Denève met Sibelius en Tüür bij het Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest
Stéphane Denève dirigent
Vincent Cortvrint piccolo
pauze ca. 20.50 uur
einde ca. 22.15 uur
Dit programma maakt deel uit van de serie B.
Maurice Ravel 1875-1937
Ma mère l’Oye (1908-11)
cinq pièces enfantines
Pavane de la Belle au bois dormant – Petit Poucet – Laideronnette, Impératrice des pagodes – Les entretiens de la Belle et de la Bête – Le jardin féerique
Erkki-Sven Tüür 1959
Solastalgia (2015)
voor piccolo en orkest
geschreven in opdracht van het Koninklijk
Concertgebouworkest; wereldpremière
pauze
Jean Sibelius 1865-1957
Tweede symfonie in D gr.t., op. 43 (1902)
Allegretto
Tempo andante, ma rubato
Vivacissimo – Lento e suave
Finale: Allegro moderato
Toelichting
Maurice Ravel 1875-1937
La mère l'oye
tekst: Carine Alders
De muziek die Maurice Ravel componeerde voor een ballet in het Parijse Théâtre des Arts was bij hemzelf waarschijnlijk net zo geliefd als bij het publiek. Hij was sinds zijn kindertijd gefascineerd door sprookjes en de Oriënt en had thuis zelfs een fantasievolle Chinese salon ingericht. Voor het ballet verzon hij zelf een verhaal rond de sprookjes van Moeder de Gans.
Doornroosje valt in slaap als zij zich prikt aan het spinnenwiel en droomt van Klein Duimpje (Petit Poucet), Belle en het Beest en de keizerin van de pagodes, die een betoverd meisje blijkt te zijn.
Met zijn sublieme talent voor orkestratie brengt Ravel de sprookjes schijnbaar moeiteloos tot leven. Het spinnewiel suist rond, de vogeltjes kwetteren als ze Klein Duimpjes kruimels wegpikken en op charmante wijze begeleiden alle oosterse clichés de kleine dribbelpasjes van Laideronnette, de keizerin van de pagodes.
Het Algemeen Handelsblad sprak daags na de Amsterdamse première op 29 oktober 1914 van ‘delicate ironie’ en voorspelde dat het werk nog vaak gehoord zou worden. Voor de correspondent van de Maasbode was het echter onbegrijpelijk dat een kunstenaar als Ravel zich aangetrokken voelde tot een dergelijk ‘onbenullig sprookje,’ waarvan alleen het ‘vogelgekweel’ in Klein Duimpje was blijven hangen.
Het Handelsblad kreeg gelijk, het is inmiddels de 49ste keer dat deze betoverende muziek op de lessenaars staat bij het Concertgebouworkest.
Erkki-Sven Tüür 1959
Solastalgia
Het gevoel niet langer thuis te zijn in je eigen omgeving doordat de omgeving dramatisch verandert, werd het eerst in 2003 onder woorden gebracht door de Australische ecoloog Glenn Albrecht. Hij bedacht de term ‘solastalgia’. Met zijn concert voor en orkest verklankt de Estse componist Erkki-Sven Tüür het beklemmende gevoel dat hij dagelijks ervaart op zijn boerderij op het eiland Hiiumaa in de Oostzee.
‘Als de wind uit het noorden waait, kan ik achter het bos het ruisen van de branding horen. Er is geen enkel ander huis te zien, zover ik kan kijken. Als ik opkijk van mijn werk, zie ik door de ramen regelmatig reeën, herten, vossen of ooievaars. In ongeveer tien minuten wandel ik door het bos naar zee.
Ik merk hoe mijn leven op deze wonderbaarlijke plaats steeds onwerkelijker wordt. Het wordt een soort illusie. Hier ervaar ik het effect van wereldwijde klimaatverandering. Toen ik klein was, reden ’s winters de auto’s naar het vasteland over een 25 kilometer lange ijsweg. ’s Zomers kon je altijd in zee zwemmen. Nu is het temperatuurverschil tussen winter- en zomerwende maar een graad of vier, vijf.
'Je kunt je nergens verschuilen voor de veranderingen die door menselijke activiteit worden veroorzaakt'
Je kunt je nergens verschuilen voor de veranderingen die door menselijke activiteit worden veroorzaakt. Als ik de grootschalige ontbossing hier op Hiiumaa zie, of de onstuitbare opmars van de oliepalmplantages als ik in Zuidoost-Azië op reis ben, of als ik lees over reusachtige losbrekende ijsschotsen en de plastic soep in de oceanen voel ik een enorme beklemming.
Ik realiseer me dat ik met deze muziek de wereld niet kan verbeteren. In het beste geval ben ik een roepende in de woestijn. Wat ik eigenlijk zeggen wil: de titel van het stuk is niet zomaar een modieus woord met een mooie klank, het is mijn dagelijkse realiteit, het raakt me.’
Solastalgia is geen concert in de traditionele zin van het woord. Het is een tour de force voor het hele orkest en de is de gangmaker, die lokt reacties uit. De piccolo heft een roep aan met een stijgend en dalend . Eerst reageren de instrumenten met een vergelijkbare : de fluit, altfluit en basfluit.
Naarmate de piccolo actiever wordt in en sluiten steeds meer instrumenten zich aan, als een storm die aanzwelt. De orkestgolven die de piccolo veroorzaakt worden steeds intenser en gaan een eigen leven leiden. In een spiraalbeweging verzamelt de muziek steeds meer energie.
In het harmonische plan wisselt de componist horizontale en verticale lijnen steeds af. De horizontale lijnen lijken op straalbundels die convergeren en divergeren en zijn verbonden met verticale en. Tüür noemt zijn compositiemethode ‘vectoriaal’ omdat factoren als stijgings- of dalingshoek, de karakteristiek van de curve en de richting waarin energie wordt gebonden of losgelaten een grote rol spelen.
'Als de boom volgroeid is besef je dat dit het enige mogelijke resultaat uit het zaadje was'
Hoewel zijn werkwijze heel constructivistisch klinkt, hecht hij grote waarde aan intuïtieve beslissingen. De energielijnen en dramatische opbouw vormen een abstract visueel beeld dat de componist houvast geeft bij het componeren en het invullen van de details.
‘De belangrijkste vraag blijft toch of een ontwikkeling natuurlijk klinkt. Als een klein zaadje ontkiemt, ligt niet vast hoe de boom er over veertig jaar uit zal zien. En als de boom volgroeid is besef je dat dit het enige mogelijke resultaat uit het zaadje was.’
Jean Sibelius 1865-1957
Tweede symfonie
In de negentiende eeuw ontwikkelden zich twee stromingen in de klassieke muziek: aanhangers van (zoals Johannes Brahms) vonden betekenis en samenhang in muzikale vorm en structuur, terwijl aanhangers van (onder aanvoering van Franz Liszt en Richard Wagner) nieuwe vormen zochten met behulp van buitenmuzikale ’s en verhaallijnen.
Jean Sibelius had in Helsinki voldoende afstand van de strijdende partijen om zich elementen uit beide stromingen toe te eigenen. In een brief aan zijn vrouw schreef hij na het bestuderen van Liszts Faust: ‘Een geweldig stuk, ik leer er veel van. Eigenlijk ben ik een toonschilder en een dichter. Ik voel mij het meest verwant met Liszts opvattingen over muziek.’
En toch lijkt zijn Tweede symfonie op het eerste gezicht bijna een neoklassieke exercitie met zijn eerste deel in , een langzaam tweede deel gevolgd door een en een finale. Sibelius gebruikt echter ook technieken die in symfonische gedichten populair waren, zoals e lijnen, veel aandacht voor sfeertekening en een steeds terugkerend (bijvoorbeeld de repeterende noten uit het openingsmotief).
Dan komen de fagotten erbij, boven hun partij staat geschreven ‘luguber’
Als een echte toondichter gebruikt Sibelius contrasterende muzikale texturen om verschillende gemoedstoestanden uit te drukken. Zo begint hij het tweede deel met een zachte roffel, gevolgd door ’s in de contrabas en de ’s. Dan komen de ten erbij, boven hun partij staat geschreven ‘luguber’. Hoe meer instrumenten erbij komen, hoe gejaagder de muziek klinkt.
In het manuscript noteerde Sibelius een verhaaltje bij dit deel: Don Juan zit in de schemer in zijn kasteel en een gast komt binnen, die geen antwoord geeft op vragen. Als de gast begint te zingen blijkt het de dood te zijn. Boven een ander thema noteerde hij ‘Christus’.
Hier klinkt de muziek vredig en majestueus als een , om even later met zoemende figuurtjes in de violen weer even terug te vallen in de gejaagde sfeer. In plaats van de traditionele ontwikkeling van ’s noemde Sibelius dit ‘gespiritualiseerde ontwikkeling’, een opeenvolging van gemoedstoestanden suggererend.
De Finnen, die door het russificatiebeleid van tsaar Nicolaas II hun eigen cultuur onderdrukt zagen, hoorden bij de première in Helsinki vooral patriottische muziek. Met name in het tweede deel herkende het publiek een die ook voorkomt in Valalaulu, een dat traditioneel gezongen wordt als Finse soldaten hun eed zweren. Robert Kajanus, de oprichter van het Helsinki Philharmonisch Orkest, dat, geleid door Sibelius zelf, de première verzorgde, schreef bloemrijk: ‘Het komt op mij over als het meest emotionele protest tegen alle onrecht dat op dit moment de zon van zijn licht en de bloemen van hun geur dreigt te beroven.’
