Dirigent Jakub Hrůša debuteert bij het Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest
Jakub Hrůša dirigent
Frank Peter Zimmermann viool
Bedřich Smetana 1824-1884
Vltava (De Moldau)
Šárka
uit ‘Má vlast’ (Mijn vaderland, 1874-79)
Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975
Tweede vioolconcert in cis kl.t., op. 129 (1967)
Moderato – Più mosso – Allegretto –
Moderato – Più mosso
Adagio
Adagio, Allegro
pauze
Leoš Janáček 1854-1928
Taras Bulba (1915-18)
rapsodie voor orkest (naar Gogol)
De dood van Andrij
De dood van Ostap
De voorspelling en de dood van Taras Bulba
Toelichting
strijders voor onafhankelijkheid
Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werden Tsjechië en Slowakije tot een nieuwe staat gesmeed. Voordien hadden de Habsburgers geregeerd in het gebied dat zij Böhmen noemden. Duits was de officiële taal. Ook Bedřich Smetana beheerste het Tsjechisch pas vanaf zijn veertigste.
Vanaf het midden van de negentiende eeuw ontstond in Tsjechië, zoals in zoveel ‘uithoeken’ van Europa, een nationale beweging. Boheemse koorscholen werden opgericht, men legde de eerste verzamelingen volksmuziek aan en ontvouwde plannen voor een eerste theater voor de Tsjechische . Met wisselend succes schreef Smetana vanaf de jaren zestig acht opera’s voor dit Praagse operatheater, dat later zou uitgroeien tot het Nationale Theater.
Om een alternatief te vinden voor de cultuur van de Duits-georiënteerde minderheid die de lakens uitdeelde, richtte zich de blik op het Slavische oosten, vooral op ‘grote broer’ Rusland. In de jaren tachtig ontpopte ook Leoš Janáček zich tot een slavofiel, die hoopte dat de Russen zijn land ooit van de Habsburgse overheersing zouden verlossen. Niet toevallig zou hij voor werken als het Eerste strijkkwartet ‘Kreutzersonate’ en de opera’s Káťa Kabanová en Uit een dodenhuis teruggrijpen op de Russische literatuur, op werken van achtereenvolgens Lev Tolstoj, Aleksandr Ostrovski en Fjodor Dostojevski. Voor zijn bijna filmische orkestrapsodie Taras Bulba, grotendeels geschreven in de Eerste Wereldoorlog (die in de Tsjechoslowaakse onafhankelijkheid zou resulteren), baseerde Janáček zich op Nikolaj Gogol.
Bedřich Smetana 1824-1884
vltava en šárka
In 1875 beleefden de eerste twee delen van de cyclus symfonische gedichten Ma vlást (Mijn vaderland) hun première, met Vltava (De Moldau) als tweede en meest populaire deel. In een toelichting gaf de componist zijn opzet prijs: ‘De compositie beschrijft de loop van de Vltava, die uit twee kleine bronnen ontspringt, de Koude en de Warme Vltava [gerepresenteerd door respectievelijk fluiten en klarinetten], de vereniging van beide stroompjes in een enkele stroom, de loop van de Vltava door bossen en weiden, door een landschap waar een boerenbruiloft gevierd wordt, de rondedans van de meerminnen in de nachtelijke maneschijn: op de rotsen nabij doemen trotse kastelen op, paleizen en ruïnes. De Vltava tolt in de stroomversnelling van St. Jan; dan dijt zij uit richting Praag, langs [het in deel één beschreven kasteel] Vyšehrad, om majesteitelijk te verdwijnen in de verte, uitlopend in de Labe (of Elbe, in het Duits).’
In het veel minder bekende derde deel Šárka (ook onderwerp van een onvoltooide van Janáček) refereert Smetana aan de gelijknamige strijdster die, aldus de oude Tsjechische legende, wraak heeft gezworen op alle mannen, nadat een man haar eerder bedrogen heeft. Zij laat zich aan een boom vastbinden als prooi voor het mannenleger van de edelman Ctírad. Bij een eerste aanblik raakt hij (in de muziek vertegenwoordigd door de cellist) op haar (klarinet) verliefd. Maar zodra hij haar heeft bevrijd, geeft zij Ctírad en zijn mannen een slaapmiddel. Snurkend (!) dutten zij in. Met wagneriaans geschal roept Šárka haar medestrijdsters op, die in koelen bloede het volledige vijandige mannenleger ombrengen.
