Concertgebouworkest speelt Dvorák ‘uit de nieuwe wereld’

Koninklijk Concertgebouworkest
Herbert Blomstedt dirigent

Richard Wagner 1813-1883

Vorspiel und Isolden Liebestod uit ‘Tristan und Isolde’ (1856-59)
Vorspiel: langsam und schmachtend – Isolden Liebestod

Ingvar Lidholm 1921

Poesis (1963, revisie 2011)
solo piano: Jeroen Bal
solo contrabas: Pierre-Emmanuel de Maistre
eerste uitvoering door het Koninklijk Concertgebouworkest

pauze

Antonín Dvořák 1841-1904

Negende symfonie in e kl.t. op. 95 (1892-93)
‘Uit de nieuwe wereld’
Adagio – Allegro molto
Largo
Scherzo: Molto vivace
Allegro con fuoco

Het concert van donderdag 21 januari wordt opgenomen door AVROTROS voor uitzending op zondag 24 januari om 14.00 uur via NPO Radio 4.

Dit programma maakt deel uit van de Serie B.

Toelichting

Richard Wagner 1813-1883

Tristan und Isolde

Uit een middeleeuwse legende ontstond het meest overweldigende en omvangrijkste liefdeslied aller tijden, gevat in een muziekdrama. Een liefdeslied dat sterft in schoonheid wanneer de twee hoofdpersonen op het punt staan in het hiernamaals eindelijk volledig één te worden, zo is hun overtuiging. Zoals de liefde tussen Tristan en Isolde maar geen rust vindt, zo zoeken ook de ën al in de eerste maten van Richard Wagners muziekdrama vruchteloos een oplossing. Zo zal het nog lang doorgaan, smachtend en uiteindelijk oplossend in een bevrijdend nirwana. De componist vond een manier om in muziek onvervuld verlangen uit te drukken, die zo indringend is dat deze de taal van de westerse toonkunst veranderde.

Spanning tussen gepraktiseerde en gesublimeerde erotiek: Wagner was ervaringsdeskundige. Voeg zijn uitzichtloze verhouding met Mathilde Wesendonck toe aan de door hem verslonden pessimistische filosofie van Schopenhauer en we hebben een cocktail waaruit een muziekdrama als dit kon voortkomen. Bovendien plaatste Wagner zichzelf graag boven de conventies van zijn tijd, dezelfde conventies die Tristan en Isolde trachtten te ontlopen.

Het plan van de geliefden om door een dodelijke drank tot zich te nemen samen het tijdelijke voor het eeuwige te verwisselen mislukt. De bekers bevatten een liefdesdrank. Maar dit is slechts uitstel. Dat Tristan in een gevecht dodelijk gewond raakt verandert dan wel de loop der gebeurtenissen, maar niet de afloop daarvan. Was dat niet gebeurd, dan had hij, net als Isolde in een latere fase, ongetwijfeld de hand aan zichzelf geslagen. Isolde’s ‘Liebestod’ had ook Tristans ‘Liebestod’ kunnen zijn, al past Isolde wel goed tussen Wagners andere zich voor een man opofferende vrouwen als Senta (Der fliegende Holländer) en Elisabeth (Tannhäuser).

De Liebestod (‘mild und leise’) brengt de verzoening met het onvermijdelijke en de uiteindelijke loutering. Dat dit fragment vaak, net zoals sommige andere delen uit ’s van Wagner, zonder zangstem wordt uitgevoerd – de vocale partij wordt dan in het orkest gelegd – is volkomen verdedigbaar. Wagner concipieerde zijn late muziekdrama’s (dat wil zeggen Der Ring des NibelungenTristan und Isolde en Parsifal) vanuit het orkest. De stemmen zijn het verlengde daarvan. Zangkunst en instrumentale muziek zijn één geworden.

Ingvar Lidholm 1921

Poesis

Zweden mist componisten als Grieg (Noorwegen), Nielsen (Denemarken) en natuurlijk Sibelius (Finland), kortom persoonlijkheden met een uitstraling in het internationale muziekleven. Toch zijn alle grote muzikale stromingen, als we ons beperken tot de laatste twee eeuwen, in het grootste land van Scandinavië door markante figuren vertegenwoordigd, onder wie Berwald, Stenhammar, Atterberg, Rosenberg en Pettersson. Binnen de Zweedse naoorlogse avant-garde neemt Ingvar Lidholm een prominente plaats in. Vooral als componist, ondanks de vrij bescheiden omvang van zijn oeuvre, maar ook als docent en invloedrijk bestuurslid van nationale en internationale muziekorganisaties. Zijn oeuvre omvat diverse werken die de aandacht hebben getrokken, waaronder twee ’s naar toneelwerken van Strindberg en talrijke koorwerken, een categorie waarvoor in zijn land per definitie veel belangstelling bestaat.

Als componist heeft Lidholm in grote lijnen de route afgelegd die we van veel van zijn collega’s kennen: van romantisch nationalisme via naar het modernisme van Darmstadt. Na het van zich te hebben afgeschud ging hij geleidelijk vrijer om met de materie. Poesis vormt een soort culminatie van zijn modernistische fase. De orkestpartituur, met prominente solopartijen voor piano en contrabas, is in diverse opzichten extreem. De muziek bezit soms een ‘fauvistische’ ruigheid, mede door de monsterbezetting en de blokvormige . Hoewel Lidholm ook een halve eeuw geleden niet de reputatie had van iemand die voor feestmuziek in de wieg was gelegd, ontstond het werk in opdracht van het Koninklijk Stockholms Philharmonisch Orkest ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan. Herbert Blomstedt dirigeerde en Karl-Erik Welin speelde de prominente pianopartij tijdens de gedenkwaardige première.

Blomstedt liet het stuk een tijd rusten. Toen hij van de componist in 2011 een tweede, als alternatief te gebruiken versie van het werk kreeg raakte hij opnieuw geestdriftig. In die nieuwe versie, die aan Blomstedt is opgedragen, bleken vooral wijzigingen in de partij voor de pianosolist te zijn doorgevoerd. Sommige ooit opvallende details (pianosnaren met de vingers aantokkelen, tijdens het pianospel ook een fluitje hanteren) vond Lidholm bij nader inzien te tijdgebonden. Hij besloot de hele , ongeveer halverwege de , opnieuw te schrijven en te voorzien van citaten uit zijn vorige composities. Het staat de pianist en de vrij te kiezen uit deze twee uitgaven. Vanavond hoort u de tweede. De titel Poesis is afgeleid van het oud-Griekse woord dat staat voor ‘maken’ of ‘vervaardigen’. Lidholm wilde hier ‘de bronnen van de klank onderzoeken’. Wat hem ook interesseert is ‘hoe een bepaalde sonoriteit wordt ondergaan, fysiek en psychisch’. Poesis heeft op een abstracte manier een dramatisch karakter, mede dankzij de grote dynamische contrasten. ‘De compositie stort uiteindelijk in elkaar en eindigt als de inslag van een meteoor’, aldus Herbert Blomstedt.

Aad van der Ven

Antonín Dvorák 1841-1904

negende symfonie

In 1892 werd Antonín Dvořák aangesteld als directeur van het Nationaal Conservatorium in New York. Hij werd er geconfronteerd met het onvermogen van de zogenaamde ‘Amerikaanse’ componisten om een eigen artistieke identiteit op te bouwen. De vanuit Europa overgewaaide, romantische golf van nationalisme ging voorbij aan de schat van traditionele muziek die op Amerikaanse bodem voorhanden was en bleef steken in academische imitaties in de geest van Liszt of Brahms. Dvořák, zijn tijd ver vooruit, zag in de strijdvaardige gezangen van de indianenstammen en in de spirituals van de zwarten de werkelijk authentieke kiem van een nationale compositieschool. Hij gaf zelf het voorbeeld met zijn eerstvolgende symfonie: Z Nového Svéta, ‘Uit de Nieuwe Wereld’. Eind januari 1893 waren de schetsen van de eerste drie delen klaar en tegen eind mei van hetzelfde jaar was de volledige symfonie voltooid en georkestreerd. Op 16 december werd de eerste uitvoering in Carnegie Hall met veel bijval onthaald.