Of Sibelius deze melodie bewust geciteerd heeft, is maar zeer de vraag. Hij componeerde het grootste deel van deze symfonie tijdens zijn verblijf in Italië. En zoals het bij veel populaire meesterwerken gaat, doen over de ontstaansgeschiedenis vele anekdotes de ronde. Een schilder herinnert zich hoe, tijdens de doopplechtigheid van zijn zoon, Sibelius op een van de thema’s uit de Finale improviseerde op het . Een uitgever is ervan overtuigd dat verschillende motieven bedacht zijn aan de vleugel in zijn studeerkamer.
De première in Helsinki was het begin van een ware mftocht. Op 9 februari 1911 speelde het Concertgebouworkest de symfonie voor het eerst, onder leiding van Evert Cornelis. De recensent van het Algemeen Dagblad schreef:
‘En dan was er een symphonie van Sibelius, den toonkunstheld van Finland. […] Misschien is ’t voor een niet-Fin onmogelijk het eigenaardig-geheimzinnige, het wezenlijke dezer muziek geheel te doorvoelen; bij een eerste aanhooren, dit is zeker, heeft men veel moeite om met Sibelius’ gedachten, in de stemmingen dezer symphonie, mee te gaan.’
Matthijs Vermeulen, recensent van De Tijd, voorspelde dat de symfonie geen lang leven beschoren zou zijn. Hij zat er volslagen naast. Na die eerste keer klonk de symfonie nog vele malen in Amsterdam.
Biografie
Stéphane Denève, dirigent
Stéphane Denève is music director van het St. Louis Symphony Orchestra, artistiek leider van de New World Symphony in Miami, en sinds 2023 vaste gastdirigent van het Radio Filharmonisch Orkest. In recente jaren was hij eerste gastdirigent van The Philadelphia Orchestra en chef- van de Brussels Philharmonic, en voorheen stond hij aan het roer van het Radio-Sinfonieorchester Stuttgart en het Royal Scottish National Orchestra.
Als gastdirigent stond Stéphane Denève voor de Wiener Symphoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het London Symphony Orchestra, de en van Boston en Chicago en The Cleveland Orchestra. producties leidde hij in Amsterdam, Londen, Parijs, Milaan, Berlijn, Madrid en Brussel en tijdens de festivals van Matsumoto en Glyndebourne.
Stéphane Denève heeft bijzondere affiniteit met de muziek van zijn geboorteland Frankrijk en is mede via zijn directeurschap van het Centre for Future Orchestral Repertoire (CffOR) een pleitbezorger van hedendaags repertoire. Na zijn overtuigende debuut bij het Concertgebouworkest met Frank Martins Golgotha in 2013 keerde hij meerdere malen terug. Zo leidde hij in september 2018 Honeggers opera- Jeanne d’Arc au bûcher, waarvan de cd-opname op RCO Live internationaal hoog geprezen werd. In 2019 leidde hij het orkest in Debussy’s Pelléas et Mélisande bij De Nederlandse Opera.
Stéphane Denève werd geboren in het Noord-Franse Tourcoing. Hij studeerde af aan het conservatorium van Parijs en werkte al vroeg in zijn carrière met en als Georg Solti, Georges Prêtre en Seiji Ozawa.
Vincent Cortvrint, piccolo
Vincent Cortvrint werd geboren in Etterbeek, België. Op vierjarige leeftijd hoorde hij een plaatopname van de befaamde fluitist Jean-Pierre Rampal en was meteen verkocht. Op zijn zevende kreeg hij eindelijk een fluit.
In 1980 won hij de 16e Nationale Muziekwedstrijd van het Gemeentekrediet van België, waarna hij soleerde met het Vlaams Radio Orkest (nu de Brussels Philharmonic). Vincent Cortvrint studeerde aan de conservatoria van Brussel en Parijs bij Michel Lefebvre, Michel Debost en Maurice Bourgue.
Sinds 1996 is hij fluitist en speler bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Daarvoor speelde hij bij het Nationaal Orkest van België. Naast zijn werk bij het orkest is Vincent Cortvrint fluitdocent aan het Conservatorium van Amsterdam. Hij geeft masterclasses en zomercursussen en speelt kamermuziek met gelegenheidsensembles.
Dankzij een gift van de Amerikaanse vriendenkring van het orkest, de RCO Global Friends USA, bespeelt Vincent Cortvrint een gouden fluit van Haynes. Het is een uniek model, speciaal voor hem gebouwd. De piccolo die hij bespeelt is een ebbenhouten instrument, eveneens van Haynes.
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest


