Die sieben Todsünden bij het Koninklijk Concertgebouworkest

De zeven hoofdzonden 

Koninklijk Concertgebouworkest 
Cristian Măcelaru dirigent
Wende zang (Anna I en Anna II)
Frommermann vocaal kwartet (Die Familie):
Jan-Willem Schaafsma tenor (ook Ivan), Erik Slik tenor, Mattijs van de Woerd bariton, Marc Pantus bas
Martin Winkler bariton (Kovaljov)

Wende en Dennis Vanderbroeck concept
Marcus Azzini mise en espace 
Jantje Geldof licht

Randprogramma
Om 19.15 uur geeft musicoloog Bart Hermans een inleiding in de Koorzaal. Uw gratis kaartje hiervoor kunt u reserveren via de Concertgebouwlijn (0900-6718345, € 1 per gesprek) of afhalen aan de kassa van Het Concertgebouw.

Direct na het concert spreekt artistiek directeur Joel Ethan Fried in de Spiegelzaal met Cristian Măcelaru, Wende en een orkestmusicus

Karim Al-Zand (1970)

Lamentation on the Disasters of War (2006 ‘in tempore belli’) naar etsen van Francisco de Goya y Lucientes
Nederlandse première 

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Suite uit ‘De neus’, op. 15a (1927-28)
voor bariton, tenor en orkest
Ouverture 
Aria van Kovaljov
Entr’acte uit het eerste bedrijf
Entr’acte uit het tweede bedrijf
Lied van Ivan
Monoloog van Kovaljov
Galop
eerste uitvoering door het Koninklijk Concertgebouworkest

pauze (± 21.00 uur)

Kurt Weill (1900-1950)

Die sieben Todsünden (1933) 
ballet chanté, libretto Bertolt Brecht
Prolog – Faulheit – Stolz – Zorn – Völlerei – Unzucht – Habsucht – Neid – Epilog
eerste uitvoering door het Koninklijk Concertgebouworkest

einde (± 22.15 uur)

Toelichting

De zeven hoofdzonden

Door Mark van Dongen en Martijn Voorvelt

Schrijver Bertolt Brecht en componist Kurt Weill waren meesters in het becommentariëren van de zeden en zonden van hun tijd. De dubbele moraal van de jaren twintig en dertig loopt als een rode draad door hun gezamenlijke oeuvre. Opgejaagd door de opkomst van het nazisme gaven zij hun ervaringen op cabareteske wijze vorm in het ‘ballet chanté’ Die sieben Todsünden.  

Satirische kunst kan in tijden van crisis, oorlog of onderdrukking verlichting brengen terwijl ze tegelijkertijd direct commentaar levert. In de Sovjet-Unie hield Dmitri Sjostakovitsj de mensen een muzikale lachspiegel voor. Was zijn De neus nog een luchtige absurdistische parabel, naarmate Stalins regime verhardde zou Sjostakovitsj’ humor cynischer worden. 

Karim Al-Zand baseerde Lamentation op de beroemde ‘caprichos’ van Francisco de Goya. Hierin spot hij met de zeden in het Spanje van zijn tijd, maar soms zijn gebeurtenissen zo gruwelijk dat humor niets meer kan uitrichten – uit de fel realistische etsen die Goya maakte als commentaar op de oorlog van 1808-1814 is alle luchtigheid verdwenen. Hier heerst duisternis en bloedvergieten. Onder zulke mensonterende omstandigheden kan de kunst slechts verslag doen en hoogstens hoop geven dat het ooit beter zal gaan. 

Al-Zand: Lamentation

Karim Al-Zand werd geboren in Tunesië, groeide op in Canada, studeerde in Montréal en Cambridge en woont sinds 2000 in Houston. Zijn muziek weerspiegelt zijn caleidoscopische achtergrond: ze loopt uiteen van solo-werken tot multimediaprojecten en haalt inspiratie uit onder meer beeldende kunst, mythologie, film en volksmuziek. Wat zijn composities gemeen hebben, is een sterk gevoel voor transparante ën en muzikale vormen die relatief eenvoudig te volgen zijn. 

Lamentation on the Disasters of War baseerde Al-Zand op de 82 etsen Los desastres de la guerra, die Goya tussen 1812 en 1820 maakte na Napoleons inval van 1808. Het Franse leger verkeek zich totaal op de felle weerstand van de Spanjaarden, en zes jaar van onbeschrijflijke wreedheden aan beide zijden volgde. De guerrilla-oorlog werd geboren: vanuit de bergen teisterden rebellen de Franse troepen met ontvoeringen, executies en openbare verminking.

