Daniele Gatti en de Staatskapelle Dresden in Schumann
Sächsische Staatskapelle Dresden
Daniele Gatti dirigent
Frank Peter Zimmermann viool
Dit concert maakt deel uit van de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten.
Kaija Saariaho (1952-2023)
Ciel d’hiver (2013)
Robert Schumann (1810-1856)
Vioolconcert in d kl.t., WoO 23 (1853)
In kräftigem, nicht zu schnellem Tempo
Langsam
Lebhaft, doch nicht schnell
pauze ± 21.00 uur
Robert Schumann
Symfonie nr. 3 in Es gr.t., op. 97 ‘Rheinische’ (1850)
Lebhaft
Scherzo: Sehr mässig
Nicht schell
Feierlich
Lebhaft
einde ± 22.00 uur
Met dank aan de begunstigers van het Fonds Wereldberoemde Symfonieorkesten.
Toelichting
Kaija Saariaho (1952-2023)
Ciel d’hiver
Door Clemens Romijn
Als openingswerk klinkt vanavond een karakteristiek werk van de vorig jaar overleden Finse componiste Kaija Saariaho, tien atmosferische minuten die op papier kwamen onder de titel Ciel d’hiver (‘Winterhemel’). Het is een bewerking van het tweede deel van haar symfonische stuk Orion (2002), geschreven in opdracht van Musique Nouvelle en Liberté. De wereldpremière was op 7 april 2014 in het Théâtre du Châtelet in Parijs door het Orchestre Lamoureux onder Fayçal Karoui.
Kaija Saariaho was als twintiger met enige moeite en koppigheid de compositieklas van Paavo Heininen aan de Sibelius Academie in Helsinki binnengedrongen en ging er niet meer weg, al was ze de enige vrouw. Oproeiend tegen vooroordelen kreeg ze vleugels toen ze begin jaren tachtig bij het IRCAM in Parijs haar fascinatie voor spectrale en verder kon ontwikkelen. Die ervaring klinkt hier door in haar mysterieuze schildering van de winterhemel, een donker uitspansel bezaaid met fonkelende sterren. Harp en celesta lijken zachtjes de klok van de tijd te laten slaan. Drie steeds herhaalde dalende tonen van de blijven tien minuten lang door de zweven, maar ondergaan een metamorfose qua kleur, en tempo. Daaronder ligt een klankbed van lage strijkers, donker en uitgestrekt als de nacht. Kleurrijk schetst sterren als van kristal, al onderbreekt een donkere wolk het hemels tafereel. Aan het eind weer het subtiele uurwerk, ijle hoge violen en ijzig zacht getintel van de winterse vrieskou. De noten ebben stil weg in de verte. Kleurmeesters Jean Sibelius en Claude Debussy glimlachen tevreden vanuit het hoge gewemel.
Robert Schumann (1810-1856)
Vioolconcert
Door Clemens Romijn
De dag nadat de twintigjarige Johannes Brahms zich had gepresenteerd aan het echtpaar Robert en Clara Schumann in Düsseldorf schreef Robert in zijn dagboek dat hij een Vioolconcert had voltooid, op 1 oktober 1853. Het was in maar twaalf dagen uit zijn pen gevloeid, en kort daarna was ook de orkestratie gereed. Schumann zag al een uitvoering door Joseph Joachim voor zich met het Stedelijk Orkest van Düsseldorf, waarvan hij was. Joachim was aanvankelijk enthousiast, maar kreeg steeds meer reserves en van een uitvoering is het nooit gekomen. Na Schumanns dood klaagde de violist over ‘verschrikkelijke vioolpassages in de Finale’ die hij technisch onspeelbaar vond. Op verzoek van Clara herschreef hij de Finale, maar een repetitie in het Leipziger Gewandhaus werd een fiasco. Uiteindelijk besloten Clara en Brahms het werk niet op te nemen in Schumanns Gesamtausgabe, de zou tekenen van Schumanns psychische verval vertonen en ze wilden zijn reputatie niet schaden.
