts­ in Osaka), ­Daniel Reuss (Ein deutsches Requiem), Antony Hermus (Residentie Orkest), Ton Koopman (Boston Early Music Festival) en Marcus Creed (Die Schöpfung met het Orkest van de Achttiende Eeuw).

Als zanger werkte Berend samen met pianisten Felix Justin, Daan Boertien en Rixt van der Kooij en volgde hij masterclasses van Elly Ameling en Hans Eijsackers. Hij voert graag nieuwe kamermuziek uit; zo bracht hij met celliste Quirine Viersen en kamerkoor Ad Parnassum de Peace Cantata van Kris Oelbrand in première.

David Wilson-Johnson, bas (Il Commendatore)

David Wilson-Johnson studeerde Modern Languages in Cambridge en zang aan de Royal Academy of Music in Londen. In het begin van zijn inmiddels vier decennia omspannende carrière was hij koorzanger, in onder meer het Monteverdi Choir en de BBC Singers.

Zijn debuut als zanger maakte hij in 1976 in Henze’s We Come to the River in het Royal Opera House in Londen. De bariton trad ook op in de belangrijke theaters van Brussel, Madrid, Parijs en New York, tijdens de BBC Proms en op de festivals van Salzburg en Edinburgh.

Bij De Nationale Opera zong hij in onder meer Brittens Peter Grimes, Boris Godoenov van Moesorgski en Wagners Die Meistersinger von Nürnberg.

In 2006 nam David Wilson-Johnson afscheid van het toneel. Uitnodigingen als concertsolist brachten hem sindsdien bij bijvoorbeeld de orkesten van Sydney, Chicago, Boston en Philadelphia, het Symphonie­orchester des Bayerischen Rundfunks, het Orchestra of the Age of Enlightenment en het Radio Filharmonisch Orkest.

Bij het Concertgebouworkest vertolkte hij in november 2017 een spreekrol in het Requiem voor Jheronimus Bosch van Detlev Glanert.

Met het Orkest van de Achttiende Eeuw zong David Wilson-Johnson eerder onder meer in HaydnDie Schöpfung (nog onder Frans Brüggen), in een concertante Così fan tutte van Mozart (2013) en in de Missa solemnis van Beethoven (2016).