Concertgebouworkest speelt Bruckner en Schubert
Koninklijk Concertgebouworkest
Andrew Manze dirigent
Dit concert maakt deel uit van de series B en Z
Het concert van zondag 29 september wordt wordt live op de radio uitgezonden door AVROTROS via NPO Klassiek.
Ook interessant:
- Hoe kwam Bruckner tot zijn meesterwerken?
FRANZ SCHUBERT (1797-1828)
Symfonie nr. 4 in c kl.t., D 417 ‘Tragische’ (1816)
Adagio molto – Allegro vivace
Andante
Menuetto: Allegro vivace
Allegro
pauze ± 14.45 uur
ANTON BRUCKNER (1824-1896)
Symfonie nr. 2 in c kl.t. (1871-72, revisie 1877)
Ziemlich schnell
Adagio: Feierlich, etwas bewegt
Scherzo: Schnell
Finale
einde ± 16.15 uur
Toelichting
Toelichting
Door Dirk Luijmes
Franz Schubert en Anton Bruckner: je zou heel wat bomen op kunnen zetten over de parallellen tussen beide meesters. Beiden Oostenrijkers. Beiden begonnen als onderwijzer. Beiden katholiek. Beiden geregeld geplaagd door depressies. Beiden meenden ze dat ze op latere leeftijd nog wel wat lessen konden gebruiken. En met enige goede wil hoor je in het werk van beiden rustieke Oostenrijkse landschappen opdoemen, maar ook regelmatig iets mystieks doorschemeren. Zouden ze op elkaar hebben geleken?
Met onder meer zijn Negende symfonie en de grotere miszettingen plaveide Schubert de weg voor Bruckners grootse werken in die genres
Dat er een muzikale link is tussen Schubert en Bruckner is voor de meeste kenners zonneklaar. Hoewel ze van verschillende generaties zijn – Bruckner was vier toen zijn landgenoot op 31-jarige leeftijd overleed – hadden ze bijna les gehad van dezelfde docent: Simon Sechter. Bruckner ging in elk geval bij de beroemde contrapuntmeester in de leer. Schubert was hetzelfde van plan geweest, maar door zijn vroege dood kwam het er niet van.
Een naam die ook in beide biografieën opduikt, is die van Karoline Eberstaller. Zij was de dochter van een Franse generaal en kwam als jong, muzikaal getalenteerd meisje bij Schubert over de vloer, onder meer om samen met hem vierhandig piano te spelen. Nadat de negentienjarige Bruckner haar jaren later had ontmoet, liet zij hem kennismaken met Schuberts muziek. Ook via een bevriende , Johann von Herbeck, raakte Bruckner bekend met Schuberts muziek. De noten van zijn illustere voorganger lieten Bruckner allerminst koud. Met onder meer zijn Negende symfonie en de grotere miszettingen plaveide Schubert de weg voor Bruckners grootse werken in die genres. Ook Schuberts zangerige k kreeg zijn weerslag in Bruckners oeuvre.
Franz Schubert (1797-1828)
Vierde symfonie
Door Dirk Luijmes
Voor Schuberts Vierde symfonie gaan we terug naar 1816. De negentienjarige componist had het niet erg naar zijn zin als hulpje op de school van zijn vader. Het onderwijzen van de kleine Weense blagen was verre van ideaal voor een jongeman die niks liever deed dan componeren. ‘Als ik inspiratie had, ergerde de kleine bende me vaak zo erg, dat ik de ën die door mijn hoofd speelden weer kwijtraakte. Natuurlijk gaf ik hen er danig van langs.’ Een sollicitatie elders als muziekleraar liep voor Schubert op niets uit. Ondanks dit soort tegenslagen componeerde hij er in zijn vrije tijd lustig op los. In 1816 schreef hij zo’n honderd eren, een Stabat Mater, piano- en kamermuziek en twee symfonieën. Een ervan was de Vierde symfonie in c klein, Schuberts eerste symfonie in een toonsoort. Naderhand betitelde Schubert het werk als de ‘Tragische’, maar deze vlag dekt de lading niet. Wellicht wilde Schubert zich spiegelen aan de krachtige werken in c klein van zijn idool Ludwig van Beethoven (waaronder diens pianosonate ‘Pathétique’ en Vijfde symfonie) maar daarmee kon de nog enigszins naïeve jongeling zich destijds niet meten.
Het eerste deel begint met een e inleiding; in het erna horen we een onrustig eerste en een tweede . Na het intieme liedachtige tweede deel volgt het derde deel dat Schubert to noemde, maar dat meer het karakter heeft van een beethoveniaans . Ook de Finale begint à la Beethoven, maar komt met de schubertiaanse lyriek van het tweede thema in een rustiger vaarwater. Vermoedelijk zal de componist de symfonie wel met zijn vrienden binnenskamers hebben uitgeprobeerd, maar een officiële openbare première ervan zou hij niet meemaken. De Vierde kwam pas op 19 november 1849 tot klinken, een uitgave volgde in 1881.
Anton Bruckner (1824-1896)
Tweede symfonie
Door Dirk Luijmes
Nadat Anton Bruckner in oktober 1871 aan het openingsdeel van zijn Tweede symfonie in c klein was begonnen lieten de andere delen nog op zich wachten. Toen die in september 1872 af waren, stuurde hij zijn symfonie naar de Wiener Philharmoniker, maar Otto Dessoff vond het werk ‘onspeelbaar’ en beschouwde het als ‘onzin’. Bruckner liet zich niet uit het veld slaan: met financiële steun van derden dirigeerde hij zelf de symfonie op 26 oktober 1873, bij de afsluiting van de Weense Wereldtentoonstelling. Het Weense Hofopernorchester bestond voor een groot deel uit leden van de Wiener Symphoniker. Het publiek was laaiend enthousiast en ook in de pers verschenen naast kritische noten positieve reacties. Ludwig Speidel was getuige van ‘onmiskenbare originele’ passages en invallen en ‘glanzende passages’; ‘men gelooft vaak een Sirene te horen zingen die ons wil meelokken in haar omarming.’ Ook Eduard Hanslick – die later weinig goeds over Bruckner zou schrijven – sprak van ‘een zeer ernstig, gevoelvol karakter’ en ‘talrijke, mooie, belangrijkere details’ maar moest tegelijkertijd niets hebben van de ‘onverzadigbare retoriek’. Mede op aanraden van anderen kortte Bruckner het werk in tot een versie die in februari 1876 klonk, en die een jaar later nog eens grondig door de componist onder handen werd genomen.
Vergeleken met Bruckners extraverte Eerste symfonie is de Tweede anders van toon. Dat blijkt al wanneer je de openingsthema’s vergelijkt: in de nieuwe symfonie horen we voor het eerst het klanktapijt dat de hoge strijkers met ’s neerleggen voor de klagende van de ’s. Opvallend zijn ook de stiltes die Bruckner laat vallen, de zogenaamde ‘Generalpausen’, voor het eerst voordat het tweede begint. Het maakt voor de luisteraar het grondplan van de duidelijker. Omdat ze regelmatig opduiken werd de Tweede symfonie destijds wel spottend de ‘Pausen-Symphonie’ genoemd. Het wondermooie langzame deel (dat in de allereerste versie als derde deel, ná het , klonk) doet religieus aan; het tweede thema wordt vaak als mystiek omschreven. Tegen het einde van dit deel citeert Bruckner een melodie uit het Benedictus van zijn Mis in f klein (1868) én horen we een passage die al vooruit wijst naar het uit zijn Negende symfonie; een moment dat volgens een commentator als ‘lucht van een andere planeet klinkt, zonder gewicht en bijna aan de andere zijde van de materie’.
Met het Scherzo komen we weer met beide benen op de grond te staan, al nodigen de verwijzingen naar een Ländler uit tot dansen. De Finale zit vol wilde erupties en contrastrijke thema’s; de signalen, die in het eerste deel op de achtergrond klonken, worden hier nieuwe bouwstenen. Na een Generalpause van bijna drie maten klinkt in dit slotdeel als derde thema opnieuw een citaat uit de Mis in f klein: nu uit het Kyrie. In 1878 (toen hij al vijf symfonieën op zijn naam had staan) schreef Bruckner in een brief dat hij met zijn Tweede symfonie waarschijnlijk ‘de voor het publiek meest begrijpelijke’ symfonie had geschreven, maar populair werd het werk nooit.
Nadat Bruckners Derde symfonie (in 1877) door de critici werd afgebrand, werd de Vierde positiever onthaald. Recensent Eduard Kremser maakte een vergelijking met Bruckners klassieke voorganger door (in 1881) op te merken: ‘Bruckner is de Schubert van onze tijd. Er bevindt zich zo’n stroom van gevoelens in zijn werken en het ene idee verdringt zo het andere dat men de rijkdom van zijn geest waarlijk moet bewonderen’.
Bij het Concertgebouworkest stond Schuberts Vierde symfonie op 3 maart 1912 voor het eerst op de lessenaars, de dirigent was Evert Cornelis. Nikolaus Harnoncourt leidde op 24 november 1997 de laatste uitvoering, in Parijs.
Bruckners Tweede stond op 9 januari 1913 voor het eerst op het programma, geleid door Willem Mengelberg; de laatste uitvoering was op 2 februari 1992 onder Riccardo Chailly.
Biografie
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Andrew Manze, dirigent
Met zijn geschiedenis als violist en ensembleleider (Academy of Ancient Music en The English Concert) in de historische uitvoeringspraktijk én jarenlange directie-ervaring in de eigentijdse concertpraktijk, is Andrew Manze evenveel thuis in romantische en moderne als in oudere muziek.
Van 2006 tot 2014 was hij chef- van het Helsingborgs , waarvan hij nu eredirigent is.
Hij was ook als vaste gastdirigent werkzaam bij het BBC Scottish Symphony Orchestra en het Noors Radio Orkest. Van 2014 tot de zomer van 2023 was Andrew Manze chef- van de NDR Radiophilharmonie in Hannover.
Dirigent en orkest ondernamen samen tweemaal een succesvolle tournee naar China en brachten een reeks cd’s uit met werken van Mozart en Mendelssohn, waarvan de eerste een Preis der deutschen Schallplattenkritik opleverde. Sinds het seizoen 2018/2019 is Andrew Manze tevens vaste gastdirigent van het Royal Liverpool Philharmonic Orchestra, waarmee hij onder meer alle symfonieën van Vaughan Williams op cd opnam. Als gastdirigent werkt de Engelsman geregeld met orkesten als de Münchner Philharmoniker, het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Stockholm en Camerata Salzburg. Hij is regelmatig te gast bij het Mostly Mozart Festival in New York.
In 2017 leidde Andrew Manze het Concertgebouworkest voor het eerst. De laatste samenwerking was in november 2023, toen werken van Elgar en Vaughan Williams op het programma stonden.

