Concertgebouworkest speelt Rachmaninoff en Sjostakovitsj
Concertgebouworkest
Semyon Bychkov dirigent
Vilde Frang viool
Dit programma maakt deel uit van de serie B.
Ook interessant:
- Dmitri Sjostakovitsj en zijn muzikale vrienden
Antonín Dvořák (1841-1904)
Carnaval, op. 92, B 169 (1891)
ouverture voor orkest
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Vioolconcert nr. 1 in a kl.t., op. 77 (1947-48)
Nocturne: Moderato
Scherzo: Allegro – Poco più mosso
Passacaglia: Andante – Cadenza
Burlesque: Allegro con brio
pauze ± 21.10 uur
Serge Rachmaninoff (1873-1943)
Symfonische dansen, op. 45 (1940)
Non allegro
Andante con moto (Tempo di valse)
Lento assai – Allegro vivace
einde ± 22.15 uur
Toelichting
Antonín Dvořák (1841-1904)
Carnaval
Door Bart de Graaf
Antonín Dvořák was een echte laatbloeier: pas op 36-jarige leeftijd durfde hij het aan om enkele stukken naar zijn grote voorbeeld Johannes Brahms te sturen. Daarop bracht Brahms hem in contact met uitgever Fritz Simrock en ontwikkelde zich een hechte vriendschap tussen de twee componisten. Toen Dvořák drie concertouvertures had geschreven, aanvankelijk onder de titel Natuur, leven en liefde, schreef Brahms aan Simrock: ‘Het zijn vrolijke stukken, men zal je dankbaar zijn als je dit uitgeeft.’ Later scheidde Dvořák de drie werken van elkaar en veranderde hij de titel van het tweede stuk in Een Tsjechisch carnaval, om het later, meer algemeen, Carnaval te noemen. Hoewel de drie werken onafhankelijk van elkaar verder leefden, bleven ze tisch met elkaar verbonden. In de rustige middensectie van Carnaval speelt de klarinet een thema, dat door de wordt overgenomen. Dat thema klinkt in alle drie de ouvertures.
Dvořák zelf dirigeerde de première van Carnaval in 1892 in Praag. Zes maanden later leidde hij een uitvoering van het stuk in Carnegie Hall, New York. In de tussentijd was de componist met zijn gezin naar de Verenigde Staten verhuisd op uitnodiging van Jeannette Thurber, die in New York het National Conservatory of Music of America had opgericht. De opdracht die zij aan Dvořák als nieuwe directeur gaf was de Amerikaanse klassieke muziek te ontwikkelen naar Europese maatstaven, met behoud van het Amerikaanse culturele erfgoed.
De eerste uitvoering van Carnaval door het Concertgebouworkest was op 14 juli 1895 onder leiding van Willem Kes, de laatste op 16 oktober 2010 onder Tugan Sokhiev.
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Eerste vioolconcert
Door Onno Schoonderwoerd
Aan de Finse Golf, in het dorpje Komarovo – of Kellomäki, zoals het nog heette voordat Stalin het oorspronkelijk Finse gebied ten noordwesten van Leningrad in 1939/40 annexeerde – begon Dmitri Sjostakovitsj in juli 1947 aan zijn Eerste vioolconcert, 77. Zes maanden later viel de componist ten prooi aan Stalins bloeddorstige cultuurbonzen. Zij veroordeelden zijn muziek omdat die, net als die van Sergej Prokofjev en Aram Chatsjatoerjan, ‘formalistische vervormingen en antidemocratische tendensen’ zou vertonen. Sjostakovitsj voltooide het vioolconcert dat hij voor zijn vriend David Oistrach bestemd had, maar hield het voor de zekerheid voor de buitenwereld verborgen, net als zijn Vierde strijkkwartet en zijn cyclus Uit joodse volkspoëzie. Hij besefte terdege dat deze muziek te weinig opgewekt van toon was om de strijders voor het arbeidersparadijs te kunnen behagen. Wel schudde hij een handvol patriottische koorstukken en filmmuziek uit zijn mouw. Dergelijke muziek voor de massa’s bracht gelukkig wat geld in het laatje, want zijn baan aan het conservatorium was hij kwijt.
Pas op 29 oktober 1955, twee jaar na Stalins dood, kon Oistrach de première van het vioolconcert spelen. Om te verdoezelen dat het stuk niet meer kersvers was – en de ‘kameraden’ niet graag herinnerd zouden worden aan de oorzaak van de vertraging – gaf men het concert het nummer 99. Inmiddels draagt het weer zijn oorspronkelijke nummer.
Het vioolconcert heeft vier in plaats van de gebruikelijke drie delen. Het openingsdeel, , is somber, het tempo traag, de aanvankelijk richtingloos. Schetterende ten en brute trombones ontbreken. Een celesta maakt het nachtelijke duister kil, bijna onaards. Het is, zoals dikwijls bij Sjostakovitsj, geen traditionele, aangename onderbreking van het betoog, maar scherp en hardvochtig. De muziek is dansant, maar het is alsof de solist tegen zijn zin meedoet aan het festijn, of zelfs wordt opgejaagd. De muzikale spanning culmineert in een , een letterlijke achtervolging.
De rust keert pas weer in het derde deel, een indrukwekkende passacaglia. Hoe dramatisch de viool zich ook van haar omgeving tracht los te zingen, de trage baslijn van aanvankelijk , ’s en contrabassen blijft ongenaakbaar, als een onwrikbare werkelijkheid waarmee een mens moet zien te leven. Meermalen verandert de bas in een voor . Als het passacaglia- voor een laatste keer in pauken en strijkerspizzicato heeft geklonken, gaat de violist alleen verder, in een enorme, aanvankelijk langzame solocadens, waarin materiaal uit de voorgaande drie delen met elkaar wordt verweven.
De muziek gaat zonder onderbreking over in het burleske laatste deel. Sjostakovitsj wilde eigenlijk het hoofdthema van die finale ook door de solist laten spelen, maar Oistrach, die begreep hoeveel inspanning de voorgaande zou kosten, vroeg om een alternatieve oplossing: ‘Dmitri Dmitrievitsj, neem alstublieft in overweging om het orkest de eerste acht maten in de finale te laten overnemen om mij een kleine pauze te geven, dan kan ik ten minste het zweet van mijn voorhoofd wissen.’ Opnieuw klinkt dansmuziek – Tsjaikovski’s Vioolconcert en Vierde symfonie lijken het voorbeeld voor zo’n dansfinale – maar werkelijk feestelijk wordt het niet. De vrolijkheid is zo opgeklopt dat je je kunt afvragen of de geknepen samenklank van , fluiten, klarinetten en ten, alle in het hoge register, gecombineerd met de kale xylofoon en nasale hobo’s wel zo zonnig bedoeld is.
Bernard Haitink leidde de eerste uitvoering van Sjostakovitsj’ Eerste vioolconcert door het Concertgebouworkest op 18 december 1985 met als solist Viktor Liberman. De laatste uitvoering vond plaats op 16 december 2020 met Valery Gergiev en violist Sergei Dogadin.
Serge Rachmaninoff 1873-1943
Symfonische dansen
Door Michiel Cleij
Een Russische componist die opgroeit in de traditie van Tsjaikovski en vijftig jaar later – na een gedwongen emigratie naar de Verenigde Staten, oorlogen en extreme modernisering van de muziekcultuur – nog steeds in datzelfde romantische idioom componeert: is dat tragisch? Of juist een bewijs van trots en onwrikbaarheid? Als je Rachmaninoffs muziek hoort, is het beide. Al in zijn vroegste werken hoor je dat hopeloos smachtende, verlangende, zwelgende van de Russische . Maar zijn symfonieën en concerten hebben ook altijd een opzwepend, vitaal slot: optimisme wint het uiteindelijk van tegenslag. Aan noodlottigheden heeft het Rachmaninoff nooit ontbroken. Een vader die het familiekapitaal verbraste, een jong gestorven zusje, daarna langdurige miskenning van zijn compositorisch talent, revolutie, oorlog – al die omstandigheden dreven hem van de ene woonplaats naar de andere, steeds verder van zijn Russische oorsprong. En ondanks al die verhuizingen, eindigend in Beverly Hills, bleef zijn muziek altijd zeer Russisch en zeer negentiende-eeuws.
Ook in de Symfonische dansen uit 1940 – zijn laatste werk – ontbreekt het geenszins aan Russische melancholie, ook al woonde Rachmaninoff toen al jaren in Amerika. Typerend is het commentaar dat hij achteraf gaf: ‘Het stuk zou eigenlijk gewoon Dansen heten, maar ik wilde de indruk vermijden dat ik dansmuziek voor jazzorkest had geschreven.’ Het had gekund; in zijn Vierde pianoconcert uit 1926 zitten bigband-effecten die zijn liefde voor jazz verraden. Daarvan is hier geen spoor. Deze dansen zijn te onvoorspelbaar en te grillig voor een dansvloer. Zelfs de tweede, gebaseerd op een ritme, volgt geen bestaand patroon. Ze klinken ook lang niet altijd uitbundig, al wordt de weemoedige onderstroom vaak gemaskeerd door gloedvolle, energieke uitbarstingen.
Hoogtepunt is het slotdeel, dat de voortdurend aan heimwee lijdende componist van autobiografische trekjes voorzag. Overal in zijn oeuvre – al vanaf zijn vroegste composities – citeerde Rachmaninoff het e , een dreigende , traditioneel geassocieerd met de Dag des Oordeels, die hij tot een soort handtekening maakte. Hier is dat Dies irae de stuwende kracht achter het hele deel, zeer hoorbaar in de xylofoonpartij. Daarnaast citeert Rachmaninoff vlak voor het slot ook een indringende passage uit zijn eigen Russisch-orthodoxe koorwerk All-Night Vigil. Het is muziek van een doorgewinterde, oude, oer-nostalgische componist die met een aangrijpende slagkracht nog éénmaal zijn demonen uitbant. ‘Ik denk dat dit mijn beste werk is’, zei hij na voltooiing. En in de noteerde hij onder de slotmaten: ‘Ik dank U, Heer.’
Kirill Kondrashin zette het werk op 19 november 1976 als eerste op de lessenaar bij het Concertgebouworkest. De laatste uitvoering werd op 13 mei 2016 geleid door Semyon Bychkov.
Biografie
Semyon Bychkov, dirigent
Semyon Bychkov is sinds 2018 chef- van het Tsjechisch Philharmonisch Orkest, waarmee hij onder meer werkt aan een complete Mahler-cyclus. Hij was in Leningrad leerling van Ilya Musin, emigreerde als twintiger naar de Verenigde Staten en vestigde zich in de jaren 1980 in Europa.
Hij maakte naam als music director van het Grand Rapids Symphony Orchestra en het Buffalo Philharmonic Orchestra en werd chef-dirigent van het Orchestre de Paris (1989), het WDR Sinfonieorchester Köln (1997) en de Semperoper in Dresden (1998).
Als gastdirigent staat Semyon Bychkov voor de Wiener, de Berliner en de Münchner Philharmoniker, het Gewandhausorchester Leipzig, en de en van New York, Chicago en Los Angeles. Bij het Concertgebouworkest is hij al sinds 1984 regelmatig te gast. De laatste keer dat hij het orkest leidde was in april 2025 met Sjostakovitsj’ Zevende symfonie, ‘Leningrad’.
De werkte met hedendaagse componisten als Bryce Dessner, Detlev Glanert, Thierry Escaich en Thomas Larcher. is voor hem ook een belangrijk werkveld: er waren talloze engagementen bij de Royal Opera Covent Garden (debuut 2003), de Metropolitan Opera in New York, de Opéra de Paris, de Staatsoper Wien, de Scala in Milaan, het Teatro Real in Madrid, de Salzburger Festspiele en het Bayreuth Festival.
Semyon Bychkov bekleedt ereposities bij de Royal Academy of Music in Londen en het BBC Symphony Orchestra. Dirigent van het jaar werd hij in 2015 bij de International Opera Awards en in 2022 bij Musical America.
Vilde Frang, viool
Vilde Frang speelt viool vanaf vierjarige leeftijd en had les aan het Barrat Due Musikinstitut in Oslo. Op haar twaalfde nodigde Mariss Jansons haar uit als solist bij het Oslo Filharmonisch Orkest. Ze ging studeren bij Kolja Blacher in Hamburg en bij Ana Chumachenco in Kronberg, en Mitsuko Uchida en Anne-Sophie Mutter werden belangrijke mentoren.
In 2012 won de Noorse violiste de Credit Suisse Young Artists Award en debuteerde ze onder leiding van Bernard Haitink op het Lucerne Festival. Sindsdien was ze te gast bij gezelschappen als de Wiener en de Berliner Philharmoniker, het London Symphony Orchestra, het Gewandhausorchester Leipzig, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Budapest Festival Orchestra, het Chamber Orchestra of Europe, het Orchestre de Paris en de orkesten van New York, Chicago, Los Angeles, Cleveland, Sydney en Tokio.
In april 2018 debuteerde ze bij het Concertgebouworkest (Mozart met Trevor Pinnock), waar ze terugkeerde in december 2022 (Berg met Barbara Hannigan) en mei 2025 (Sjostakovitsj met Semyon Bychkov). Het kamermuziekpodium deelde Vilde Frang met Yuri Bashmet, Sol Gabetta, Leif Ove Andsnes en Janine Jansen. Ze kreeg Edisons in 2011 en 2012, en won verder onder meer een Grand Prix du Disque, de Preis der deutschen Schallplattenkritik, een Diapason d’Or en een Gramophone Award. Vilde Frang bespeelt de ‘Rode’-Guarnerius uit 1734.