De burgers werden van twee kanten geterroriseerd. Goya’s etsen onderscheidden zich door het onverhulde realisme waarmee het geweld wordt weergegeven – ze fungeren als een soort documentaire. Al-Zands is vooral geïnspireerd door de pessimistische boodschap dat oorlog slechts verliezers kent. De componist droeg het werk op aan zijn neef Husam Al-Zand (1966-2005), ‘die op tragische wijze omkwam in Irak, aan de echtgenote en kinderen die hij achterliet, en aan de rest van mijn moedige familie in Bagdad’.  

Sjostakovitsj: De neus

Dmitri Sjostakovitsj schreef zijn eerste in de tijd dat Stalin zich – na de dood van Lenin in 1924 – begon te ontpoppen als een nietsontziend dictator. De neus, een opera in drie bedrijven met maar liefst 82 personages, is zowel komisch als experimenteel, met modernistische invloeden uit theater (Meyerhold), film (Eisenstein) en muziek (met name BergsWozzeck). Het libretto is gebaseerd op de novelle De neus en enkele andere verhalen van Nikolaj Gogol. De opera over een ambtenaar die zijn aangezicht verliest omdat zijn neus een eigen leven gaat leiden geeft een zowel bijtend als hilarisch commentaar op de sovjet-ambtenarij en op het stadsleven in Sint-Petersburg (toen Leningrad). Maar het was vooral de muziek – een wilde montage van tonale en atonale passages, populaire variétéliedjes en circus en volksmuziek – die bij de eerste uitvoeringen van de opera in 1930 leidde tot verbijsterde reacties en woedende recensies. Sjostakovitsj had dat wel verwacht. De uitvoeringen waren namelijk niet geënsceneerd, en volgens de componist verliest de opera dan alle betekenis. ‘De muziek komt immers voort uit de actie… Het is mij duidelijk dat een concertante uitvoering De neus zal verwoesten.’ Daarom ook had hij al een (deels gezongen) samengesteld. De première daarvan in november 1928 was wél succesvol geweest.

In de Ouverture, die begint met een desoriënterend voor , en trombone, demonstreert de jonge Sjostakovitsj zijn orkestratietalenten. Vervolgens horen we de ambtenaar Kovaljov, die in de ochtend na een scheerbeurt om het verlies van zijn neus treurt, niet wetend dat zijn kapper het reukorgaan in zijn brood heeft aangetroffen en verwoede pogingen doet het kwijt te raken. De nachtmerrieachtige Entr’acte voor louter uit het eerste bedrijf baarde destijds veel opzien en is nog altijd een enerverend hoogtepunt. In de opera treft Kovaljov de neus later aan in de kathedraal – deze is bevorderd tot een hogere rang dan Kovaljov zelf en weigert met hem te praten. 

De Entr’acte uit het tweede bedrijf, waarin stijgende en dalende toonladders een grote rol spelen, is het muzikale hart van de suite en met zeven minuten het langste deel. Na een kafkaëske dag van vruchteloze pogingen om bij politie en pers aandacht te vragen voor zijn probleem komt Kovaljov thuis, waar zijn bediende Ivan balalaika speelt en een (uit de roman De gebroeders Karamazov van Dostojevski) zingt. Kovaljov stuurt hem weg en doet zijn beklag in de uiterst droevige Monoloog.

In het derde bedrijf wordt na een wilde achtervolging de neus gevonden. Kovaljov kan hem echter niet opzetten en vermoedt hekserij. Zijn verzoek om de vloek op te heffen wordt opgevat als een huwelijksaanzoek. In de stad verzamelt zich ondertussen de menigte, aangespoord door roddels. Uiteindelijk krijgt Kovaljov zijn neus terug en kan hij zich weer vertonen in Sint-Petersburg. Het van de stad klinkt in de woeste Galop uit het eerste bedrijf. 

Weill: Die sieben Todsünden 

Die sieben Todsünden, het laatste van acht muziektheaterwerken die Kurt Weill in samenwerking met Bertolt Brecht schreef, speelt zich af in de Verenigde Staten. Voor Brecht, sinds 1931 actief lid van de socialistische partij, was dit land natuurlijk hét voorbeeld van de menselijke verwording in een kapitalistische maatschappij. Weill had met dit werk vooral de bedoeling een nieuw soort muziektheater te creëren. In 1935 zou hij op uitnodiging van de al eerder geïmmigreerde Oostenrijkse toneelleider Max Reinhardt zelf naar Amerika verhuizen. Hij schreef daar onder andere een aantal succesvolle musicals. Die sieben Todsünden geldt als muzikaal hoogtepunt van Weills Europese jaren. 

