Concertgebouworkest Inside Out met Iván Fischer

Concertgebouworkest
Iván Fischer dirigent
Anna Prohaska sopraan

Anders dan eerder aangegeven is er geen pauze. In verband met de lengte van het programma kan Iván Fischer besluiten een of meer werken weg te laten.

Lees hier de zangteksten.

Ook interessant:
- Infographic: de componistennamen in Het Concertgebouw
- De column van orkestlid Anna de Vey Mestdagh
- Boekentip: Het grote zwijgen, door Erik Menkveld

Antonín Dvorák (1841-1904)

Slavische dans, op. 72 nr. 1 (1886)

Béla Bartók (1881-1945)

Intermezzo interrotto
uit ‘Concert voor orkest’ (1943-45)

Julius Röntgen (1855-1932)

Con moto e con delicatezza
uit ‘Symphonietta humoristica’ (1922)
eerste uitvoering door het Concert­gebouworkest

Richard Strauss (1864-1944)

Ich wollt ein Sträusslein binden
uit ‘Sechs Lieder’, op. 68 (1918, ­orkestratie 1933)
eerste uitvoering door het Concert­gebouworkest

Cornelis Dopper (1870-1939)

Burleske (Bauernhochzeit)
uit ‘Symfonie nr. 7, ‘Zuiderzee’’ (1917)

Claude Debussy (1862-1918)

Danse profane voor harp en strijkers (1904)
soloharp: Anneleen Schuitemaker

Alphons Diepenbrock (1862-1921)

Clair de lune
uit ‘Cinq mélodies’ (1907)
eerste uitvoering door het Concert­gebouworkest

César Franck (1822-1890)

Les jardins d’Eros
uit ‘Psyché’ (1887)

Gustav Mahler (1860-1911)

Blumine (1883-88)

Anton Bruckner (1824-1896)

Scherzo: Presto
uit ‘Symfonie in d kl.t., ‘Nulde’’, WAB 100 (1869)

Bernard Zweers (1854-1924)

Voorspel tot het tweede bedrijf
uit ‘Suite ‘Gijsbrecht van Aemstel’’ (1892-94)

Pjotr Tjsaikovski (1840-1893)

Trepak
uit ‘Suite ‘De notenkraker’’ (1892)

Johan Wagenaar (1862-1941)

Allegro marciale
uit ‘Sinfonietta’, op. 32 (1917)

Max Reger (1873-1916)

Mariä Wiegenlied
voor sopraan en kamerorkest (orkestratie 1915)
uit ‘Schlichte Weisen’, op. 76 (1904-12)

Maurice Ravel (1875-1937)

La flûte enchantée
uit ‘Shéhérazade’ (1903)

Willem Pijper (1894-1947)

Molto tranquillo – Allegro assai
uit ‘Zes symfonische epigrammen’ (1928)

Igor Stravinsky (1882-1971)

Scherzo à la Russe (1944, symfonische versie 1945)

einde ± 21.45 uur

Toelichting

Klinkende namen

Door Martijn Voorvelt

Al 35 jaar betreedt Iván Fischer regelmatig de bekende lange trap naar het podium. ‘Als ik die afdaal, moet ik goed naar mijn voeten kijken om niet te vallen. Maar zo nu en dan kijk ik omhoog. En wat zie ik dan? Bartók en Röntgen! Dat is zo’n bizarre combinatie, dat ik een paar jaar geleden op het idee kwam om Béla Bartók en Julius Röntgen in een programma te combineren, omdat ze daar aan dat balkon tot elkaar veroordeeld zijn. Later breidde ik het idee uit tot de hele groep componisten … De meeste namen aan de balkonrand werden toegevoegd in 1925. Dit programma biedt dus inzicht in de muzikale smaak van honderd jaar geleden. Het is een tijdmachine.’

Het concert van 9 februari is onder de naam Inside Out het derde in een reeks unieke luisterervaringen van het Concertgebouworkest. Een deel van het publiek zit te midden van de orkestmusici, die om de heen gegroepeerd zijn in het midden van de zaal. Een deel van de stoelen staat om het orkest heen.