Smetana’s tiek is Tsjechisch. De muzikale middelen waarvan hij zich bedient zijn echter eerder Duits dan Slavisch van oorsprong. De symfonische gedichten van de Duits-Hongaarse Franz Liszt stonden model, en Smetana’s muzikale equivalent van het golvende water in Vltava herinnert aan de stijgende en dalende lijnen van Mendelssohns – door Wagner hooglijk gewaardeerde – Ouverture De Hebriden.
Onno Schoonderwoerd
Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975
Tweede vioolconcert
Onder Stalins opvolger Chroesjtsjov resulteerde het uiten van een dissidente mening niet meer onafwendbaar in een langdurig verblijf in de tajga. Toch brandde Dmitri Sjostakovitsj nog in 1962 zijn vingers aan de openlijk anti-Stalinistische teksten van Jevgeni Jevtoesjenko, die hij had gebruikt in zijn Dertiende symfonie. Ook Jevtoesjenko’s tekst voor Sjostakovitsj’ op het eerste gezicht zeer socialistische De terechtstelling van Stepan Razin (1964) – over de kozakkenleider die in 1670-71 een opstand had ontketend tegen de adel en de bureaucratie – moet de censoren de kriebels gegeven hebben. Maar een aanval in de pers bleef uit.
Chroesjtsjovs veelgeroemde ‘dooi’ bestond, welbeschouwd, hoofdzakelijk uit een beter pr-beleid. De in 1964 aangetreden Brezjnev beteugelde de ogenschijnlijke vrijheid van de intelligentsia weer. Niettemin durfde Sjostakovitsj in 1966-67 Solzjenitsyn en Sacharov in het openbaar te steunen. Zolang hij de door partijleden geschreven propagandastukjes bleef ondertekenen kon hij, als internationaal boegbeeld van het sovjetcomponeren, wel een potje breken.
Ook het Tweede vioolconcert kreeg na de première op 26 september 1967 geen kritiek uit ideologische hoek, zelfs al bezingt het niet ondubbelzinnig de schitterende toekomst van het sovjetvolk.
Zoals veel sovjetcollega’s hield ook Sjostakovitsj zich in grote lijnen aan de traditionele vorm van het (driedelige) soloconcert. Het centrale is van een desolate stilte. In het al even troosteloze eerste deel klinkt echter protest door. De componist refereert er aan zijn Stepan Razin, en niet toevallig aan het moment waarop de held op het schavot beseft dat zijn hoofd niet tevergeefs voor de bijl gaat: het volk zal hem immers ooit begrijpen. De , net als in het Tweede concert de directe tegenspeler van de solist, lijkt in de eerste twee delen aan te dringen op berusting in dit lot. De finale doet zich voor als een vrolijk scherzando. Maar hier wordt de hoorn een heuse opponent van de viool. De strijd tussen orkest en solist (de angstige solocadens), tussen het individu en de massa (), lijkt te worden beslecht in het nadeel van de eenling.
Door schade en schande wijs geworden zocht Sjostakovitsj met zorg de musici uit aan wie hij zijn werken opdroeg, om te voorkomen dat zij zich om politieke redenen vóór de première zouden terugtrekken. Beide vioolconcerten zijn geschreven voor zijn vriend David Oistrach. Het Tweede was bedoeld als een cadeautje voor diens zestigste verjaardag. Wonderlijk genoeg had Sjostakovitsj zich een jaar vergist. Wel werd de Grote Socialistische Revolutie in 1967 voor de vijftigste keer gevierd.
Leoš Janáček 1854-1928
taras bulba
Gogols epos over de zeventiende-eeuwse kozakkenhoofdman Taras Bulba, die strijd leverde tegen de Poolse overheerser, was een belangrijke spil in de nationale Oekraïens-Russische ‘bevrijdingsliteratuur’. Leoš Janáček concentreerde zich op drie scènes uit Gogols roman. Het eerste deel verhaalt van de amoureuze verhouding tussen Taras’ jongste zoon Andrij en de dochter van de Poolse aanvoerder.