Toen Hitler in het voorjaar van 1933 aan de macht was gekomen weken Brecht en Weill in eerste instantie uit naar Parijs, waar Weill in contact kwam met de choreograaf Georges Balanchine. Die sieben Todsünden werd geschreven voor het debuut van Balanchines ‘Les Ballets 1933’. Hoewel Brecht inmiddels toegankelijke ‘Lehrstücke’ wilde maken – waarin de betrokkenheid van het publiek centraal stond – won Weill hem voor zijn plan om een kleine balletopera te schrijven. 

In de tekst combineerde Brecht elementen van ‘Lehrstück’ (opvoedkundig stuk) en ‘Musikmorität’ (muzikale satire). In Die sieben Todsünden slepen twee Anna’s (de zangeres en haar dansende alter ego) zich van stad naar stad om, met inzet van hun hele ziel en zaligheid, een huisje bij elkaar te verdienen. Anna I is ‘bei Verstand’ en ‘praktisch’. Zij is de stem van het geweten die de mooie Anna II – ‘ein bißchen verrückt’ – op het rechte maatschappelijke spoor probeert te houden. Zo trekken zij in zeven stadia langs de grote Amerikaanse steden, waar de ‘zeven doodzonden van de burgerman’ hoogtij vieren – het ‘der kleinbürger’, door Brecht later aan de titel toegevoegd, werd door Weill van de hand gewezen.

Brecht legt in zijn tekst een relatie tussen de zondige moderne (Amerikaanse) mens en de zeven hoofdzonden uit de katholieke kerkleer, door Paus Gregorius I de Grote in de zesde eeuw vastgelegd als de zonden die te zien zijn als de oorsprong van alle menselijke tekortkomingen. Uit Brechts tekst wordt niet duidelijk of de zonden specifiek verbonden zijn aan de steden die de Anna’s achtereenvolgens bezoeken, en de eerste stad wordt niet benoemd. Mogelijk is hier, waar de in Louisiana wachtende familie de luiheid als basiszonde bezingt (‘Müßiggang ist aller Laster anfang’), New Orleans bedoeld. De overige zonden en steden zijn trots (Memphis), woede (Los Angeles), gulzigheid (Philadelphia), ontucht (Boston), hebzucht (Baltimore) en afgunst (San Francisco). 

Anna I en Anna II behalen uiteindelijk een bittere triomf over de dubbele moraal van hun familie, die als het koor in een Griekse tragedie de gang van zaken becommentarieert. De ironie wordt onderstreept doordat de woorden van de moeder door een bas vertolkt worden. De partij van Anna I werd Weills vrouw Lotte Lenya op het lijf geschreven, terwijl Anna II werd vertolkt door Tilly Losch, de echtgenote van de mecenas die de productie financierde, die sprekend op Lenya leek. 

Die sieben Todsünden wijkt in vorm sterk af van de met muziek gelardeerde theaterstukken die Brecht en Weill eerder maakten. Weill zocht naar een synthese tussen deze stijl, die sterk op jazz en dansmuziek steunde, en doorgecomponeerde opera. Er is hier geen sprake meer van toneelliederen of ‘songs’ en in het orkest ontbreken de saxofoons, die in eerder werk juist zo’n grote rol hadden gespeeld. Alleen de banjo, ingezet voor de ‘couleur locale’, heeft naast de traditionele orkestinstrumenten nog een plaats gekregen. Weill gebruikt wel de specifieke door hem ontwikkelde ‘muzikale gestiek’: muziek die door woordritme, instrumentale kleur etcetera aan de handeling een bepaalde ‘setting’ geeft. In Die sieben Todsünden treft hij daarmee de juiste toon tussen ironie en melancholie. 

Biografie

Cristian Macelaru, dirigent

De Roemeense Cristian Măcelaru is chef-dirigent van het WDR Sinfonieorchester sinds het seizoen 2019/2020. Daarnaast is hij conductor in residence van het Philadelphia Orchestra en music director van het Cabrillo Festival, het langstlopende Amerikaanse festival voor hedendaagse muziek.

Cristian Măcelaru begon als violist; hij was de jongste concertmeester ooit van het Miami Symphony Orchestra. Bij Larry Rachleff aan de Rice University in Houston behaalde hij zijn directiediploma. Ook volgde hij lessen bij onder anderen David Zinman, Rafael Frühbeck de Burgos, Oliver Knussen and Stefan Asbury in Tanglewood en Aspen.

In 2012 viel Cristian Măcelaru met veel succes in voor Pierre Boulez bij het Chicago Symphony Orchestra. Inmiddels stond hij voor onder meer het Los Angeles Philharmonic Orchestra, het hr-Sinfonieorchester Frankfurt, het City of Birmingham Symphony Orchestra, het Royal Scottish National Orchestra, het Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra en de en van Toronto, Baltimore, Seattle, Detroit en Indianapolis. In 2014 won hij de prestigieuze Sir Georg Solti Conducting Award.

In 2017 debuteerde Cristian Măcelaru bij het Concertgebouworkest met werken van Mozart, Strauss en Wagner. In 2018 leidde hij Kurt Weills Die sieben Todsünden voorafgegaan door werken van Al-Zand en Sjostakovitsj.

Wende, zang

Wende is een van de meest veelzijdige en spraakmakende artiesten van Nederland. Na haar opleiding aan de Academie voor Kleinkunst in Amsterdam vierde ze haar eerste mfen met theaterconcerten waarin ze chansons van onder anderen Jacques Brel, Edith Piaf en haarzelf vertolkte. Dit leidde in 2004 tot haar debuutalbum Quand tu dors, het eerste van negen succesvolle cd’s/dvd’s, die haar twee Edisons, een Gouden Harp, een Gouden Notenkraker, een Platina Album en twee Gouden Albums opleverden.

Wende ontpopte zich als singer-songwriter van Engelstalige popsongs met een unieke podiumpresentatie. Ze werkte samen met het Metropole Orkest, Amsterdam Sinfonietta en Het Gelders Orkest, en voerde Boudewijn Tarenskeens Winterreise uit met pianist Gerard Bouwhuis. In 2015 maakte ze haar debuut als actrice in de bekroonde film Zurich.

In haar Nederlandstalige theatershow Mens – in maart op cd verschenen – bezingt Wende het moderne menselijk bestaan op speciaal voor haar geschreven teksten door Dimitri Verhulst en Joost Zwagerman. Wende won twee keer de Annie M.G. Schmidtprijs. De vorige keer dat Wende met het Koninklijk Concertgebouworkest optrad was op 27 juni 2009, samen met tist Eric Vloeimans.

Mattijs van de Woerd, bariton

Mattijs van de Woerd studeerde aan de conservatoria van Rotterdam en Amsterdam. In 2001 won de bariton de Vriendenkrans van de Vereniging Vrienden van het Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest, in 2003 de eerste prijs van de Wigmore Hall International Song Competition in Londen.

Hij trad onder andere op met De Nationale , de Nederlandse Reisopera, De Nederlandse Bachvereniging, de Los Angeles Philharmonic, het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin en het NHK Symphony Orchestra (Tokio). Op de operabühne was hij onder meer te horen als Papageno in Die Zauberflöte van Mozart, Sid in Brittens Albert Herring, de gendarme in Les mamelles de Tirésias van Poulenc en in opera’s van onder anderen Louis Andriessen, Willem Jeths, Klaas de Vries en Peter-Jan Wagemans.

Verder maakt hij als zanger en arrangeur deel uit van Frommermann. Mattijs van de Woerd ong in oktober 2008 bij het Koninklijk Concertgebouworkest in Nielsens Derde symfonie onder leiding van Herbert Blomstedt.

Jan-Willem Schaafsma, tenor

Jan-Willem Schaafsma studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en behaalde zijn masterdiploma aan de Dutch National Academy, waar hij in acht producties zong waaronder Le nozze di Figaro en Die Zauberflöte van Mozart. Na zijn studie werd hij gecoacht door Marcel Reijans en Ira Siff.

In de NTR ZaterdagMatinee zong hij Puccini onder leiding van Edo de Waart, en bij de Nederlandse Reisopera vertolkte hij onder meer de titelrol in Bernsteins Candide. Bij De Nationale was hij te zien in Lully’s Platée, Händels Deidamia en Wagners Die Meistersinger von Nürnberg. Ook werd Jan-Willem Schaafsma geëngageerd door Opera Zuid, Opera Amsterdam en Opera2Day. Hij vertolkte de tenoraria’s in de eerste Matthäus-Passion die Reinbert de Leeuw dirigeerde, met het Limburgs Symfonie Orkest, en zong bij de Nederlandse Bachvereniging. Bij het Orkest van de Achttiende Eeuw soleerde hij eerder in Die Schöpfung van Haydn en Alcina van Händel.

Naast zijn solocarrière maakt JanWillem Schaafsma deel uit van het vocale ensemble Frommermann, dat in oktober 2018 bij het Concertgebouworkest debuteerde in Die sieben Todsünden van Weill.

Erik Slik, tenor

Erik Slik studeerde aan het conservatorium in Utrecht bij Henry Diemer en wordt momenteel gecoacht door Margreet Honig. In 2009 was hij onder de finalisten van het Christina Deutekom Concours.

Van 2012 tot in 2014 maakte Erik Slik als e tenor deel uit van het zangersensemble van Theater & Philharmonie Thüringen. Hier vertolkte hij rollen in ’s van Britten, Massenet, Sjostakovitsj en Lehár. Ook werkte hij mee aan een productie van de musical Anatevka.

Bij De Nationale in Amsterdam was Erik Slik te gast in uitvoeringen van werken van Wagner, Donizetti en Zimmermann; ook vertolkte hij hier de rol van Philippe le Beau in Rob Zuidams Rage d’amours.

Bij de Nederlandse Reisopera zong de tenor onder meer Don Basilio in MozartLe nozze di Figaro. In 2016 debuteerde hij in Zuid-Afrika, als Tamino in Die Zauberflöte van Mozart.

In de van Het Concertgebouw was Erik Slik meerdere keren solist bij de NTR ZaterdagMatinee en in zowel de Grote als de was hij eerder te beluisteren als lid van vocaal ensemble Frommermann, waarvan hij sinds 2014 deel uitmaakt.

Marc Pantus, bas

Na zijn opleiding als beeldend kunstenaar studeerde Marc Pantus zang aan het Utrechts Conservatorium en het Koninklijk Conservatorium te Den Haag en aan het Steans Institute for Young Artists in Chicago. Hij trad op met uiteenlopende gezelschappen als het Rotterdams Philharmonisch Orkest, de Nederlandse Bachvereniging, Asko|Schönberg, De Nationale , Opera Zuid, het Royal Philharmonic Orchestra, acteurscollectief Wunderbaum en dansgezelschap ISH, onder leiding van en als Jan Willem de Vriend, Kenneth Montgomery, Reinbert de Leeuw, Paul McCreesh en Jos van Veldhoven.

Op cd is de basbariton onder meer te horen in Bachs Matthäus-Passion in de Nederlandse hertaling van Jan Rot.

In 2013 verscheen zijn eerste solo-album HARRY, Heine in Holland met Heine-eren van Nederlandse componisten; pianist is Rudolf Jansen en de cd gaat vergezeld van een luisterboek met Heines memoires voorgelezen door Arnon Grunberg.

Met zijn eigen gezelschap i piccoli holandesi regisseerde en zong Marc Pantus een aantal – soms zeer onbekende – komische opera’s, en voor vocaal ensemble Frommermann maakte hij FrommerFranz (een ode aan Schubert) en de jubileumvoorstelling 10 jaar Onvoorwaardelijk.

Bij het Concertgebouworkest debuteerde hij in 2018 in Weills Die sieben Todsünden. De afgelopen tijd presenteerde Marc Pantus onder meer een reeks in de Waalse Kerk en een eigenzinnige Parsifal-bewerking voor drie zangers, harmonium, piano, synthe­sizer en basgitaar.

Martin Winkler, bariton

Martin Winkler, geboren in het Oostenrijksein Bregenz, studeerde aan de Universität Wien bij Walter Berry. In 2011 debuteerde hij met een uiterst succesvolle vertolking van Klingsor in Wagners Parsifal in Tallinn, een rol die hij later ook uitvoerde in Stuttgart en Stockholm. 

Alberich in Der Ring des Nibelungen vertolkte hij tijdens de Bayreuther Festspiele in 2013 en in Boekarest in 2014 en 2015. Martin Winkler heeft een voorkeur voor gekke karakters in hedendaagse werken en klassieke buffo-rollen. Zo stond hij in de huizen van Schleswig-Holstein, Schwerin en Berlijn als bijvoorbeeld Don Magnifico in Rossini’s La Cenerentola en Dr. Bartolo in Rossini’s Il barbiere di Siviglia. 

Hij zong de titelrol van Sondheims Sweeney Todd, de rol van Orestes in Strauss’ Elektra, Lautsprecher in Ullmanns Kaiser von Atlantis, Kovalyov (de hoofdrol) in De neus van Sjostakovitsj in het Royal Opera House Covent Garden in Londen en de hoofdrol van Ligeti’s Le Grand Macabre. Bij het Koninklijk Concertgebouworkest maakt hij zijn debuut.