Cuarteto Casals ambitieus en gepassioneerd in Beethoven

Cuarteto Casals:
Abel Tomàs viool
Vera Martínez Mehner viool
Jonathan Brown altviool
Arnau Tomàs cello

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Strijkkwartet in Bes gr.t., KV 458 (1784) ‘Jacht’
Allegro vivace assai
Menuetto: Moderato
Adagio
Allegro assai

Béla Bartók (1881-1945)

Derde strijkkwartet in Cis gr.t. (1927)
Prima parte: Moderato
Seconda parte: Allegro
Ricapitulazione della prima parte: Moderato
Coda: Allegro molto
 
pauze ± 21.00 uur

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Strijkkwartet in F gr.t., op. 59 nr. 1 (1806)
Allegro
Allegretto vivace e sempre scherzando
Adagio molto e mesto
Thème russe: Allegro
 
einde ± 22.05 uur

Toelichting

Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791

Mozart: 'Jacht'-kwartet

Door Jos van der Zanden

Toen zijn zes strijkkwartetten in 1785 werden uitgegeven, liet Wolfgang Amadeus Mozart er een voorwoord bij drukken: ‘Hier zijn ze dan, meester en dierbare vriend, mijn zes kinderen. Neemt u van me aan dat ze de vrucht zijn van een lange en intensieve arbeid.’

Inderdaad, er was veel tijd in gaan zitten, ongebruikelijk veel voor Mozart. Schetsen en correctievellen waren noodzakelijk geweest. Hij had dan ook een magnum voor ogen, op te dragen aan Joseph Haydn, een reeks die het genre van het strijkkwartet een machtige impuls moest geven. 

Dat ook het componeren van het Strijkkwartet in Bes groot hoofdbrekens kostte, is mooi te zien aan de autograaf, nu opgeslagen in het British Museum. Een doorgehaalde versie van de finale geeft aan dat Mozart twijfelde. Eerst noteerde hij een alla breve-maat met daarboven ‘Prestissimo’ (‘zeer snel’), maar hij wijzigde dat in een tweekwartsmaat met ‘ assai’ (‘voldoende snel’) en daarbij alle notenwaarden gehalveerd. 

Voer voor musicologen! Waar was hij beducht voor? Kennelijk voor het feit dat zijn finale te langzaam zou worden gespeeld – in weerwil van het Prestissimo. Halve en kwartnoten ogen wat log. Met een verkorting tot kwart- en achtste noten en de aanwijzing ‘voldoende snel’ waarborgde Mozart vlotheid en speelsheid.

Het bewijst dat hij niet over één nacht ijs ging. De door hem mateloos bewonderde Haydn moest waardig worden vereerd. Vandaar dat ook stilistisch van alles uit de kast werd gehaald: kunstig , harmonische stoutmoedigheden en verrassende wendingen.

Toen de muziek slechts nog manuscript was, kwam vader Leopold vanuit Salzburg op bezoek, in februari 1785. Hij schreef aan zijn dochter: ‘Drie nieuwe strijkkwartetten werden uitgevoerd (...), voortreffelijke werken, al zijn ze wat lichtvoetiger dan de vorige drie.

Meneer Haydn zei tegen me: Eerlijk en bij god: uw zoon is de grootste componist die ik ken.’ Het lichtvoetige geldt bij het Strijkkwartet in Bes groot vooral het openingsdeel en het to. Het is juist innig en doorwrocht, met adembenemende passages waarbij de in de bas ligt.

In de finale zoekt Mozart eveneens naar een hoge iegraad, zodat Leopolds gunstige oordeel eigenlijk verbazend is. De bijnaam ‘Jagdquartett’ mogen we gerust vergeten, die is nietszeggend.

Béla Bartók 1881-1945

Bartók: Derde strijkkwartet

‘Debussy heeft de zin voor de en hersteld. Hij was even belangrijk als Beethoven, die ons de ontwikkelingsvorm heeft geopenbaard. En als Bach, die ons in hogere zin heeft ingewijd in het . Kunnen deze drie elementen worden verenigd en voor de modernen worden levend gemaakt?’

Op die retorische vraag gaf Béla Bartók zelf het antwoord: ‘ja’. Hij had er een vierde element aan toe kunnen voegen: folklore. Bartók was immers een fervent verzamelaar en onderzoeker van Oost-Europese volksmuziek, die hij met een fonograaf ter plekke vastlegde. 

Hoe kwam dit alles tot uiting in BartókDerde strijkkwartet in Cis groot uit 1927, een werk waarin zich zo’n eigen-zinnig, nagenoeg idioom ontvouwt? Het kent geen pauzes en de vier delen tonen dwarsverbindingen: het derde (Ricapitulazione) roept het openingsdeel (Prima parte) terug en de finale () sluit aan bij het tweede deel (Seconda parte).

Toch doen alle vier de elementen zich gelden. De abstractie van de (Bach) in de ische complexiteit, Debussy in opzienbarende strijkerseffecten (’s, ’s en spelen met houten delen van de strijkstok), Beethoven in het economisch gebruik van materiaal en volksmuziek in de vele dansante s en pentatoniek.

Het is vooral uitbundige die dit kwartet moeilijk voor het oor maakt, zeker in combinatie met frequente maatwisselingen en off-beats (onverwachte en op lichte maatdelen). Het sombere openingsdeel wordt gevolgd door een levendiger en robuuster tweede, doordrenkt met folklore. Polyfone intermezzo’s en matige passages kenmerken de overige kortademiger delen. Het werk duurt nauwelijks een kwartier.

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Beethoven: Strijkkwartet

 Ook aan het eerste van Ludwig van Beethovens drie kwartetten van 59 is nagenoeg alles opzienbarend. Het openingsthema in de , bijvoorbeeld. En versluierde k – wanneer weet je eigenlijk dat het eerste deel in F groot staat? Dan is daar het curieuze vraag-en-­antwoordspel in het tweede deel, met een openingsthema op één toonhoogte – ongehoord – gevolgd door een intens melancholiek molto e mesto, dat een schaduw vooruitwerpt naar de late kwartetten. Ten slotte de exotiek van het Thème russe in de finale, met opnieuw de cello in de hoofdrol. Gecombineerd met de extreme lengte kon het muziekpubliek het kwartet in 1806 maar matig waarderen.

‘Bizar’ was het oordeel, te moeilijk speelbaar en te lang. Maar de schetsboeken bewijzen dat Beethoven aanvankelijk aan herhalingen dacht, die alles aanzienlijk langer zouden hebben gemaakt. Pas heel laat bedacht hij zich. Interessant is ook dat hij bij het componeren van deze muziek te rade ging bij Mozart, wiens kwartetten hij bestudeerde en kopieerde.

Het lag niet in zijn bedoeling publiek of musici uit te dagen of zijn excentriciteit te demonstreren. De tragiek was dat het niveau van zijn kunstenaarschap buiten het blikveld dreigde te raken van zelfs de meest ontwikkelde kenner, en al helemaal buiten dat van de ‘Liebhaber’. Dit zou zich ten volle openbaren bij de latere kwartetten, die een halve eeuw lang als onnavolgbaar en onspeelbaar golden.  

Biografie

Cuarteto Casals, kwartet

Het prijswinnende Cuarteto Casals werd in 1997 opgericht aan het conservatorium van Madrid en groeide uit tot een vaste bespeler van podia als Carnegie Hall in New York, de Philharmonie Berlin, de Cité de la musique en de Philharmonie in Parijs, het Konzerthaus en de Musikverein in Wenen en Suntory Hall in Tokio.

In Het Concertgebouw debuteerde het ensemble in 2003, en het speelde er voor het laatst in april 2024 (J.S. Bach, Haydn en Beethoven). Het Cuarteto Casals vierde zijn zilveren jubileum met opnames en uitvoeringen van Die Kunst der Fuge van Bach, een Mozart-cyclus in de Pierre Boulez Saal in Berlijn en John Adams’ Absolute Jest met het Barcelona Symphony Orchestra.

In 2020 verscheen de laatste cd van een driedelige Beethovenreeks, in 2021 het tweede deel van de aan Haydn opgedragen Mozart-kwartetten, en eind 2024 een box met alle vijftien Sjostakovitsj-kwartetten. Het kwartet speelt ook graag nieuwe muziek, en werkte samen met György Kurtág en Matan Porat en met Spaanse componisten als Francisco Coll, Mauricio Sotelo en Benet Casablancas.

Een prijs van de Burletti-Buitoni Trust gaf de musici de gelegenheid een collectie strijkstokken uit de en de op te bouwen, en een tijdlang genoten ze het privilege om te spelen op de instrumenten van ­Antonio Stradivari die toebehoren aan het Koninklijk Paleis in Madrid. Het Cuarteto Casals geeft graag masterclasses en is in residence bij het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, de Scuola di Musica di Fiesole en de Escola Superior de Música de Catalunya in hun woonplaats Barcelona. De musici zijn door de Generalitat van Catalonië en het Institut Ramon Llull benoemd tot cultureel ambassadeurs en ontvingen de Eremedaille van de Spaanse Koningin Sofía.