Hij weet niet zeker of hij trouw moet blijven aan zijn afkomst, of loyaal moet zijn aan de familie van zijn geliefde, maar laat zich uiteindelijk afslachten door de Oekraïense troepen. Zijn oudste broer Ostap, driest van kwaadheid over de dood van Andrij, wordt in het tweede deel door de Polen gevangen en afgevoerd naar Warschau; de vijand danst een wilde om deze overwinning te vieren. Als Ostap wordt geëxecuteerd, bevindt ook Taras zich onder het samengedromde publiek. Hij maakt zich bekend, troost Ostap en weet te ontsnappen. Maar ook hij wordt (in deel drie) gevangen genomen en gemarteld. Vanaf de brandstapel verkondigt hij dat zijn volk uiteindelijk zal mferen. Janáčeks muzikale vertaling van deze slotscène is grandioos, inclusief een grootse partij en onvermijdelijk klokgelui.
Onno Schoonderwoerd
Biografie
Jakub Hrůša, dirigent
Jakub Hrůša is chef- van de Bamberger Symphoniker en – met ingang van 2025/2026 – music director van de Royal in Londen. Daarnaast is hij eerste gastdirigent van het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia en van het Tsjechisch Filharmonisch Orkest, dat hem recent benoemde tot chef-dirigent met ingang van 2028.
Als gastdirigent onderhoudt Jakub Hrůša goede banden met onder meer de Wiener, de Münchner en de Berliner Philharmoniker, het Gewandhausorchester Leipzig, de Staatskapelle Dresden, het Orchestre de Paris, het NHK Symphony Orchestra Tokyo, de orkesten van Cleveland, New York, Chicago en Boston en – sinds 2015 – het Concertgebouworkest.
dirigeerde Jakub Hrůša op het Glyndebourne Festival en in de grote theaters van Wenen, Londen, Parijs en Zürich. In 2023 benoemde Opus Klassik hem tot van het jaar. Voor opnames met de Bamberger Symphoniker won hij twee ICMA Prizes (werken van Rott respectievelijk Bruckner) en een Preis der deutschen Schallplattenkritik (Mahler), en in 2024 viel hij dubbel in de prijzen bij de Gramophone Awards, voor Brittens Vioolconcert met Isabelle Faust en het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en voor Janáčeks Kát’a Kabanová op de Salzburger Festspiele.
Jakub Hrůša studeerde in Praag bij Jiří Bělohlávek en was in 2015 de eerste winnaar van de Sir Charles Mackerras Prize. Hij kreeg samen met zijn Bamberger Symphoniker de Bayerische Staatspreis für Musik, werd in zijn vaderland onderscheiden met de Antonín Dvořák Prize en de zilveren medaille 2024 van de Tsjechische Senaat, en is erelid van de Royal Academy of Music in Londen.
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Frank Peter Zimmermann, viool
De in Duisburg geboren Frank Peter Zimmermann kreeg vanaf zijn vijfde muziekles van zijn moeder, gaf zijn eerste openbare concert op zijn tiende en won een jaar later het concours ‘Jugend musiziert’. Later studeerde hij bij Valery Gradov, Saschko Gawriloff en Herman Krebbers.
Een belangrijk moment in zijn vroege carrière was zijn debuut bij de Berliner Philharmoniker in 1981 met Mozarts Derde vioolconcert, KV 216. Sindsdien treedt de violist wereldwijd op.
Ook bij het Concertgebouworkest was hij, sinds zijn debuut in 1990, vele malen te gast, voor het laatst in maart 2024 met het Vioolconcert van Elgar onder leiding van Daniel Harding. Naast werk uit het verleden speelt Frank Peter Zimmermann ook graag nieuwe muziek; zo bracht hij met het London Philharmonic Orchestra en Jaap van Zweden het Tweede vioolconcert van Magnus Lindberg in première en schreven componisten als Brett Dean, Peter Eötvös, Matthias Pintscher en Augusta Read Thomas nieuw werk voor hem.
s gaf Frank Peter Zimmermann met partners als Christian Zacharias, Enrico Pace en Emanuel Ax. Onder zijn recente cd-opnames zijn werken van Stravinsky, Martinů en Bartók met de Bamberger Symphoniker en Jakub Hrůša, de Sonates en partita’s voor viool solo van Bach en de complete Beethovensonates met pianist Martin Helmchen. Frank Peter Zimmermann bespeelt de Stradivarius ‘Lady Inchiquin’ uit 1711.


