Concertgebouworkest & Maria João Pires: Mozart

Koninklijk Concertgebouworkest
Iván Fischer dirigent
Maria João Pires piano

Dit programma maakt deel uit van de series B, F en Z.

Ook interessant:
- De mooiste opnames van Maria João Pires
- Hoe Nederlands is het werk van Alphons Diepenbrock?

Alphons Diepenbrock (1862-1921)  

Entr’acte: zwerftochten door het woud
uit Suite ‘Marsyas’ (1910, revisie E. Reeser 1960)

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)  

Pianoconcert nr. 9 in Es gr.t., KV 271 (1777) 
‘Jeunehomme’
Allegro
Andantino
Rondeau. Presto – Menuetto (cantabile) – Presto
cadensen: W.A. Mozart

pauze ± 21.00 uur

Antonín Dvořák (1841-1904)  

Symfonie nr. 8 in G gr.t., op. 88 (1889) 
Allegro con brio ~
Adagio 
Allegretto grazioso – Molto vivace 
Allegro ma non troppo 

einde ± 22.20 uur

                    

Toelichting

Alphons Diepenbrock (1862-1921)

Entr’acte uit ‘Marsyas’

Door Martijn Voorvelt

  • Alphons Diepenbrock

Alphons Diepenbrock in zijn werkkamer aan de Johannes Verhulststraat in Amsterdam, rond 1908

Lange tijd gold Nederland als een land zonder muziek. De glorietijd van de uit de Lage Landen kwam met de dood van Jan Pieterszoon Sweelinck in 1621 tot een einde. De eerste Nederlandse componist in bijna driehonderd jaar die internationale faam genoot was Alphons Diepenbrock. 

Ook al toonde hij al vroeg talent, Diepenbrock werd niet opgeleid als musicus, maar als classicus. In 1888 promoveerde hij op het werk van Seneca, waarna hij les begon te geven. Maar het beviel hem niet; hij richtte zich steeds meer op componeren. Zijn muziekkennis spijkerde hij bij met ­theorieboeken en concertbezoeken. In 1899 speelde het elf jaar eerder opgerichte Concertgebouworkest voor het eerst muziek van Diepenbrock, een jaar later debuteerde hij als . Hij zorgde dat hij dicht bij Het Concertgebouw kwam te wonen (op Johannes Verhulststraat 89), en met eerste dirigent Willem Mengelberg groeide een hechte vriendschap.

Diepenbrocks muziek werd sterk beïnvloed door Richard Wagner en Gustav Mahler (met wie hij en Mengelberg bevriend waren), maar vertoonde ook steeds meer Franse trekken. In de inspiratiebronnen vinden we zijn blijvende liefde voor de Klassieken terug. 

Zo ook in zijn muziek voor het toneelstuk Ma­rsyas, of de betoverde bron. De toneeltekst, van Diepenbrocks oud-leerling Balthazar Verhagen (1881-1950), was gebaseerd op een Griekse mythe over de muzikale strijd tussen de god Apollo en de faun ­Ma­rsyas (niet te verwarren met Pan). Het toneelstuk was weinig succesvol, de muziek des te meer. Diepenbrock maakte een orkestsuite die sindsdien regelmatig is uitgevoerd. Een van de populairste delen eruit is de ­Entr’acte tussen het eerste en het tweede bedrijf, die met sensuele, meanderende lijnen de sfeer van een oeroud bos oproept en daarmee een andere grote liefde van Diepenbrock verraadt: de natuur.

Diepenbrock wordt door vakbroeders vaak beschouwd als zwaar onderschat. Componist Otto Ketting (1935-2012) zei over zijn voorganger: ‘Voor diens yas geef ik Delius en Elgar cadeau’.

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

Negende pianoconcert

Door Paul Janssen

  • Wolfgang Amadeus Mozart

In zijn vroegste symfonieën en pianoconcerten kopieerde de jonge Wolfgang Amadeus Mozart vooral de stijl van Johann Christian Bach. In 1777 beleefde Mozart een duidelijke overgang van jeugd naar volwassenheid. In dat jaar ontstond het Pianoconcert in Es groot, KV 271, zijn negende pianoconcert. Lange tijd heeft men gedacht dat hij het concert schreef voor een Franse pianiste die luisterde naar de naam Jeunehomme. In 2004 ontrafelde de Weense musicoloog Michael Lorenz het geheim: de persoon waar het om gaat is Victoire Jenamay, de dochter van de danser en choreograaf Jean Georges Noverre, die weer een goede vriend was van de familie Mozart. In september 1778 verwijst Mozart in een brief aan zijn vader naar het concert als het ‘concert voor Jenomy’.

