Concertgebouworkest speelt de Zesde van Beethoven

Koninklijk Concertgebouworkest
Gustavo Gimeno dirigent

Ludwig Van Beethoven (1770-1827)          

Zesde symfonie in F gr.t., op. 68 (1807-08)
‘Pastorale’      
Angenehme, heitere Empfindungen, welche
   bei der Ankunft auf dem Lande im
   Menschen erwachen
Szene am Bach
Lustiges Zusammensein der Landleute
Donner-Sturm
Hirtengesang. Wohltätige, mit Dank an die
   Gottheit verbundene Gefühle nach
   dem Sturm

pauze

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)

Zesde symfonie in b kl.t., op. 74 (1893)
‘Pathétique’
Adagio, Allegro non troppo
Allegro con grazia
Allegro molto vivace
Finale: Adagio lamentoso, Andante

Toelichting

tsjaikovski en beethoven

Ludwig van Beethoven en Pjotr Iljitsj Tsjaikovski, het moeten heel tegengestelde persoonlijkheden zijn geweest. Waar Tsjaikovski Mozart vergeleek met de liefhebbende Christus, van wie hij kon houden, vergeleek hij Beethoven met de Heer der Sabbat, de Almachtige voor wie hij bewondering had, maar die hem ook ontzag en vrees inboezemde. Een verwijzing naar ‘het sublieme’, dat de achttiende-eeuwse filosoof Edmund Burke tegenover ‘het schone’ stelde, is hier op zijn plaats. Burke verwees daarbij onder meer naar het ontzag voor de schepping zoals dat wordt opgeroepen door overweldigende natuurindrukken. Tsjaikovski worstelde met het gevoel als mens nietig te zijn, onbetekenend ook als componist in het licht van de grootse scheppingen der muziek. Beethoven daarentegen trotseerde ieder gezag, en nergens heeft hij de natuur zo duidelijk willen temmen als in zijn Zesde symfonie, de ‘Pastorale’.

Ludwig Van Beethoven (1770-1827)

Zesde symfonie in F gr.t., op. 68 (1807-08)

Net als voor Howard Roarke, de architect in Ayn Rands filosofische roman The Fountainhead (1943), was de natuur voor Beethoven vooral een uitdaging aan de menselijke creativiteit. Beethovens aanwijzing ‘Mehr Ausdruck der Empfindung als Malerei’, die steeds weer in verband met de ‘Pastorale’ geciteerd wordt, is in dit licht te bekijken: de menselijke beleving staat centraal, niet de autonome natuurschildering. De natuur rond Wenen, waar Beethoven zijn indrukken opdeed, was een cultuurlandschap, gedomineerd door veehouderij en fruitteelt. Het is deze ‘maakbare natuur’ – harmonisch landleven – die we in de symfonie terugvinden.

Het eerste deel, in , juist bij Beethoven zo vaak een heftige wisselwerking van twee strijdige ’s – yang en yin zo u wilt – is op onconventionele wijze omgevormd tot een uitdrukking van evenwicht tussen mens en natuur. De muzikale uitdaging daarbij was de ‘doorwerking’, normaliter een woelige gang van themamateriaal langs ver van de grondtoon gelegen toongebieden naar de van de uitgangstoonsoort, zodat de ‘reprise’ dwingend terugvoert naar de grondtoon. Dit gevoel weer ‘veilig thuis te komen’ heeft Beethoven aan het eind van zijn doorwerking ontweken door een zeer ongebruikelijk ‘teruglopen’ naar de subdominant. Het aangenaam verpozen blijft zo – voorlopig – onaangetast.
De subdominant Bes groot beheerst ook het idyllisch verwijlen aan de rand van een beek in het tweede deel.
De terugkeer naar F groot wordt uitgesteld tot het korte deel (‘Lustiges Zusammensein der Landleute’). Door de grondtoon te maskeren is de overgang naar het f klein van de opstekende storm extra onverwacht. De boeren worden in hun vrolijke samenzijn overvallen. De storm is van korte duur: dit is slechts een intermezzo – verrassend, maar van voorbijgaande aard. In de finale wordt het respect voor de natuur bevestigd. Met dank vooral aan Beethoven, een knap staaltje van landschapsarchitectuur.

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)

Zesde symfonie in b kl.t., op. 74 (1893)

Hoe anders de tussen uitersten in hartstocht heen en weer geslingerde Zesde van Tsjaikovski. In de openingsmaten doet de enkele pogingen een stijgend te spelen, strandend in de strijkers. Het is de inleiding van een symfonie die als geheel doet denken aan A Descent into the Maelström van Edgar Allan Poe, een verhaal waarin een oude zeeman vertelt hoe hij eens in de ‘verschrikkelijke maalstroom’ voor de kust van Noorwegen geraakte: muziek als een immense draaikolk waarin ieder wanhopig streven om omhoog te komen nutteloos lijkt.
Een groter contrast met Beethovens ‘Pastorale’ is nauwelijks mogelijk. De heftige ‘Pathétique’ – in het Russisch komt de term in betekenis dichter bij passie (lijden) dan bij pathos – weerspiegelt de gemoedsstemming van de componist in de laatste jaren van zijn leven, geplaagd door een tot wanhoop voerend gebrek aan zelfvertrouwen, twijfel aan de waarde van zijn muziek, een heftige innerlijke strijd met zijn seksuele gevoelens en angst voor de dood. Velen hebben in de getormenteerde finale een afscheid willen zien, en in de achteraf aan de symfonie toegevoegde tragische openingsmaten een zelfmoordbriefje. De symfonie, die in korte tijd ontstond, werd door de componist evenwel als een doorbraak gevoeld. Hij kon niet bevroeden dat hij negen dagen na de première zou sterven, ‘gewoon’ aan cholera of – zoals sommigen willen – door uit een glas besmet water te drinken nadat een ‘ereraad’ hem als homoseksueel veroordeeld had. In een brief aan zijn neef en minnaar Vladimir, aan wie de symfonie is opgedragen, wees hij op de vele innovaties, met name de ongebruikelijke afsluiting in een . ‘Je kunt je niet voorstellen hoe gezegend ik mij voel nu ik ervan overtuigd ben dat mijn tijd nog niet verdaan is en dat ik nog kan componeren. Mogelijk vergis ik mij, maar ik denk van niet.’

