Daniel Harding dirigeert Bach en Brahms

Daniel Harding dirigent
Vesko Eschkenazy viool

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Vioolconcert in a kl.t., BWV 1041 (ca. 1729-36)
[geen tempoaanduiding]
Andante
Allegro assai

Suite nr. 4 in D gr.t., BWV 1069 (ca. 1725-30)
Ouverture
Bourrée I/II
Gavotte
Menuet I/II
Réjouissance

pauze

Johannes Brahms 1833-1897

Symfonie nr. 3 in F gr.t., op. 90 (1883)
Allegro con brio
Andante
Poco allegretto
Allegro

begin van de pauze ca. 21.00 uur
einde van het concert ca. 22.10 uur

dit programma maakt deel uit van de Series B en E

Toelichting

introductie

Bach en Brahms

Tekst: Paul Janssen

Hoewel Johannes Brahms zo’n anderhalve eeuw na Johann Sebastian Bach geboren werd, hebben beiden iets gemeen. Ze werden allebei als componist nogal onheus behandeld door hun tijdgenoten. Toen Bach in 1750 overleed, werd hij al enige tijd ouderwets genoemd omdat zijn complexe meerstemmigheid inmiddels plaats gemaakt had voor de ‘eenvoud’ die naar de stijl van klassieke componisten als Joseph Haydn en Wolfgang Amadeus Mozart zou leiden.

Brahms kreeg het van de ‘vernieuwers’ onder aanvoering van Richard Wagner en Franz Liszt zwaar te verduren omdat hij openlijk terugkeek naar onder anderen Bach en voort wilde bouwen op de wijsheid van zijn voorgangers. Hij werd conservatief genoemd.

Pas toen Arnold Schönberg, dezelfde die Bach niet geheel ten onrechte de eerste twaalftoonscomponist noemde, Brahms in zijn beroemde essay ‘progressief’ noemde begon het tij te keren.

Johann Sebastian Bach 1685-1750

vioolconcert

  • Johann Sebastian Bach schreef naast zijn vocale werk een grote hoeveelheid instrumentale, 'Italiaanse' muziek
  • Het Vioolconcert in a klein volgt het stramien van een vioolconcert zoals gebruikelijk onder componisten als Antonio Vivaldi.

Bach wist een vorm als het soloconcert een enorme impuls te geven. Zijn grootste bedrijvigheid op dit vlak lag in de tijd dat hij in Weimar en Köthen werkte, zo heeft men altijd aangenomen. De eminente Bach-­professor Christoph Wolff gaat er op grond van stilistisch onderzoek en de overgeleverde kopieën van de losse partijen echter vanuit dat Bach zijn Vioolconcert in a klein, BWV 1041 ergens tussen 1729 en 1736 in Leipzig voor het Collegium Musicum aldaar schreef.

Bachs interesse voor het soloconcert stamt in elk geval wel uit Weimar. Daar kwam hij in aanraking met een grote hoeveelheid Italiaanse muziek die de halfbroer van zijn werkgever had meegenomen uit Amsterdam, destijds het centrum van de opkomende muziekdrukkunst. Bach was vooral gecharmeerd van het werk van Vivaldi en transcri­beerde enkele van zijn concerten. Kort nadien waagde hij zich aan zijn eigen soloconcerten, voornamelijk voor viool.

Hoeveel concerten Bach precies schreef is niet duidelijk, want veel materiaal is verloren gegaan. En van de overgeleverde werken is de ontstaansdatum niet met zekerheid vast te stellen. Het populaire Vioolconcert in a klein volgt het stramien van het Italiaanse soloconcert van Antonio Vivaldi: twee snelle hoekdelen en een langzaam middendeel.

Johann Sebastian Bach

Vierde Orkestsuite

  • Bach schreef deze Vierde Orkestsuite waarschijnlijk als kapelmeester aan het hof van Köthen 
  • Een is een compositie bestaande uit een opeenvolging van dansen met een verschillend tempo
  • In deze suite kiest Bach voor de Franse stijl: een lange, plechtige opening (Ouverture) en een feestelijk slot (Réjouissance)

Ook over Bachs meest lichtvoetige werken, de vier orkestsuites, bestaat veel onzekerheid aangaande de ontstaansgeschiedenis. De enige overgeleverde partijen, deels in het handschrift van Bach, stammen uit 1725-30, toen hij al in Leipzig werkte. Doorgaans wordt ervan uitgegaan dat de werken in Köthen geschreven zijn, en iemand als de Amerikaanse musicoloog Joshua Rifkin beweert op basis van stilistisch onderzoek dat de Vierde nog ouder is. Zo’n vroege versie is alleen nimmer overgeleverd.

Wel was Bach ook in deze vernieuwend bezig. Waar de suite doorgaans een verzameling ke dansen was in de afwisseling langzaam-snel, liet Bach zich deels inspireren door de Franse suite en kwam hij met een enorm lange Ouverture die beheerst wordt door het Franse gepuncteerde , twee dansen in paren (Bourrée en ) gescheiden door een Gavotte en als finale een Réjouissance die niets meer met de barokke dans te maken heeft.

Johannes Brahms 1833-1897

Derde symfonie

  • De Derde symfonie van Johannes Brahms ging op 3 december 1883 in première
  • Brahms liet zich bij het schrijven inspireren door zijn overleden collega Robert Schumann
  • Zowel de noten waarmee het stuk opent als de vorm wijzen op dit verband

‘Afschuwelijk afgezaagd en prozaïsch. Fundamenteel onecht en pervers. Een enkele bekkenslag uit een werk van Liszt getuigt van meer intellect en gevoel dan alle drie de symfonieën van Brahms en zijn s samen.’

Met zijn vlammende commentaar trachtte collega-componist Hugo Wolf na de première van Brahms’ Derde symfonie in F groot op 3 december 1883 de controverse op scherp te zetten tussen de Duitse kampen met aan de ene kant Brahms en de andere ‘traditionalisten’ en aan de andere kant de vooruitstrevende Liszt en zijn medestanders. Brahms kon zich er, gerijpt als hij inmiddels was na zijn Eerste en Tweede symfonie, niet meer druk om maken. Bovendien noemde de veel invloedrijkere criticus Eduard Hanslick het werk ‘artistiek de meest volmaakte van de drie.’

Toch zou juist de Derde in de loop der jaren degraderen tot Brahms’ minst populaire en minst gespeelde symfonie. Een verklaring hiervoor kan gezien worden in de kalme en naar binnen gekeerde stemming.

Hoewel Bach een belangrijke rol speelt in de behandeling van de meerstemmigheid door Brahms, heet de sleutel tot deze Derde symfonie Robert Schumann. Brahms’ vriend en steunpilaar was ten tijde van deze symfonie al 26 jaar dood, maar zijn geest is erg sterk in de noten aanwezig. Het begint al met het openingsmotief F-As-F dat in alle delen een rol speelt. Daarmee verwijst de componist naar ‘Frei aber einsam’ (F-A-E), het motto van violist Joseph Joachim dat Schumann ooit adopteerde in de FAE- die hij mede samen met Brahms schreef. Brahms vertaalt het motto nu naar ‘Frei aber froh’.

Het hoofdthema van het eerste deel had weer niet kunnen bestaan zonder het begin van Schumanns Derde symfonie. En zelfs het ontstaan van de symfonie heeft een link met Schumann. Brahms was uitgenodigd om muziek te schrijven bij een uitvoering van Goethes Faust in het Weense Burgtheater. Hij begon voortvarend, maar realiseerde zich halverwege dat met Schumanns Szenes aus Goethes Faust de perfecte toneelmuziek al geschreven was. Het materiaal dat hij reeds gecomponeerd had vond een plek in het tweede en derde deel van zijn Derde symfonie. Aan het slot van de finale krijgen we nog een laatste groet aan Schumann voorgeschoteld. Terwijl de stemming kalmeert, keert ­tisch materiaal uit het eerste deel weer terug, een vormprincipe dat Schumann vaak hanteerde.

Biografie

Daniel Harding, dirigent

Nog maar achttien was Daniel Harding toen hij in 1994 zijn loopbaan begon als assistent van Simon Rattle bij het City of Birmingham Symphony Orchestra. Het seizoen erop assisteerde hij Claudio Abbado bij de Berliner Philharmoniker.

Momenteel is hij chef- van het Swedish Radio Symphony Orchestra (sinds 2007) en eredirigent van het Mahler Chamber Orchestra, waarmee hij al meer dan twintig jaar werkt. Komende herfst volgt hij Antonio Pappano op als chef-dirigent van het orkest en koor van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome en gaat hij Youth Music Culture The Greater Bay Area leiden in China. 

Van 2007 tot 2017 was Daniel Harding eerste gastdirigent van het London Symphony Orchestra en van 2016 tot 2019 artistiek leider van het Orchestre de Paris. Als gastdirigent wordt hij uitgenodigd door de ­Wiener en de Berliner Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, de Filarmonica della Scala en de grote Amerikaanse orkesten. Bij het Concertgebouworkest debuteerde hij in 2004.

producties leidde de in Milaan, Aix-en-Provence, Londen, Wenen, Salzburg en München. Daniel Harding werd geboren in Oxford, studeerde aan Chetham’s School of Music in Manchester en speelde op zijn dertiende in het National Youth Orchestra of Great Britain. De musicus is tevens gekwalificeerd lijnvluchtpiloot. Zijn vorige optreden in Het Concertgebouw was op 26 mei 2023 in Mahlers Zevende symfonie met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks.

Vesko Eschkenazy, viool

De Bulgaarse violist Vesko Eschkenazy is concertmeester van het Concertgebouworkest sinds 1 januari 2000. Op zijn vijfde begon hij met vioolspelen, vier jaar later werd hij al concertmeester van het Pioneer Youth Philharmonic Orchestra.

Vesko Eschkenazy studeerde aan het Conservatorium van Sofia en aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen bij onder anderen Yfrah Neaman. In 1985 en 1988 won hij prijzen bij het Wieniawski Concours in Polen en het Londense Carl Flesch Concours.

Vóór zijn aantreden bij het Concertgebouworkest was de violist achtereenvolgens concertmeester bij het Radio Kamer Orkest en het Nederlands Philharmonisch Orkest. Als solist trad hij op met het Royal Philharmonic Orchestra en het London Philharmonic Orchestra onder leiding van en als Yuri Bashmet, Colin Davis, Carlo Maria Giulini, Kurt Masur, Seiji Ozawa en Mstislav Rostropovitsj.

In november 2000 debuteerde Vesko Eschkenazy als solist bij het Concertgebouworkest in het Eerste ­vioolconcert van Szymanowski. Sindsdien soleerde hij regelmatig met het orkest, zoals in maart 2016 in het Vioolconcert in a klein, BWV 1041 van ­Johann Sebastian Bach. In 2010 werd Vesko Eschkenazy uitgeroepen tot Musicus van het Jaar in Bulgarije en opende hij het concertseizoen met een massaal bezocht openluchtconcert in zijn geboortestad Sofia met het Philharmonisch Orkest van Sofia.

Vesko Eschkenazy bespeelt de ‘ex-Silverstein’-Guarneri del Gesù uit 1742, eigendom van een particuliere mecenas en in bruikleen gegeven via de Foundation Concertgebouworkest.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest