Concertgebouworkest speelt Messiaen en Sjostakovitsj
Koninklijk Concertgebouworkest
Klaus Mäkelä dirigent
Dit programma wordt kosteloos gestreamd via concertgebouworkest.nl en de Facebook- en YouTube-kanalen van het orkest.
Olivier Messiaen (1908-1992)
Les offrandes oubliées (1930)
Méditation symphonique
Très lent (douloureux, profondément triste)
Vif (féroce, désesperée, haletant)
Extrêmement lent (avec un grande pitié et un grand amour)
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Symfonie nr. 10 in e kl.t., op. 93 (1953)
Moderato
Allegro
Allegretto
Andante, Allegro
Toelichting
Olivier Messiaen 1908-1992
Les offrandes oubliées
Door Michiel Cleij
Olivier Messiaen was een van de kleurrijkste componisten van de vorige eeuw. Zijn muziek sloeg een brug tussen het oude, vooroorlogse componeren en het rigoureuze modernisme na 1945. Als Fransman, opgegroeid met de muziek van Debussy, Ravel en zijn leraar Dukas, beschikte hij over een sterk gevoel voor ; van hen ‘erfde’ hij tevens een fascinatie voor oosterse muziek. In navolging van Stravinsky experimenteerde hij met complexe s. Maar zijn belangrijkste inspiratiebronnen waren altijd het katholieke geloof en de natuur, in zijn muziek gesublimeerd tot machtige, bijna filmische klanksculpturen. Daartoe breidde hij het standaardorkest vaak uit met wonderlijk exotisch instrumentarium.
In Les offrandes oubliées, een vroeg werk, beperkt Messiaen zich nog tot een conventionele orkestbezetting. Maar de muziek die hij daaruit toverde moet rond 1930 voor velen verrassend en ‘vreemd’ geklonken hebben, vooral door de bezwerende, soms meditatief aandoende klank. Tegen de achtergrond van economische crisis, politieke instabiliteit en een hang naar goedkoop amusement riep Messiaen een visioen op waarin onvoorwaardelijk geloof zegeviert.
In drie aaneengesloten delen verklankt hij achtereenvolgens Christus’ lijden, de zondeval en de eeuwige vrede door Gods genade. De trage, ‘tijdloze’ hoekdelen contrasteren sterk met het felle middendeel dat de zondige mens weergeeft als een agressief, spastisch feestbeest. De indringende sfeer- en klankeffecten zijn een voorbode van de muzikale wonderen die later uit Messiaens pen zouden vloeien.
Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975
Tiende symfonie
Door Paul Janssen
Het oeuvre van Dmitri Sjostakovitsj is niet los te zien van zijn leven in de Sovjet-Unie. Al zullen we nooit precies weten wat nu waar is en wat niet, feit blijft dat de componist met zijn noten reageerde op de gebeurtenissen om hem heen. Een goed voorbeeld daarvan is de Tiende symfonie in e klein, het eerste werk dat Sjostakovitsj schreef na de dood van zijn kwelgeest Josef Stalin op 5 maart 1953.
Daarvoor was het vijf jaar betrekkelijk stil geweest rond de componist. Logisch: op 10 februari 1948 kreeg Sjostakovitsj een nóg stevigere reprimande van de Sovjet-autoriteiten dan de beruchte aanval in 1936 met het artikel in de Pravda, ‘Chaos in plaats van muziek’. Alles wat Sjostakovitsj geschreven had, werd nu omschreven als ‘krankzinnig somber en neurotisch’ en ‘tegennatuurlijk voor de Sovjetburgers’. Alle opnamen van zijn werk moesten worden vernietigd en alle partituren werden herzien. Tot de dood van Stalin componeerde Sjostakovitsj geen noot meer voor publieke uitvoeringen en wijdde hij zich aan de 24 Preludes en ’s voor pianiste Tatjana Nikolajeva.
Pas na de dood van Stalin pakte hij ‘bevrijd’ de symfonische draad weer op. Voor de Tiende symfonie zou hij volgens Nikolajeva al in 1951 de eerste schetsen hebben neergezet, maar daar bestaat geen bewijs van. In het omstreden boek Testimony (1979) tekende musicoloog Solomon Volkov namens Sjostakovitsj op dat deze symfonie handelde over ‘Stalin en de jaren van Stalins regime’. Het tweede deel, een , zou zelfs een muzikaal portret van Stalin zijn. En het is geen vleiend portret: een doorlopend fortissimo dendert als een stoomwals door dit slechts vier minuten durende deel. Het staat in schril contrast met het donkere Moderato, gevat in de vorm van een indrukwekkende boog, waarmee deze symfonie begint. Beide delen lijken uiteindelijk een lange opmaat voor het derde deel, dat begint als een grimmige , maar dat al snel een getuigenis van de persoonlijke wederopstanding van Sjostakovitsj lijkt te worden.
In dit Allegretto komt voor het eerst het DSCH (de noten d-es-c-b in Duitse spelling) voor, een verklanking van de initialen van de componist. ‘Een verklaring van individualisme in een cultuur van totalitair collectivisme’ is Sjostakovitsj’ daad wel genoemd. Toch was er een ander motief, een motief dat gedurende het derde deel twaalf keer herhaald wordt, dat de gemoederen nog meer bezighield.
Pas met het boven water komen van correspondentie uit 1953 van Sjostakovitsj met zijn leerlinge Elmira Nazirova bleek dat dit motief, dat verwantschap vertoont met een uit Gustav Mahlers Das von der Erde, staat voor Elmira. Het thema e-a-e-d-a laat zich met enige creativiteit lezen als E, L(a), Mi, R(e), A. Sjostakovitsj schreef aan zijn geliefde studente: ‘Dit is het resultaat. Zelfs als ik niet tot dit resultaat gekomen was, zou ik constant aan je denken – of dit feit nu wel of niet in mijn waardeloze manuscript opgetekend is.’
In het vierde deel, dat weer somber begint, keert het DSCH-thema prominent terug. En hoewel de symfonie uiteindelijk in een optimistisch eindigt, blijft de bij Sjostakovitsj immer sombere ondertoon aanwezig. Dat vond de Unie van Sovjet-Componisten blijkbaar ook. Want toen men dit werk na de première in 1954 toetste, werd het wel herkend als een keerpunt in de geschiedenis van de Sovjet-Unie, maar kon men het niet goed plaatsen in de traditie van het zo gewenste Sovjet-realisme. De jonge componist Andrej Volkonski kwam uiteindelijk met de politiek meest acceptabele omschrijving: de Tiende symfonie was een ‘optimistische tragedie’.
Biografie
Klaus Mäkelä, dirigent
Klaus Mäkelä is muziekdirecteur van het Orchestre de Paris sinds 2021. In september 2027 wordt hij de achtste chef- van het Concertgebouworkest; tegelijkertijd begint hij dan als music director van het Chicago Symphony Orchestra. Van 2020 tot juni 2026 was hij chef-dirigent van de Oslo Philharmonic, waar hij zijn laatste seizoen afsloot met Magnus Lindbergs Kraft.
Als gastdirigent stond hij onder meer voor de Berliner Philharmoniker, de Wiener Philharmoniker en The Cleveland Orchestra. Klaus Mäkelä heeft een exclusief contract met Decca Classics, waarvoor hij met de Oslo Philharmonic onder meer alle symfonieën van Sibelius opnam en met het Orchestre de Paris drie albums met daarop werken van Debussy, Stravinsky, Berlioz en Ravel.
Afgelopen seizoen bleef in Parijs de focus op Frans repertoire met muziek van Bizet, Franck en Connesson. Op het festival van Aix-en-Provence leidde hij in juli Die Frau ohne Schatten van Richard Strauss. Het Concertgebouworkest nodigde Klaus Mäkelä na zijn debuut in september 2020 meermaals opnieuw uit en benoemde hem in 2022 tot toekomstig chef-dirigent. Na zeer succesvolle tournees in de Verenigde Staten (2024) en Oost-Azië (2025) startte in 2026 een jaarlijkse residency op de Osterfestspiele in Baden-Baden.
In seizoen 2026/2027 tourt Klaus Mäkelä uitgebreid met het Concertgebouworkest door Europa, leidt hij de Kerstmatinee en het Annual Gala en staan onder meer Beethovens Missa solemnis, Bartóks Hertog Blauwbaards burcht en Berio’s Sinfonia op het programma.
Als cellist treedt hij regelmatig op met leden van het Concertgebouworkest of het Orchestre de Paris en speelt hij iedere zomer op het Verbier Festival. Klaus Mäkelä studeerde orkestdirectie aan de Sibelius-Academie in Helsinki bij Jorma Panula en bij Marko Ylönen, Timo Hanhinen en Hannu Kiiski.