Dvořák

Hoezeer de muzikale smaak ook verandert, de naam die helemaal rechts aan het balkon prijkt blijft altijd synoniem met meesterschap: Antonín Dvořák. De Boheemse componist schreef twee bundels met elk acht Slavische dansen, geïnspireerd door de volksmuziek van zijn geboortestreek. De eerste bracht hem in 1878 voorzichtige roem. Negen jaar later publiceerde de inmiddels gevestigde componist de tweede set. Die gaat feestelijk van start met een odzemek, een traditionele Slowaaks-Moravische dans voor mannen.

Bartók

Wie volksmuziek zegt, zegt Béla Bartók: de Hongaar bestudeerde niet alleen traditionele ën uit onder meer Oost-Europa, maar verwerkte die ook graag in zijn composities. Zo ook in het Concert voor orkest, dat hij vlak voor zijn dood schreef. Het vierde en voorlaatste deel begint met twee volksmuziek-achtige ’s in onregelmatige en. Die worden bruut onderbroken (vandaar de titel, die ‘onderbroken tussenspel’ betekent) door een nogal banaal thema waarmee Bartók parodiërend verwijst naar SjostakovitsjZevende symfonie.

Röntgen

Luchtiger zijn de muzikale grappen in het Symphonietta humoristica van Julius Röntgen. De van oorsprong Duitse componist, pianist en zette zich vanaf zijn komst naar Nederland in 1877 actief in voor het zieltogende Amsterdamse muziek­leven. Hij nodigde bijvoorbeeld ­Johannes Brahms uit en stond mede aan de wieg van zowel het Amster­damsch Conservatorium als Het Concert­gebouw.

Menig Concertgebouwbezoeker vraagt zich af: wie is toch die Dopper?

Hoewel het chef-­dirigentschap van het nieuwe Concertgebouworkest aan Röntgen voorbij ging, bleef hij nauw betrokken. Dankzij zijn vriendschap met Edvard Grieg vond in 1898 de eerste grote buitenlandtournee plaats: naar Noorwegen.

Rich. Strauss

Een andere componist/dirigent die onlosmakelijk verbonden is met de geschiedenis van het Concertgebouworkest is Richard Strauss. De Duitser droeg in 1898 Ein Heldenleben op aan het orkest en zijn chef Willem Mengelberg, en stond hier vele malen op de bok. Bijna zeventig werken van Strauss staan op het repertoire van het orkest, maar zijn Sechs ­er – uitgezonderd het vijfde lied – nog niet.

Uit de bundel op gedichten van Clemens Brentano (1778-1842) klinkt het tweede lied, waarin de ik-­persoon definitief zijn liefje kwijtraakt omdat hij de enige bloem die hij ’s nachts voor haar kan plukken uit medelijden laat staan.

Dopper

Menig Concertgebouwbezoeker vraagt zich af: wie is toch die Dopper? En wat doet hij daar tussen de giganten Strauss en ­Debussy? Cornelis Dopper werd in 1908 door Willem Mengelberg aangesteld als tweede dirigent van het Concertgebouworkest. Dat bleef hij tot 1931. Dopper dirigeerde belang­rijke Neder­landse premières, zoals die van ­Debussy’s La mer en Ravels Ma mère l’Oye, maar ook een veertigtal ­eigen werken, die te boek stonden als degelijk en conservatief.

Een doorn in het oog van componist en criticus ­Matthijs Vermeulen, die zich in 1918 niet meer kon inhouden na het slot­ van Doppers Zuiderzee-­symfonie en uitriep: ‘Leve Sousa!’ (ofwel: dan nog liever de oerconservatieve en van John Philip Sousa). Vermeulen werd tijdelijk de toegang tot Het Concert­gebouw ontzegd.

Debussy

Ook Claude Debussy heeft een band met het Concert­gebouworkest. Zijn muziek is altijd geliefd geweest bij het Amsterdamse publiek. In 1914, vier jaar voor zijn dood, stond hij – doodziek – zelf op de bok. Hij werd toegejuicht als een held. Zijn tweedelige Danse sacrée et danse profane geeft de harpist alle kans om te schitteren. Bij het Concertgebouworkest werd de solopartij ooit gespeeld door de illustere soloharpisten Paula Fischer (de eerste vrouw in het orkest), Rosa Spier, Phia Berkhout en Vera Badings. Dit keer speelt Anneleen Schuitemaker, orkestlid sinds 2020, de solo in het sensuele tweede gedeelte.

Diepenbrock

De Nederlandse classicus en componist Alphons Diepenbrock was een vriend van Mengelberg en Gustav Mahler, wiens muziek in toenemende mate werd beïnvloed door Debussy en andere Franse muziek. De Cinq mélodies op gedichten van Charles Baudelaire (1821-1867) vinden we niet onder de tientallen werken die het Concertgebouworkest van hem uitvoerde. Clair de lune is dus een orkestpremière.

Franck

Behalve een invloedrijk componist, organist en compositiedocent was César Franck een vroom katholiek. Dat deze asceet – volgens sommige leerlingen een ‘engel’ – op latere leeftijd een symfonisch gedicht baseerde op het mythische verhaal van Eros en Psyche werd als choquerend ervaren. Maar orkesten konden niet om de prachtige muziek heen en hoewel het zelden in zijn geheel wordt gespeeld, waren losse delen begin twintigste eeuw zeer geliefd. Willem Mengelberg zette deze muziek meer dan vijftig keer op de lessenaar.

Sinds 1943 heeft het Concertgebouworkest nooit meer iets van Zweers gespeeld.

Mahler

In 1902 werd Mengelberg gegrepen door de muziek van de toen nog niet bijster populaire Gustav Mahler. Er ontstond een hechte band tussen de dirigent en de Weense componist, die drie keer naar Nederland kwam om zijn symfonieën te dirigeren. Mengelberg en het Concertgebouworkest waren daarmee hun tijd ver vooruit. Ter gelegenheid van het eerste Mahler Feest in 1920 kreeg de componist postuum zijn eigen cartouche in de . Het lied Blumine maakte aanvankelijk deel uit van de Eerste symfonie, maar op aanraden van zijn vrouw Alma schrapte Mahler het. Pas in 1966 werd het teruggevonden.

Bruckner

Een andere grote symfonicus wiens naam aan het Concert­gebouworkest is verbonden, is de Oostenrijker Anton Bruckner, die in eigen land verguisd werd. Het Amsterdamse orkest heeft internationaal een hoofdrol gespeeld bij de geleidelijke appreciatie van met name de symfonieën 1 tot en met 9. Minder bekend is de Symfonie in d klein, die na de Eerste ontstond.

Uit het veld geslagen door een kritische opmerking besloot de immer onzekere Bruckner jaren later dat ze niet goed genoeg was en schreef op de voorpagina ‘Annuliert’ en het symbool ∅, dat later werd gelezen als ‘0’. Toch doet deze ‘Nulde’ niet onder voor zijn andere symfonieën. Het onstuimige lijkt wel vooruit te wijzen naar Sjostakovitsj.

Zweers 

Amsterdammers zijn bekend met de Bernard Zweerskade. Maar Zweers’ muziek hoor je nooit. Dat was vroeger wel anders. Amper drie maanden na zijn eerste concert voerde het Concertgebouw­orkest al muziek uit van deze componist en koordirigent, die zich inzette voor een Nederlandse nationale toonkunst met teksten van vaderlandse dichters. Zijn werk keerde nog vaak terug op de orkestprogramma’s. Tot 1943: sindsdien heeft het orkest nooit meer iets van Zweers gespeeld. Is dat terecht? Oordeel zelf, aan de hand van een deeltje uit Zweers’ toneelmuziek voor Joost van den Vondels Gijsbrecht van Aemstel.

Tsjaikovski

Pjotr Tsjaikovski was een van de meest gespeelde componisten toen het Concertgebouworkest werd opgericht, en is dat nog steeds. De belofte dat hij het orkest zou komen dirigeren werd niet ingelost, omdat de componist voortijdig kwam te overlijden. Elf maanden eerder was De notenkraker in première gegaan – zowel het ballet als de orkestsuite zijn nog altijd razend populair. Een onmisbaar onderdeel is de Trepak, gebaseerd op een Russisch-Oekraïense dans. In Walt Disneys film Fantasia (1940) wordt op de muziek gedanst door orchideeën en distels.

Stravinsky werd in 1952 aan de balkonrand toegevoegd, waarna alleen Dvořák nog zou volgen, in 1954.

Wagenaar

Johan Wagenaar speelde als componist, dirigent, organist en pedagoog een vooraanstaande rol in het Utrechtse en Haagse muziek­leven. Zijn sprankelende ouvertures hebben een heel eigen stijl, met kenmerkende humor en kleurrijke orkestraties. Het Sinfonietta componeerde hij als dank voor het eredoctoraat dat de Universiteit Utrecht hem in 1916 verleende. Hoewel het niet de hitstatus heeft van zijn ouvertures ‘Cyrano de Bergerac’ of ‘De getemde feeks’, verdient het elegante werk zeker een plek op de orkestpodia. In het opgewekte slotdeel is onder meer een studentenmars verwerkt die begin achttiende eeuw in Harderwijk in zwang was.

Reger

1916 was ook het jaar dat de – toen vooral door collega-musici gewaardeerde – Max Reger voor het eerst naar Amsterdam kwam om als dirigent én als pianosolist met het Concertgebouworkest op te treden. Helaas ook voor het laatst: Reger, die al lang worstelde met ernstige depressies en alcoholisme, stierf zes weken later, slechts 43 jaar oud, in een hotel in Leipzig. Nadien sloeg Regers gelaagde en kleurrijke muziek geleidelijk aan bij een breder publiek. Het tedere Mariä Wiegenlied is een van de zestig liederen die Reger publiceerde als Schlichte Weisen.

Ravel

Een jonge slavin waakt bij haar slapende meester; buiten speelt haar geliefde een zoete fluit­melodie, die haar raakt als een kus. La flûte enchantée is afkomstig uit de oosters-­geïnspireerde liedcyclus Shérérazade van Maurice Ravel, een meester in het oproepen van ­mystieke, exotische sferen. Het oriëntalisme is typerend voor de kunsten rond de eeuwwisseling, vooral in Frankrijk. Ravel zou later bij het Concertgebouw­orkest enkele van zijn populairste werken dirigeren: in 1923 La valse en Ma mère l’Oye, in 1932 het Pianoconcert in G groot en zijn ‘tophit’ .

Pijper

Willem Pijper geldt als grondlegger van het Nederlandse modernisme in de muziek. Als componist, docent en essayist werd hij gewaardeerd, als criticus gevreesd. Bij het Concertgebouworkest stonden zijn werken sinds 1918 vele malen op de programma’s. De Rotterdammer dirigeerde het orkest ook zelf enkele keren. De laatste keer was in 1928, met op de lessenaar de Zes symfonische epigrammen die hij schreef ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van het Concertgebouworkest. Na zijn dood in 1947 werd Pijper geëerd met een cartouche in de Grote Zaal.

Stravinsky

Igor Stravinsky, zonder twijfel een van de grootste componisten van de twintigste eeuw, was bij het Concertgebouworkest tussen 1924 en 1937 meerdere keren te gast als dirigent en pianist. Zijn naam werd in 1952 aan de balkonrand aangebracht, waarna alleen Dvořák nog zou volgen, in 1954.

Stravinsky’s muzikale handtekening is onmiskenbaar in het aanstekelijke Scherzo à la Russe, dat bij het Concertgebouworkest nog maar weinig klonk: alleen in 1975, en daarna in 1998 (ook op tournee) onder Riccardo Chailly. Tijd voor een hernieuwde kennismaking.

Biografie

Iván Fischer, dirigent

Iván Fischer studeerde piano, viool, en compositie in Boedapest, en vervolgde zijn opleiding in Wenen met lessen orkestdirectie van Hans Swarowsky. Daarop was hij twee seizoenen lang assistent van Nikolaus Harnoncourt. In 1983 richtte Iván Fischer het Budapest Festival Orchestra op.

Met dit gezelschap, waarvan hij nog steeds chef- is, voerde hij vele vernieuwingen door, zoals ‘chocomel­concerten’ voor kleine kinderen, ‘Midnight Music’-concerten voor een jong publiek, verrassingsconcerten en verschillende educatie- en ­outreachprojecten, zoals een tournee langs voormalige synagogen.

Hij is actief als componist en regisseur met zijn Iván Fischer Opera Company en richtte diverse festivals op, waaronder het Vicenza Opera Festival. In het verleden stond hij aan het roer van Kent Opera, de Opéra National de Lyon, het National Sym­phony Orchestra in Washington en het Konzerthausorchester in Berlijn, waar hij sindsdien eredirigent is.

Bij het Concertgebouworkest is Iván Fischer al sinds 1987 vrijwel jaarlijks te gast. Vanwege zijn belangrijke artistieke bijdragen benoemde het orkest hem tot honorair gastdirigent met ingang van het seizoen 2021/2022. In maart kreeg hij de vijftiende Concertgebouw Prijs. Eerder ontving Iván Fischer de Kossuth Prijs, de Ovatie Prijs en de Crystal Award van het World Economic Forum voor het steunen van internationale cultuuruitwisseling, en is Chevalier des Arts et des Lettres en erelid van de Royal Academy of Music in Londen.

Iván Fischer beperkt zijn gastdirigentschappen tot slechts enkele orkesten om voldoende tijd en aandacht te kunnen geven aan het componeren, aan zijn Budapest Festival Orchestra en zijn operagezelschap, en aan het voortdurend ontwikkelen van creatieve ideeën. Hij is een erkend voorvechter voor mensenrechten, democratie en tolerantie.

Anna Prohaska, sopraan

Klassik riep Anna Prohaska uit tot zangeres van het jaar 2024, en in het lopende concertseizoen is ze spotlight artist van het Toronto Symphony Orchestra. De Oostenrijks-Engelse sopraan studeerde aan de Musikhochschule ‘Hanns Eisler’ in haar woonplaats Berlijn, waar ze op achttienjarige leeftijd debuteerde aan de Komische Oper en op twintigjarige leeftijd aan de Staatsoper Unter den Linden.

Sinds 2006 is ze aan deze laatste vast verbonden, en sinds 2008 staat ze ook regelmatig op de Salzburger Festspiele.

Anna Prohaska werd geëngageerd door La Scala in Milaan, de Hamburger Staatsoper, de Bayerische Staatsoper, het Theater an der Wien, het Bolsjoi Theater in Moskou, het Royal House in Londen, de Opéra National de Paris en De Nationale Opera in Amsterdam. In oratoria en vocaalsymfonisch repertoire zong ze met de Wiener en de Berliner Philharmoniker (debuut 2007), het London Symphony Orchestra, het NHK Symphony Orchestra, Tokyo en de orkesten van Los Angeles, Cleveland en Boston.

Bij het Concertgebouw­orkest debuteerde ze in de Kerstmatinee van 2014 (Mahlers Vierde symfonie met Mariss Jansons) en keerde ze terug in 2020 (Gluck, Händel, Mozart en Rameau) en 2023 (in een programma van Iván Fischer over de cartouches van de ).

Oude muziek zong Anna Prohaska met bijvoorbeeld het Freiburger Barockorchester, de Academy of Ancient Music en – ook in de Grote Zaal in 2016 – Il Giardino Armonico. Anderzijds droegen hedendaagse componisten als Widmann en Rihm hun werken aan haar op.

In de bracht de sopraan eerder tische programma’s in 2015 (ron­dom Shakespeares Ophelia) en 2018 (Behind the Lines, met de Eerste Wereldoorlog als onderwerp). Een eerdere uitnodiging voor Paradise Lost, dat inmiddels ook op cd is verschenen, kon in december 2020 vanwege de coronapandemie niet doorgaan.