Hoewel ze geen professioneel ­pianiste was, waardeerde Mozart haar spel enorm, want hij gaf haar het langste, beste en meest gedurfde pianoconcert dat hij tot dan toe had geschreven. De solist wacht bijvoorbeeld niet op de gangbare orkestrale inleiding, maar begint direct na de eerste noten een sprankelende dialoog met het orkest. Dat is de basis voor het complete eerste deel: het orkest begint en de piano geeft antwoord. Alleen vlak voor de reprise draait Mozart veelbetekenend de volgorde een keer om. 

In het introspectieve tweede deel introduceert Mozart het instrumentale . Wyzewa en Saint-Fox, de auteurs die in hun omvangrijke biografie de bijnaam ‘Jeunehomme’ introduceerden, vergeleken dit deel terecht met een ‘tragisch recitatief uit een van Gluck’. Het slotdeel is een briljant vol noviteiten. Hoewel het schema eenvoudig lijkt – een door de solist geïntroduceerd keert steeds terug en wordt afgewisseld met episodes bestaande uit ander materiaal – heeft Mozart verschillende verrassingen ingebouwd. De grootste is misschien wel die in de derde episode, waarin een heus opduikt, alsof hij een compleet extra deel heeft willen toevoegen dat contrasteert in stemming en tempo.

Antonín Dvořák (1841-1904)

Achtste symfonie

Door Michiel Cleij

  • Antonin Dvořák

Toen Antonín Dvořák zijn Achtste symfonie schreef had hij een ware metamorfose doorgemaakt. De nederige musicus uit de Tsjechische regio Bohemen had de aandacht getrokken van Johannes Brahms, een geïnteresseerde uitgever had zich aangediend en Dvořáks composities vonden hun weg naar de Duitse, Engelse en Oostenrijkse concertpodia.

Met zijn prestige groeide ook Dvořáks zelfvertrouwen – voor een kunstenaar noodzakelijk wisselgeld in het contact met grillige uitgevers en opportunistische concertorganisatoren. Eerder had zijn karakteristieke bescheidenheid hem in de weg gestaan. Muzikale ideeën en vaardigheden had hij genoeg, maar – zoals hij later zei – de kunst om daarmee een reputatie op te bouwen schuilde in ‘het beteugelen van de scheppingsdrift, iets wat voor creatieve geesten ontzettend moeilijk is’. Inderdaad werd Dvořák door menig collega benijd om zijn (duidelijk Slavisch gekleurde) melodische en ritmische inventiviteit, en die bleef hij tot in zijn laatste werken demonstreren.

De expressieve beginmelodie van de cello’s zou een perfecte curtain-raiser van een opera kunnen zijn

Na zijn internationale doorbraak maakte zijn carrière een paar verrassende wendingen. Zo werd hij benoemd tot directeur van het conservatorium in New York, waar hij als inspirator voor jonge Amerikaanse componisten moest dienen. Verbazing wekte ook dat hij na negen symfonieën zijn aandacht plots verlegde naar symfonische gedichten. Sommige bewonderaars vonden dat een zwaktebod - muziek die op een verhaal leunde zou Dvořáks rijke fantasie onwaardig zijn - maar zijn uitgever was er blij mee: symfonische gedichten waren commercieel interessanter dan symfonieën.

Aan de publicatie van de Achtste symfonie ging dan ook heel wat gesteggel vooraf. Dvořák moest scherp onderhandelen over zijn honorarium, wetende dat hij met dit werk iets bijzonders had afgeleverd. Hij had ‘iets nieuws’ willen proberen en dat resulteerde in overrompelende, spontane muziek die nauwelijks in het strakke symfonische raamwerk lijkt te passen - een duidelijke voorbode van de programmamuziek die hij een paar jaar later zou schrijven. De suggestie van natuurbeleving, ontluikende liefde en, in het slotdeel, volksfeesten is zó sterk dat Dvořák er titels op had kunnen plakken. Dat had ook de verkoopbaarheid bevorderd en die uitgever gekalmeerd.

De expressieve beginmelodie van de ’s zou een perfecte curtain raiser van een kunnen zijn; het tekent Dvořáks impulsieve werkwijze dat hij deze introductie pas toevoegde toen het deel al voltooid was. Het leverde een fraai contrast op met het vogelmotiefje dat de fluiten spoedig laten horen. Ook de twee middendelen worden vooral gekenmerkt door hun rijke, volksliedachtige k.

Overigens is Dvořák in dit werk terughoudend met folkloristische kleuringen: Tsjechische dansritmes bespeur je alleen in het kekke ‘staartje’ van deel drie en, misschien, in de finale. Het slotdeel versterkt het effect van een afgerond verhaal: het hoofdthema van de strijkers is verwant aan de introductie van het eerste deel. Het wordt ingeleid door een fanfare waarover Rafael Kubelík, landgenoot van Dvořák, tijdens een repetitie zei: ‘Bij ons in Bohemen kondigt een trompet geen gevecht aan, maar dans!’

Biografie

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Iván Fischer, dirigent

Iván Fischer studeerde piano, viool, en compositie in Boedapest, en vervolgde zijn opleiding in Wenen met lessen orkestdirectie van Hans Swarowsky. Daarop was hij twee seizoenen lang assistent van Nikolaus Harnoncourt. In 1983 richtte Iván Fischer het Budapest Festival Orchestra op.

Met dit gezelschap, waarvan hij nog steeds chef- is, voerde hij vele vernieuwingen door, zoals ‘chocomel­concerten’ voor kleine kinderen, ‘Midnight Music’-concerten voor een jong publiek, verrassingsconcerten en verschillende educatie- en ­outreachprojecten, zoals een tournee langs voormalige synagogen.

Hij is actief als componist en regisseur met zijn Iván Fischer Opera Company en richtte diverse festivals op, waaronder het Vicenza Opera Festival. In het verleden stond hij aan het roer van Kent Opera, de Opéra National de Lyon, het National Sym­phony Orchestra in Washington en het Konzerthausorchester in Berlijn, waar hij sindsdien eredirigent is.

Bij het Concertgebouworkest is Iván Fischer al sinds 1987 vrijwel jaarlijks te gast. Vanwege zijn belangrijke artistieke bijdragen benoemde het orkest hem tot honorair gastdirigent met ingang van het seizoen 2021/2022. In maart kreeg hij de vijftiende Concertgebouw Prijs. Eerder ontving Iván Fischer de Kossuth Prijs, de Ovatie Prijs en de Crystal Award van het World Economic Forum voor het steunen van internationale cultuuruitwisseling, en is Chevalier des Arts et des Lettres en erelid van de Royal Academy of Music in Londen.

Iván Fischer beperkt zijn gastdirigentschappen tot slechts enkele orkesten om voldoende tijd en aandacht te kunnen geven aan het componeren, aan zijn Budapest Festival Orchestra en zijn operagezelschap, en aan het voortdurend ontwikkelen van creatieve ideeën. Hij is een erkend voorvechter voor mensenrechten, democratie en tolerantie.

Maria João Pires, piano

Maria João Pires werd geboren in Lissabon en gaf haar eerste publieke optreden op haar vierde. Ze begon haar pianostudie bij Campos Coelho en Francine Benoît en vervolgde deze in Duitsland bij Rosl Schmid en Karl Engel. Sinds de jaren 1970 is ze zich steeds meer gaan bezinnen op de rol die kunst speelt in het dagelijks leven, de samenleving en de opvoeding.

In 1999 richtte ze in haar geboorteland het Belgais Centre for the Study of the Arts op, waar ze geregeld masterclasses geeft aan zowel professionele musici als muziekliefhebbers. In 2012 initieerde Maria João Pires vanuit Brussel Partitura Choirs, dat koren opricht voor kinderen uit kansarme gezinnen, en Partitura Workshops. Binnen het Partitura-project werkt Maria João Pires samen met een groep pianisten van een jongere generatie.

Bij een optreden in Het Concertgebouw op 12 september 2017 met het Orkest van de Achttiende Eeuw speelde ze in dat kader zelf het Vierde pianoconcert van Beethoven en bood ze de jonge Armeniër Ashot Khachatourian het podium voor het Twintigste pianoconcert van Mozart. Met het Derde pianoconcert van Beethoven was Maria João Pires op 19 september 2022 te gast in Het Concertgebouw met het Braziliaanse jeugdorkest Neojiba, en op 2 oktober van datzelfde jaar gaf ze een solorecital met s van Schubert en Beethoven en de bergamasque van Debussy. Sinds haar eerste engagement bij het Concertgebouworkest in 1987 keerde de pianiste daar regelmatig terug. De laatste samenwerking met het orkest was afgelopen december in Mozarts Negende pianoconcert ‘Jeunehomme’ gedirigeerd door Iván Fischer.