Na Joachims dood in 1907 kwam het handschrift in de Pruisische Staatsbibliotheek terecht en pas na de herontdekking in 1937 werd het eindelijk uitgegeven door Schott. De respons was enorm. In een open brief in The Times in 1937 hield musicoloog Donald Tovey een vurig pleidooi. Hij zag Joachims bezwaren als vooroordelen en keerde ze om in sterke punten: grote vindingrijkheid en onbegrepen originaliteit. Dat was tachtig jaar na de dood van Schumann, dertig na die van Joachim en veertig na die van Brahms. Misschien is het hoogst originele, introverte en melancholieke Vioolconcert wel een ontroerend zelfportret van de 43-jarige Schumann? De drie delen bond hij tisch samen als een cyclisch geheel, net als in het Pianoconcert van tien jaar eerder. En Schumann keek hoorbaar terug naar Beethoven en Schubert, maar ook vooruit, te horen aan de ijzingwekkende momenten met schrijnende en en suspense waarin de muziek naar haar weg lijkt te tasten.
Robert Schumann (1810-1856)
‘Rheinische’ symfonie
Door Clemens Romijn
De Derde symfonie in Es groot, de ‘Rheinische’, van Robert Schumann luidt samen met het concert de periode in van Robert en Clara Schumann in Düsseldorf. Daar was Robert benoemd tot ‘städtischer Musikdirektor’, een betrekking die na enige tijd zou ontaarden in een fiasco. Tijdens zijn hevige psychose vier jaar later zocht Schumann troost bij zijn melancholieke Celloconcert. Met de laatste correcties probeerde hij stemmen van duivels en beelden van tijgers en hyena’s uit zijn hoofd te verjagen. De verlichting was tijdelijk. Kort daarna, op de stormachtige 27 februari 1854, stortte hij zich in de Rijn, maar hij werd door schippers gered. Ruim twee jaar later overleed Schumann in een inrichting in Endenich bij Bonn, 46 jaar oud. Van die catastrofale afloop valt in de Derde symfonie geen spoor te horen. Integendeel. Na lang beschouwd te zijn als de niet oninteressante echtgenoot van een geniale pianiste (Clara) leek Schumann in Düsseldorf eindelijk de lang verwachte maatschappelijke en artistieke erkenning te gaan oogsten. Dat weerspiegelt deze symfonie: blijdschap en vitaliteit. Bovendien heeft Schumann er zijn liefde voor het Rijnlandschap in bezongen.
Bruisend komt het hele orkest binnen met een levendig eerste deel. De Derde is de enige symfonie van Schumann zonder langzame inleiding. Het majesteitelijke en heldhaftige eerste duurt maar liefst tegen de honderd maten. Dan pas steekt lichte twijfel de kop op in een vraag-en-antwoordspel tussen hobo’s en klarinetten. Het aansluitende is eigenlijk te wiegend en te mild om een echt scherzo te zijn. Het is eerder een Ländler waarin altviolen, cello’s en ten de toon zetten. In het (onaangekondigde) -achtige middendeel wordt de solohoorn in een gedurfd zonnetje gezet. Oorspronkelijk had Schumann dit Scherzo betiteld als ‘ochtend aan de Rijn’. Dan volgt het korte centrale deel, Nicht schnell, een landelijke mijmering waarin wel twee s, maar geen en geen worden ingezet. Het koper is weer krachtig aanwezig in het vierde deel. De trombones spelen een leidende rol in dit plechtige stuk, dat associaties oproept met religieuze muziek. Zo herdacht de protestant Schumann een indrukwekkende kardinaalswijding in de Dom van Keulen, waar het echtpaar over de Rijn heen was gezeild. Het laatste deel is even onbekommerd als het eerste. passages en conflictstof vindt men hier nauwelijks. Schumann heeft ze weten te mijden zoals collega Franz Schubert dat in de finale van zijn Negende symfonie gedaan had. Dat was de symfonie die Schumann na Schuberts dood ontdekte en prees om haar ‘hemelse lengte’.
Biografie
Sächsische Staatskapelle Dresden, orkest
De Sächsische Staatskapelle Dresden werd op 22 september 1548 door keurvorst Moritz von Sachsen in het leven geroepen. In september vorig jaar, het seizoen van het 475-jarig jubileum, speelde het orkest voor het laatst in Het Concertgebouw.
Het gezelschap stond onder leiding van een aantal historische figuren, onder wie Heinrich Schütz, Carl Maria von Weber en Richard Wagner, die het orkest zijn ‘wonderlijke harp’ noemde.
De musici brachten drie van de ’s van Richard Strauss in première en hij droeg Eine Alpensinfonie aan hen op.
Onder de chef-en waren Karl Böhm, Kurt Sanderling, Herbert Blomstedt – nog steeds eredirigent –, Giuseppe Sinopoli, Bernard Haitink (2002-2004), Fabio Luisi (2007-2010) en Christian Thielemann (2012/2013 tot en met 2023/2024). Eerste gastdirigent is sinds 2012 Myung-whun Chung.
Sinds 2007 stelt de Sächsische Staatskapelle Dresden jaarlijks een ‘Capell-Compositeur’ aan; dit waren onder anderen Hans Werner Henze, Sofia Goebaidoelina, Wolfgang Rihm, György Kurtág, Arvo Pärt, Peter Eötvös, Aribert Reimann, Matthias Pintscher, Olga Neuwirth en Georg Friedrich Haas.
Het orkest heeft zijn thuisbasis in de Semperoper, waar het elk seizoen zo’n vijftig concerten verzorgt en 250 opera- en balletuitvoeringen begeleidt. Tournees voeren daarnaast naar de belangrijkste podia van de wereld, en het orkest is partner van het Gustav Mahler Jugendorchester.
In 2007 kreeg de Sächsische Staatskapelle Dresden als enige orkest ooit de Preis der Europäischen Kulturstiftung für die Bewahrung des musikalischen Weltkulturerbes, en bij het einde van zijn tienjarige residency op de Salzburger Osterfestspiele ontving het in 2022 de Herbert-von-Karajan-Preis.
Daniele Gatti, dirigent
Afgelopen augustus begon Daniele Gatti als chef- van de Sächsische Staatskapelle Dresden; in 2000 stond hij er voor het eerst op de bok.
Daniele Gatti is daarnaast chef-dirigent van het Teatro del Maggio Musicale Fiorentino, music director van het Orchestra Mozart en – sinds 2016 – artistiek adviseur van het Mahler Chamber Orchestra.
Als gastdirigent wordt hij uitgenodigd door de Berliner Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en het Orchestra Filarmonica della Scala.
Van 2016 tot en met 2018 was hij chef- van het Concertgebouworkest. Eerder leidde hij het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome (1992–97), het Royal Philharmonic Orchestra in Londen (1996-2009), het Teatro Comunale in Bologna (1997–2007), het Orchestre National de France (2008-2016) en het Opernhaus Zürich (2009-12).
Bij het Royal Opera House Covent Garden was hij van 1994 tot 1997 eerste gastdirigent. In La Scala in Milaan debuteerde hij op zijn 27ste, hij dirigeerde producties bij de Wiener Staatsoper en de Metropolitan Opera in New York, leidde tot 2022 het Teatro dell’Opera di Roma en was meermaals te gast op de Bayreuther Festspiele en de Salzburger Festspiele.
Daniele Gatti werd geëerd met de Grande Ufficiale al Merito della Repubblica Italiana en kreeg in 2015 de Premio Franco Abbiati. In Frankrijk kreeg hij in 2016 de eretitel Chevalier de la Légion d’Honneur.
Frank Peter Zimmermann, viool
De in Duisburg geboren Frank Peter Zimmermann kreeg vanaf zijn vijfde muziekles van zijn moeder, gaf zijn eerste openbare concert op zijn tiende en won een jaar later het concours ‘Jugend musiziert’. Later studeerde hij bij Valery Gradov, Saschko Gawriloff en Herman Krebbers.
Een belangrijk moment in zijn vroege carrière was zijn debuut bij de Berliner Philharmoniker in 1981 met Mozarts Derde vioolconcert, KV 216. Sindsdien treedt de violist wereldwijd op.
Ook bij het Concertgebouworkest was hij, sinds zijn debuut in 1990, vele malen te gast, voor het laatst in maart 2024 met het Vioolconcert van Elgar onder leiding van Daniel Harding. Naast werk uit het verleden speelt Frank Peter Zimmermann ook graag nieuwe muziek; zo bracht hij met het London Philharmonic Orchestra en Jaap van Zweden het Tweede vioolconcert van Magnus Lindberg in première en schreven componisten als Brett Dean, Peter Eötvös, Matthias Pintscher en Augusta Read Thomas nieuw werk voor hem.
s gaf Frank Peter Zimmermann met partners als Christian Zacharias, Enrico Pace en Emanuel Ax. Onder zijn recente cd-opnames zijn werken van Stravinsky, Martinů en Bartók met de Bamberger Symphoniker en Jakub Hrůša, de Sonates en partita’s voor viool solo van Bach en de complete Beethovensonates met pianist Martin Helmchen. Frank Peter Zimmermann bespeelt de Stradivarius ‘Lady Inchiquin’ uit 1711.