Van muzikaal optimisme kan in een beschrijving van de symfonie weinig sprake zijn. De uiteindelijke neergang wordt al aangekondigd in de dalende lijntjes die de opwaartse stuwing van het thema blijven ondermijnen. Als het hartstochtelijke tweede () is verklonken, wordt plotseling het allegro hernomen in een geagiteerde doorwerking. Een krachtig dalend in het koper, uiting van de obstinate noodlotsgedachte die overal in Tsjaikovski’s drie laatste symfonieën opduikt, kondigt een citaat uit de Russisch-orthodoxe requiemmuziek aan: ‘Met Uw heiligen, o Christus, geef uw dienaars ziel vrede.’ De reprise van het tweede thema, tot slot met uiterste nostalgie in de klarinet, voert naar een laatste dalende lijn, eindigend in omfloerste slagen.
Wat volgt is een bitterzoete ‘’, van het soort waarin Tsjaikovski zo uit kon blinken, hier in een verontrustende vorm met vijf tellen in de maat. Het is geen langzaam deel, dat blijft voorbehouden aan de finale, maar een allegro doortrokken van melancholie. Ook het overrompelende deel, in de beweging van een voorwaarts dringende , blijkt dubbelzinnig. Het is doorspekt met wervelende strijkers en ’s, maar kan in al zijn geestdrift de val niet stuiten. De gerenommeerde Tsjaikovski-biograaf David Brown heeft het zelfs gekarakteriseerd als ‘diep ironisch (…) een dermate heftig aandringen op geluk dat het slechts de wanhoop en futiliteit van dit streven onderstreept’. Klapt u dus niet te vroeg!
Bovenstaande gedachte wordt bevestigd als de tragische finale inzet. Deze staat net als het eerste deel in de , beide thema’s nu omlaag gericht. In het eerste thema bereikt Tsjaikovski een uitzonderlijk effect als hij de dalende schreden laat ontstaan uit de topnoten van de eerste en tweede violen, die afwisselend opwaartse en neerwaartse sprongen spelen. Het doet denken aan de wonderbaarlijke ontsnapping aan de maalstroom in het verhaal van Poe, waar de zeeman zijn redding zoekt in de observatie dat bepaalde in de vortex gevangen objecten zich aan de zuigende kracht lijken te ontworstelen en slechts weinig dalen, waar andere meteen worden meegesleurd in de duizelingwekkende diepte.
Tsjaikovski’s verhaal heeft geen happy end. Na het in de alom heersende tragiek berustende tweede thema overwint het noodlot. De muziek zinkt af in de duistere lagen waar de symfonie begon, lager en lager tot uiteindelijk alleen de ’s en bassen overblijven.

Mark van Dongen

Biografie

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Gustavo Gimeno, dirigent

Gustavo Gimeno is chef- van het Toronto Symphony Orchestra (sinds 2020) en het Teatro Real in Madrid (sinds oktober 2025), en van 2015 tot 2025 was hij chef-dirigent van het Orchestre Philharmonique du Luxembourg. Tussen 2001 en 2013 was Gustavo Gimeno solo­er van het Concertgebouworkest. Orkestdirectie studeerde hij aan het Conservatorium van Amsterdam, waar hij lessen en masterclasses volgde bij Ed Spanjaard, Hans Vonk en Iván Fischer.

Hij assisteerde Claudio Abbado bij het Orchestra Mozart, het Lucerne Festival Orchestra en het Mahler Chamber Orchestra, Bernard Haitink bij het Orchestra Mozart en Mariss Jansons bij het Concertgebouworkest. Toen hij in februari 2014 lastminute voor Mariss Jansons inviel, leidde dat tot een stroomversnelling in zijn encarrière: in mei viel hij in voor Lorin Maazel bij de Münchner Philharmoniker en vervolgens leidde hij onder meer het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Gewandhausorchester Leipzig, het London Philharmonic Orchestra, de Los Angeles Philharmonic, The Cleveland Orchestra en de en van Boston en Chicago.

Als dirigent behaalde hij successen met Verdi’s Aida in Barcelona, Verdi’s Rigoletto in Zürich en Bellini’s Norma in zijn geboorteplaats Valencia. In 2025 ontving hij de ­Spaanse onderscheiding Commandeur in de Orde van Burgerlijke Verdienste. Bij het Concertgebouworkest wordt Gustavo Gimeno sinds zijn debuut op de bok regelmatig teruggevraagd, meest recent met onder meer Stravinsky’s Le Sacre du printemps en Murphy’s Curiosity, Genius, and the Search for Petula Clark in maart 2024.