Concertgebouworkest speelt Schubert met Santtu-Matias Rouvali

Concertgebouworkest
Santtu-Matias Rouvali dirigent
Seong-Jin Cho piano

Dit programma maakt deel uit van de serie E.

Lees ook:
Het interview met Seong-Jin Cho
Zo werd de piano een succesinstrument (achtergrond)

Louise Farrenc (1804-1875)

Ouverture nr. 2 in Es gr.t., op. 24 (1834)
eerste uitvoering door het Concertgebouworkest  

Frédéric Chopin (1810-1849)

Pianoconcert nr. 1 in e kl.t., op. 11 (1829-30)
Allegro maestoso
Romance. Larghetto
Rondo. Vivace 

pauze ± 21.00 uur 

Franz Schubert (1797-1828)

Symfonie nr. 6 in C gr.t., D 589 (1817-18)
Adagio – Allegro
Andante
Scherzo: Presto - Più lento
Allegro moderato

einde ± 22.10 uur 

Toelichting

Louise Farrenc 1804-1875

Tweede ouverture

Door Martijn Voorvelt

Ze kreeg les van beroemdheden Johann Nepomuk Hummel en Anton Reicha. Ze was een begenadigd concertpianist en werd als componist gerespecteerd door tijdgenoten als Hector Berlioz en Robert Schumann. Ze was de enige vrouwelijke professor aan het Parijse conservatorium, waar ze na een lange strijd afdwong dat ze evenveel betaald kreeg als haar collega’s – met succes, mede dankzij de kwaliteit van haar Nonet in Es groot. Tweemaal won ze de presti­gieuze Prix Chartier.

De Tweede ouverture in Es groot ontstond in een tijd dat de grand opéra het muziekleven in Parijs overheerste. Componisten als Meyerbeer, Halévy en Rossini waren supersterren. De groots opgezette, spectaculaire ensceneringen gingen gepaard met assertieve, opwindende muziek, uitgevoerd door uitdijende orkesten met nieuwe instrumenten als , ventieltrompetten, basklarinet en . Naast de invloed van Beethoven horen we die achtergrond duidelijk terug in deze concertouverture. Hoe Farrenc de luisteraar op het verkeerde been zet met een langzame inleiding in een zwaar aangezet heeft veel te maken met theater. Pas na anderhalve minuut brandt het eerste in los. Hoewel de dramatische gestiek van het begin af en toe nog de kop opsteekt, blijft de muziek daarna grotendeels in de feelgood-sfeer, voortgestuwd door een energiek en vele stijgende loopjes.

Toch doet Louise Farrenc nauwelijks belletjes rinkelen. Nauwelijks drie jaar na haar dood beklaagde een Franse criticus zich al: ‘Wanneer een componist onbekend is, is het publiek niet geïnteresseerd, en de uitgevers – zeker in Frankrijk – stoppen hun oren sowieso dicht als iemand ze een compositie aanbiedt die iets voorstelt. Ziedaar de obstakels die Madame Farrenc tegenkwam en die haar deden wanhopen. Daarom is haar werk tegenwoordig vergeten.’ Frappant: de mogelijkheid dat het vrouw-zijn van Farrenc in een door mannen gedomineerde wereld een factor van betekenis zou kunnen zijn, kwam niet bij ­meneer de scribent op. De blinde vlek is tekenend. Pas sinds enkele jaren is er eindelijk weer enige belangstelling voor Farrencs werk.

Frédéric Chopin 1810-1849

Chopin: Pianoconcert

Door Aad van der Ven

Frédéric Chopin is nog geen twintig wanneer hij de laatste hand legt aan zijn twee vrijwel gelijktijdig ontstane pianoconcerten. Zijn talent is in zijn vaderland Polen niet onopgemerkt gebleven. Maar zijn groeiende reputatie en de beklemmende politieke situatie – de toenemende Russische agressie – dragen er toe bij dat emigratie steeds aantrekkelijker lijkt.

In september 1831 arriveert hij in Parijs met in zijn koffer onder meer de twee nog niet uitgegeven pianoconcerten. Pianist nummer één, tevens componist, in de Franse hoofdstad is dan de Duitser Friedrich Kalkbrenner (1785-1849). Ook Chopin, die meent dat hij zelf als concertpianist nog veel kan leren, maakt kennis met deze Kalkbrenner en vraagt hem of hij bij hem les kan krijgen. Dat kan, maar hij krijgt te horen dat hij dan wel aan een periode van minstens drie jaar moet denken.

Chopin slaat dit aanbod bij nader inzien af, ook op advies van zijn vrienden die denken dat de extraverte stijl van de ‘Paganini van de piano’ waarschijnlijk niet bij hem zou passen. Zo bleef Chopin de onvervalste schepper van een uit duizenden te herkennen schrijfwijze voor piano: een combinatie van gloed en elegantie. Waarbij muzikale ornamentiek in de vorm van geraffineerde omspelingen en arabesken (sierlijk slingerende motieven) er toe bijdraagt dat de sfeer van aristocratische salons zelden helemaal afwezig is.

  • Frédéric Chopin

Kalkbrenner vat de beslissing van zijn 22 jaar jonge vakbroeder sportief op, tot diens grote opluchting. Chopin besluit daarop zijn Eerste pianoconcert in e klein, wanneer dat twee jaar later wordt gepubliceerd, aan hem op te dragen.

Net als zijn andere concert mist dit werk de aan de traditie ‘verplichte’ , normaliter bij uitstek de plaats waar een solist kan uitpakken. Vermoedelijk was Chopin zich ervan bewust dat de pianist zich hier al zo sterk op de voorgrond bevindt – mede door de bescheiden rol van het orkest – dat het gevaar zou kunnen ontstaan te lang in hetzelfde kringetje rond te draaien.

Chopin gaf het tweede deel van het Pianoconcert in e klein de titel Romance en schreef strijkers ‘con sordino’ (met ) voor. In een van zijn brieven spreekt hij over ‘dromen in het mooie voorjaar, maar wel in de maneschijn’. Voor de finale kon hij het niet stellen zonder een hommage aan zijn vaderland in de vorm van een Poolse dansvorm, een zogenoemde ‘krakowiak’, levendig van karakter, met onregelmatige ritmische en.

Franz Schubert

Schubert: Zesde symfonie

Door Anneloes Brand

In de jaren 1813-1816 componeerde Franz Schubert als leerling van Antonio Salieri zijn eerste vijf symfonieën. In de rest van zijn (veel te korte) leven begon de geniale veelschrijver aan nog acht symfonieën, maar door de gewijzigde en onvoltooide versies haalden die niet allemaal de catalogus en bestaat er vanaf nummer 6 verwarring over de nummering.

De Symfonie nr. 6 in C groot, D589 ontstond tussen oktober 1817 en februari 1818. Het werk werd al snel uitgevoerd tijdens een besloten huisconcert van Otto Hatwig, een prominente violist in wiens amateurorkest Schubert speelde, maar kreeg pas op 14 december 1828, een maand na Schuberts dood, zijn publieke première tijdens een concert van de Weense Gesellschaft der Musikfreunde. (Overigens moesten de andere symfonieën veel langer op hun eerste openbare uitvoering wachten en werden de meeste pas in 1884-85 uitgegeven.)

De Zesde symfonie wordt ook wel de ‘Kleine’ genoemd om onderscheid te maken met Schuberts Negende symfonie in dezelfde , wier bijnaam ‘Grote’ niet alleen haar lengte, maar ook haar grandeur reflecteert. Toen Schubert zijn Zesde symfonie componeerde, was Wenen in de ban van twee muzikale grootheden: Ludwig van Beethoven en Gioacchino Rossini. In november 1816 voerde een Italiaans gezelschap Rossini’s Tancredi and L’inganno felice voor het eerst op in Wenen. Onder het betoverde publiek bevond zich ook de negentienjarige Schubert. ‘Je kunt niet ontkennen dat hij buitengewoon begaafd is’, schreef hij aan zijn vriend Anselm Hüttenbrenner.

‘De orkestratie is soms zeer origineel, alsook de vocale compositiestijl...’ Tijdens deze Rossini-rage schreef Schubert twee ouvertures ‘in Italiaanse stijl’, waarbij hij een nieuwe manier van componeren uitprobeerde die zijn eigen stijl onmiddellijk veranderde. Ook de Zesde symfonie raakte beïnvloed door Rossini’s muziek, maar het werk bevat evenzeer elementen van anderen die de jonge componist bewonderde – Haydn, Mozart en Beethoven – en van Schubert zelf natuurlijk.