Het voornemen om een nationale toonkunst te stimuleren resulteerde echter in een stijl die grotendeels op niet-plaatselijke folklore was gefundeerd. Dvořák ontkwam namelijk niet aan een alles overheersende heimwee naar zijn geboorteland. Hoewel er indirect Amerikaanse inspiratiebronnen aanwezig zijn (onder meer de sfeer van het epos Hiawatha van Henry Longfellow), blijven die van secundair belang. De melancholische solo van de in het Largo is niet – zoals zo vaak verkeerdelijk beweerd – ontleend aan een negro-spiritual. De is wel degelijk van de hand van Dvořák maar werd later herschapen tot een ‘imitatie’-spiritual’ met de titel Going Home. De invloed van plaatselijke volksmuziek wordt verder soms nog ten onrechte geïllustreerd aan de hand van het hoofdthema van het eerste deel, dat verwant zou zijn aan het bekende Swing Low, Sweet Chariot (met weglating van de eerste noten). Dvořák ontkrachtte deze bewering en verklaarde dat zijn ’s met de pentatonische reeks zijn samengesteld (dus met vijf tonen en niet met zeven tonen zoals in de westerse muziek). Dit vijftonensysteem en Dvořáks typische, kernachtige ritmische figuren zijn in de folklore van culturen over de hele wereld terug te vinden. Dvořáks melodische taal ontspringt manifest uit zijn Boheemse wortels. De technieken waarmee hij zijn ideeën tot een groots symfonisch en cyclisch geheel smeedt, blijven evenwel dezelfde als die van Beethoven, Tsjaikovski, Brahms of Schubert. Daarom vertelt de Negende symfonie in wezen veel meer over de ‘oude wereld’ dan over de ‘nieuwe wereld’ die ze tot het einde der dagen in haar titel zal meedragen.

Sabien Van Dale

Biografie

Herbert Blomstedt, dirigent

Herbert Blomstedt, geboren in de Verenigde Staten, studeerde in Stockholm en Uppsala en volgde lessen orkestdirectie aan de Juilliard School of Music in New York. In Darmstadt bekwaamde hij zich in de moderne muziek en aan de Schola Cantorum Basiliensis in de oude muziek.

Ook werkte hij met Igor Markevich in Salzburg en met Leonard Bernstein in Tanglewood. In 1954 debuteerde Herbert Blomstedt bij het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Stockholm. Hij stond aan het roer van verschillende Scandinavische orkesten, de Staatskapelle Dresden, het NDR Sinfonieorchester en de San Francisco Symphony.

Van 1998 tot 2005 was hij chef- van het Gewandhaus­orchester Leipzig. Onder zijn vele cd-­opnamen worden die van de volledige symfonieën van Sibelius en Nielsen in het bijzonder geroemd. Ook wordt hij als een van de belangrijkste interpreten van de muziek van Mendelssohn, Brahms en Bruckner beschouwd. In januari 2018 ontving hij de International Classical Music Award voor zijn cd-opnamen van alle Beethoven-symfonieën.

Herbert Blomstedt kreeg verschillende eredoctoraten en is lid van de Koninklijke Zweedse Muziek­academie. In 2003 ontving hij in Duitsland het Grosses Bundesverdienstkreuz. Zijn negentigste verjaardag in juli 2017 werd gevierd met een boek, diverse cd- en dvd-uitgaven en een internationale tournee met 90 concerten. Al sinds 1983 staat Herbert Blomstedt zeer geregeld voor het Concertgebouworkest, de laatste keer in januari 2019 met werken van Brahms en Mendelssohn.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest