Concertgebouworkest en Paavo Järvi: Brittens Vioolconcert

Koninklijk Concertgebouworkest
Paavo Järvi dirigent
Baiba Skride viool

Benjamin Britten 1913-1976

Vioolconcert, op. 15
(1938-39, revisie 1950)
Moderato con moto
Vivace
Passacaglia: Andante lento

pauze

Maurice Ravel 1875-1937

Le tombeau de Couperin
(1914-17, georkestreerd 1919)
suite d’orchestre
Prélude
Forlane
Menuet
Rigaudon

Tweede suite uit ‘Daphnis et Chloé’
(1909-13)
Lever du jour
Pantomime
Danse générale

Toelichting

Benjamin Britten 1913-1976

Vioolconcert

‘It is rather serious, I’m afraid,’ schreef Benjamin Britten zijn uitgever met ongeëvenaard gevoel voor understatement, ‘but it’s got some tunes in it’. er dan met de openingsmelodie van de solist – ingebed in een Spaans aandoende ritmische begeleiding – had Britten zijn Vioolconcert nauwelijks kunnen beginnen. De onaardse schoonheid ervan, maar ook de hoekiger lijn van het militair aandoende tweede dat uit de begeleidingsfiguur lijkt voort te komen, herinneren ogenblikkelijk aan dat ándere als vioolconcert vermomde requiem: het Vioolconcert van Alban Berg. In 1936, kort na Bergs overlijden, en slechts weken voordat Franco’s gewelddaden wereldnieuws werden, had Britten de wereldpremière van dat werk in Barcelona bijgewoond. En hij was diep geroerd. Een kleine drie jaar later, gedesillusioneerd door de lafheid van het Britse politieke establishment en zich niet langer thuis voelend in het voor homoseksuelen en links georiënteerden vijandige klimaat in Engeland, week Britten uit naar de Verenigde Staten. Twee onvoltooide partituren nam hij mee: de vocale cyclus Les illuminations en het Vioolconcert. Het uiterst virtuoze Vioolconcert werd een in memoriam voor de vele vrijwilligers die vielen in de Spaanse Burgeroorlog. De melancholieke ondertoon is door het langzame (!) openingsdeel al gezet.

Het middendeel heeft de duistere ritmische drive van een Prokofjev-. De solopartij behoudt zijn schoonheid maar lijkt, zoals dikwijls ook in de soloconcerten van Prokofjev en Sjostakovitsj, te worden opgejaagd door het verontrustend agressieve weerwoord uit het orkest. Het dramatische zwaartepunt bewaart Britten echter voor de finale, die onmiddellijk na de uitvoerige solocadens inzet. De oude vorm van de passacaglia, een reeks variaties op een steeds terugkerende in de bas, is een ode aan Brittens illustere voorganger, Henry Purcell. Boven de stapsgewijs stijgende en dalende lijn ontvouwt zich een droeve, bijna Mahler-achtige wereld. Verschillende ‘muzieken’ worden met elkaar geconfronteerd, de quasi-heroïsche ­ritmiek en de Spaanse elementen uit het eerste deel, de Prokofjev-achtige zwaarte in de orkestratie, een macabere , een Jiddische weeklacht... Even lijkt ook de violist niet aan het alomtegenwoordige passacaglia- te kunnen ontkomen. Enige berusting lijkt uit de voorlaatste (geheel orkestrale) variatie te spreken. Maar terwijl en elkaar al ruim een half uur lang in een ambivalent evenwicht hebben gehouden en het orkest na een groots lamento van de solist uiteindelijk neerzijgt op een leeg op D groot, glijdt de muziek stil weg in een triller die de kleine terts benadrukt.