Het waarmee het werk (net als Haydns Symfonie nr. 96 trouwens) opent, bevat een Mozartiaanse inleiding, een Haydn-achtig begin van het Allegro met alleen blazers, het instrumentale vuurwerk van Rossini door het hele deel heen, en een versneld dat doet denken aan de opzwepende ’s van Rossini. Schuberts gave voor e ën komt het duidelijkst naar voren in het . Het derde deel, het eerste in Schuberts symfonieën, lijkt qua kracht en voortstuwing op dat van Beethoven. Meer Rossini-achtige springerige s en theatraal drama vinden we in de kleurrijk georkestreerde finale, die het werk uitbundig besluit.

Biografie

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Santtu-Matias Rouvali, dirigent

Santtu-Matias Rouvali is chef­ van Philharmonia (sinds 2021) en was dat ook acht seizoenen lang (van 2017 tot 2025) van het Göteborg . Van het Tampere Philharmonisch Orkest in zijn thuisland Finland is hij eredirigent. In 2022 maakte Santtu-Matias Rouvali met Philharmonia zijn BBC Proms-debuut, en jaarlijks reizen dirigent en orkest naar het Mikkeli Festival in Finland.

In september 2025 leidde Santtu-Matias Rouvali het tachtigjarige Philharmonia in een grote tournee, uitmondend in een concert in Carnegie Hall in New York; ook Het Concertgebouw werd aangedaan, met onder meer een wereldpremière van composer in residence Gabriela Ortiz.

De Finse was te gast bij gezelschappen als de Berliner en de Münchner Philharmoniker, de Wiener Symphoniker, het Orchestre Philharmonique de Radio France, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia en de orkesten van New York, Cleveland, Chicago en Los Angeles. Sinds zijn overtuigende debuut bij het Concertgebouworkest in januari 2020 keerde hij er jaarlijks terug; de laatste keer, in maart 2025, dirigeerde hij werken van Clyne, Rachmaninoff en Sibelius.

Santtu-Matias Rouvali bouwt gestaag aan een uitgebreide discografie met zijn orkesten in Londen en Tampere, en met het Göteborg voltooide hij een Sibelius-cyclus die goed was voor onder meer een Gramophone Editor’s Choice, een Preis der deutschen Schallplattenkritik en een Diapason d’Or. Santtu-Matias Rouvali, van oorsprong er, studeerde directie aan de Sibelius-Academie in Helsinki bij onder anderen Jorma Panula, Leif Segerstam en Hannu Lintu.

Seong-Jin Cho, piano

Seong-Jin Cho was in 2011 – op zijn zeventiende – finalist op het Tsjaikovski-concours in Moskou, en studeerde vervolgens aan het Conservatoire National Supérieur de Musique in Parijs. In oktober 2015 trok hij internatio­naal de aandacht toen hij het Fryderyk Chopin Pianoconcours in Warschau won. Een maand later debuteerde hij in de : bij het Concertgebouw­orkest in Ravels Pianoconcert in G groot onder leiding van Jakub Hrůša.

Toen hij in ­januari 2024 bij het Concert­gebouworkest terugkeerde (Chopin onder leiding van Santtu-Matias Rouvali) publiceerde Preludium een interview met de Zuid-Koreaanse pianist. In de zomer van 2024 soleerde hij voor een derde keer bij het Concertgebouworkest (Beethoven onder leiding van Myung-whun Chung).

Seong-Jin Cho ondernam tournees met de Berliner Philharmoniker onder Kirill Petrenko (Korea), het Gewandhaus­orchester Leipzig onder Andris Nelsons (Korea, Japan en Europa), de Czech Philharmonic onder Semyon Bychkov (Taiwan en Japan) en de Münchner Philharmoniker onder Lahav Shani (Korea, Japan en Taiwan), en soleerde bij de Wiener Philharmoniker en de orkesten van New York, Philadelphia, Pittsburgh, Los Angeles en Boston.

Onder de en met wie hij regelmatig werkt, zijn Gustavo Dudamel, Yannick Nézet-Séguin, Gianandrea Noseda, Antonio Pappano, Simon Rattle en Esa-Pekka Salonen. In seizoen 2024/2025 was Seong-Jin Cho artist in residence van de Berliner Philharmoniker, en in het huidige seizoen heeft hij een soortgelijke positie bij het London Symphony Orchestra – met onder meer de wereldpremière van een nieuw pianoconcert voor hem van Donghoon Shin.

Solorecitals gaf Seong-Jin Cho in Carnegie Hall in New York, Suntory Hall in Tokio en de Musikverein en het Konzerthaus in Wenen. In Het Concertgebouw was hij eerder solo te beluisteren op 10 januari 2016 in de en in de -serie Meesterpianisten in 2017 en 2018.