Onno Schoonderwoerd

Maurice Ravel 1875-1937

le tombeau de couperin

Je moet een ingenieus instrumentator zijn om van één en dezelfde compositie gelijkwaardige versies voor piano solo en voor orkest af te kunnen leveren. Zo iemand was Maurice Ravel, die zijn (meeste) pianostukken orkestreerde en die een zeer symfonisch stuk als La valse overtuigend reduceerde tot pianomuziek. Hij kreeg het zelfs voor elkaar om van de Boléro – in essentie een stuk over orkestrale kleur en massa – een bloedspannend quatre-mains­arrangement te maken. Iets dergelijks, maar dan omgekeerd, deed hij met Le de Couperin. De oerversie is pure klaviermuziek en rijk aan vingertechnisch vernuft. Ravel componeerde het als hommage aan François Couperin en andere vertegenwoordigers van de zeventiende-eeuwse Franse klavecimbeltraditie.

En toch komen al die ke versierinkjes uitstekend tot hun recht in Ravels inventieve, caleidoscopische – al liet hij twee delen weg. De die in het origineel op de Prélude volgt (overigens de enige fuga die hij ooit publiceerde) klinkt zelfs in die pianoversie wat onwennig en stroef. En de afsluitende Toccata bleek zelfs voor doorgewinterde pianisten zó moeilijk te spelen dat de componist dat deeltje achteraf als ‘ronduit klungelig’ afdeed. Niet alleen voor Couperin is de een ‘gedenkteken’. Ravel droeg elk afzonderlijke deel op aan vrienden die sneuvelden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Zo is de Prelude opgedragen aan Luitenant Jacques Charlot, de Forlane aan Luitenant Gabriel Deluc, het aan Jean Dreyfus en de Rigaudon aan Pierre en Pascal Gaudin. Met zijn typische classicistische onderkoeldheid schreef Ravel echter muziek die nergens van rouw getuigt, maar die juist vitaal en fris aandoet. Desgevraagd antwoordde hij: ‘De doden zijn al treurig genoeg.’ Ook Rolf de Maré, choreograaf en oprichter van Les Ballets Suédois – in Parijs de Zweedse opvolgers van Serge Diaghilevs beroemde Les Ballets Russes – zag vooral de beweeglijkheid van de muziek en maakte er in 1920 een ballet bij.

Michiel Cleij

Maurice Ravel 1875-1937

tweede suite uit ‘daphnis et chloé’

Onder zijn vroege werken treffen we titels aan als antique en pour une infante défunte. De dans was bij Maurice Ravel van jongs af aan in de meest uiteenlopende vormen aanwezig, waarbij zijn affiniteit met de Franse muziek zeker meespeelde. Hij was dan ook zeer ingenomen met het voorstel van de Russische, naar Parijs uitgeweken balletimpresario Serge Diaghilev om voor diens gezelschap Les Ballets Russes een omvangrijke te componeren. Besloten werd een ballet te baseren op een antiek Grieks onderwerp.

Na overleg met choreograaf en scenarist Michel Fokine en decor- en kostuumontwerper Léon Bakst koos het tweetal voor een charmante pastorale van Longus, een Griekse dichter uit de derde of vierde eeuw voor Christus. Het gaat hier om de liefde van Daphnis en Chloé, twee onbekommerd in de bossen levende jonge mensen. Daphnis moet het opnemen tegen enkele rivalen en het komt zelfs zover, dat Chloé door piraten – hoe die in de Griekse bossen terecht zijn gekomen blijft onduidelijk – wordt ontvoerd. Maar de god Pan, beschermer van het bos en de herders, grijpt in en het tweetal wordt herenigd, waarna iedereen zich in een woest bacchanaal stort. Het balletscenario is zeer gedetailleerd, maar de vloeiende muziek geeft meer sfeer dan intrige weer. Ravel sprak zelf van ‘een choreografische symfonie’. Hij lichtte uit deze omvangrijke , waaraan behalve een grote orkestbezetting ook een koor te pas komt, enkele samenhangende delen en bundelde die tot twee orkestsuites. De tweede , die ongeveer het laatste kwart van het oorspronkelijke werk vormt, begint met een zielsverrukkende zonsopgang. Via een idyllisch middendeel met een van de beroemdste fluitpartijen uit het orkestrepertoire belanden we in een uitzinnig dansfeest. De dansers van Les Ballets Russes hadden overigens veel moeite met de vijfkwartsmaat van de Danse générale en telden tijdens de repetities hardop door de naam Serge Diaghilev (Dia als Dja uit te spreken) te scanderen. Vooral in de vorm van deze tweede suite maakte Daphnis et Chloé zich al snel los van de dansvloer om aan een tweede leven in de concertzaal te beginnen.

Aad van der Ven

Biografie

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Paavo Järvi, dirigent

Paavo Järvi studeerde directie in zijn geboorteland Estland, aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia en bij Leonard Bernstein in Los Angeles. Sinds het seizoen 2019/2020 is hij chef- van het Tonhalle-­Orchester Zürich. In het verleden had Paavo Järvi vergelijkbare posities bij het NHK Symphony Orchestra in Tokio, het Orchestre de Paris, het hr-Sinfonie­orchester Frankfurt, het Cincinnati Symphony Orchestra en het Malmö ­.

Sinds 2004 is hij artistiek leider van Die Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, en bij het Nationaal Symfonie­orkest van Estland is hij artistiek adviseur. Ieder seizoen sluit de af met een week van uitvoeringen en masterclasses op het Pärnu Music Festival in Estland, dat hij in 2011 heeft opgericht.

Paavo Järvi ontving tal van prijzen en onderscheidingen, waaronder de Orde van de Witte Ster (2013) en de Orde van Verdienste (2021) van de Republiek Estland. Zowel Diapason als Gramophone riepen hem in 2017 uit tot Artist of the Year en in september 2019 werd hij verkozen tot Opu­s Klassik Conductor of the Year. ­Opnamen onder zijn leiding van werken van ­Sibe­lius, Grieg en Tsjaikovksi waren goed voor Grammy Awards.

Als gastdirigent is Paavo Järvi actief met gezelschappen als de Berliner en Wiener Philharmoniker, de Staatskapelle Dresden, het Gewandhausorchester Leipzig en de New York Philharmonic. Sinds zijn debuut bij het Concertgebouworkest in 2004 keerde hij met grote regelmaat terug, zoals in november 2019 voor concerten in Amsterdam en op tournee in Taiwan en Japan. In juni 2023 leidde hij de Ammodo Masterclass Dirigeren. Bij de meest recente samenwerking, in april en mei 2025, stonden werken van Mägi, Saint-Saëns en Stravinsky op het programma.

Baiba Skride, viool

Baiba Skride groeide op in een muzikale familie in Riga en gaf haar eerste concert toen ze vijf jaar oud was. Haar muzikale opleiding genoot ze aan het conservatorium van Rostock, waar ze studeerde bij Petru Munteanu. In de beginjaren van haar carrière won de Letse violiste een reeks onderscheidingen, waaronder in 2001 de eerste prijs van het Koningin Elisabeth Concours. Rond dezelfde tijd jaar debuteerde ze bij het Residentie Orkest Den Haag, en bij dit gezelschap is ze in het huidige concertseizoen artist in residence.

Baiba Skride trad in de loop der jaren als solist op met tal van orkesten, waaronder het London Symphony Orchestra, de New York Philharmonic, het Orchestre de Paris, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, de Berliner Philharmoniker en het Concertgebouworkest.

Als kamermusicus vormt Baiba Skride een duo met haar zus, de pianiste Lauma Skride; bovendien richtten zij samen het Skride Kwartet op. Dit pianokwartet maakte onlangs zijn eerste cd, tourde afgelopen november in Australië en debuteerde afgelopen januari in de van Het Concert­gebouw. In de Eigen Programmering van Het Concertgebouw was Baiba Skride voor het laatst te beluisteren op 17 september 2018, toen ze met het Boston Symphony Orchestra onder leiding van Andris Nelsons de van Bernstein uitvoerde. Baiba Skride bespeelt de ‘Yfrah Neaman’-Stradivarius uit 1724.