Concertgebouworkest en Janine Jansen: Romantiek
Koninklijk Concertgebouworkest
Andrés Orozco-Estrada dirigent
Janine Jansen viool
Dit programma maakt deel uit van de Series B en E.
Het concert van 19 juni wordt opgenomen door avrotros voor uitzending op zondag 21 juni om 14.15 uur via npo radio 4.
Carl Maria von Weber 1786-1826
Ouverture ‘Euryanthe’, op. 81 (1822-23)
Felix Mendelssohn 1809-1847
Vioolconcert in e kl.t., op. 64 (1844)
Allegro molto appassionato (cadenza ad lib)
Andante
Allegretto non troppo - Allegro molto vivace
pauze
Antonin Dvořák 1841-1904
Zevende symfonie in d kl.t., op. 70 (1884-85)
Allegro maestoso
Poco adagio
Scherzo: Vivace - Poco meno mosso
Finale: Allegro
Toelichting
Carl Maria von Weber: 1786-1826
Ouverture ‘Euryanthe’, op. 81 (1822-23)
Carl Maria von Weber, neef van Mozarts echtgenote Constanze, was een tijdgenoot van Ludwig van Beethoven. Ook hij was, hoewel stevig geworteld in de , een voorbode van de . Webers muziek kondigt de sprookjessferen van Mendelssohn aan en loopt soms in de opzettelijk kinderlijke spontaniteit vooruit op Schumann. Als zoon van een impresario was Weber voorbestemd voor een theatercarrière. Hij reisde door Europa als pianovirtuoos en ; maar al op zijn twaalfde had hij zijn eerste geschreven, en oude liefde roest niet. Eenmaal verzekerd van een vast inkomen als theaterdirecteur – in Praag, later in Dresden – ontpopte hij zich tot een serieuze Duitse concurrent van de Italiaanse operacomponisten. Na zijn doorbraak – met Der Freischütz, de eerste grote ‘romantische’ Duitse opera – schreef hij een reeks succesvolle opera’s. Is Weber daarom een onsterfelijk operacomponist? Nee: hij is een onsterfelijk ouverturecomponist. Want de opera’s, meestal gehinderd door zwakke libretto’s, worden zelden nog integraal uitgevoerd. De ouvertures daarentegen staan als een huis. Ze bieden de belangrijkste melodische ’s van de hele opera in potpourrivorm en zijn altijd speels en inventief georkestreerd.
Euryanthe was Webers tweede grote succes. Gesitueerd in het twaalfde-eeuwse Frankrijk en verhalend over heldendom en menselijke zwakte, is het een voorloper van Richard Wagners half feitelijke, half mythische operavisioenen. En in de ouverture lijk je inderdaad een andere wereld te betreden als de muziek plots afdaalt in een kille, kerkerachtige schemerzone. Dit soort extreme decorwisselingen, met alle emotionele implicaties daarvan, vind je niet bij Webers voorlopers – maar wel bij de ‘hoogromantici’ die zouden volgen.
Michiel Cleij
Felix Mendelssohn: 1809-1847
Vioolconcert in e kl.t., op. 64 (1844)
Dankzij een van zijn brieven aan de met hem bevriende violist Ferdinand David weten we dat Felix Mendelssohn jarenlang een in zijn hoofd had, die één van de beroemdste uit het gehele vioolrepertoire zou worden. Toen hij eenmaal had besloten die te gebruiken voor zijn Vioolconcert in e klein moest en zou dit hemelse gezang ook meteen alle aandacht krijgen. Dus mogen de strijkers aan het begin van dit werk alleen even iets murmelen, alsof ze uitsluitend de functie hebben de aan te
kondigen, waarna de solist onmiddellijk dat zinderende hoofdthema laat horen. Het was een voor die tijd ongebruikelijk begin van een soloconcert.
Van meet af aan was dit werk bestemd voor Ferdinand David, concertmeester van het door Mendelssohn geleide Gewandhausorchester Leipzig. Het was ook David, die de 35-jarige componist op diens verzoek herhaaldelijk adviezen had gegeven wat betreft de technische aspecten van de vioolpartij. En uiteraard was hij ook degene die het werk in maart 1845 in Leipzig voor het eerst uitvoerde. Het publiek was aangenaam verrast een nieuw vioolconcert te horen met zulke aantrekkelijke ën. Mendelssohn volgde in grote lijnen het model dat men sinds Mozart kende, met een opeenvolging van een snel, een langzaam en weer een snel deel, geheel volgens de klassieke traditie. Toch week hij in diverse opzichten daarvan af. Niet alleen door het opmerkelijke begin van het werk, ook door het eerste deel in het tweede te laten overgaan door een aangehouden noot. Ook is er een overgangspassage tussen het tweede en derde deel. Doordat dit ‘intermezzo’ in e klein staat en het meteen daarop volgende molto in E groot is het alsof plotseling het zonlicht binnenvalt.
Antonin Dvořák: 1841-1904
Zevende symfonie in d kl.t., op. 70 (1884-85)
Misschien komt het doordat het land eeuwenlang geen componist van betekenis heeft voortgebracht, in elk geval is de gretige manier waarop Groot-Brittanië buitenlandse componisten in de armen heeft gesloten opvallend. Dat was al zo bij Händel en later bij Haydn en Mendelssohn en het gold ook voor Antonín Dvořák, die tegen het einde van de negentiende eeuw daar wellicht nog populairder was dan in zijn eigen land. Zijn Stabat mater, dat hij in 1884 bij zijn eerste bezoek aan Londen in de Royal Albert Hall dirigeerde, veroorzaakte een sensatie. De Royal Philharmonic Society benoemde Dvořák enkele maanden later tot erelid en vroeg hem of hij een jaar later wilde terugkeren met een nieuwe symfonie. De opdracht vervulde hem met een brandend verlangen iets te componeren waarvan de betekenis zou uitstijgen boven alles wat hij tot die tijd geschreven had. Met een nieuwe symfonie wilde hij onderstrepen dat hij meer was dan een ‘nationale’ componist. Hij ging in december 1884 vastberaden aan het werk. In dezelfde maand schreef hij aan een vriend: ‘Waar ik ook ben, ik heb niets anders in mijn hoofd dan alleen mijn werk, dat zo moet worden dat het de wereld in beweging zet en zo God wil, zal het dat ook doen.’
De was al in maart 1885 gereed en kon een maand later onder leiding van Dvořák in Londen worden gespeeld. Nog meer dan in zijn andere symfonieën is in dit werk de invloed van Brahms merkbaar. Boheemse dansritmen nemen pas in het en de Finale een belangrijke plaats in. Het eerste deel bezit overwegend een voor Dvořák donkere klank en somber karakter. Het tweede deel begint met een vredige, achtige , maar krijgt al snel felle en met een dramatische lading, waarna de aanvankelijke sereniteit terugkeert. De energie van het Scherzo, met het van de furiant (een snelle Boheemse dans), vindt ontspanning in een beminnelijk in , dat het specifiek nationale karakter mist waaraan we op deze plaats in een symfonie van Dvořák gewend zijn. De Finale bezit een grote rijkdom aan melodisch materiaal, variërend van koraalachtige fragmenten tot opwindende dansepisodes en ritmen.
Aad van der Ven
Biografie
Andrés Orozco-Estrada, Dirigent
Andrés Orozco-Estrada is chef- van het Orchestra Sinfonica Nazionale della RAI sinds het seizoen 2023/2024. Vanaf 2025/2026 staat de Colombiaan als muziekdirecteur van de stad Keulen bovendien aan het hoofd van het Gürzenich-Orchester en de Oper Köln. Als kind speelde Andrés Orozco-Estrada viool, op zijn vijftiende nam hij directielessen en vanaf zijn negentiende kreeg hij les van Uroš Lajovic in Wenen.
In 2004 debuteerde hij bij het Tonkünstler-Orchester Niederösterreich, waar hij assistent- werd en in 2009 chef-dirigent. Ook was hij chef-dirigent van het Baskisch Nationaal Orkest, en later zou hij die functie nog vervullen bij het hr-Sinfonieorchester in Frankfurt, de Houston Symphony en de Wiener Symphoniker. Lovende kritieken kreeg Andrés Orozco-Estrada toen hij twee keer op het laatste moment inviel bij de Wiener Philharmoniker. Sindsdien is hij er regelmatig te gast.
Ook de Berliner Philharmoniker, de Sächsische Staatskapelle Dresden, het Gewandhausorchester Leipzig, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia, het Orchestre National de France en het Chicago Symphony Orchestra engageerden hem. Bij het Concertgebouworkest maakte Andrés Orozco-Estrada zijn debuut in mei 2015. In augustus 2023 leidde hij de vierde editie van Concertgebouworkest Young; in juni 2024 dirigeerde hij het Concertgebouworkest in Beethovens Fidelio bij De Nationale Opera en drie maanden later, op 13 september, leidde hij de seizoensopening van het orkest, Opening Night, in het Nelson Mandelapark in Amsterdam-Zuidoost.
Janine Jansen, viool
In oktober 1999 stond Janine Jansen in de als Rising Star en in mei 2000 in de serie Jonge Nederlanders. In 2003 verscheen haar debuut-cd, richtte ze haar Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht op én won ze de Nederlandse Muziekprijs. Het jaar erop maakte ze een dubbel debuut bij het Concertgebouworkest, waar ze meermaals terugkeerde en in 2020/2021 artist in residence was.
Die positie heeft ze in het huidige seizoen bij de Berliner Philharmoniker. Het Swedish Radio Symphony Orchestra presenteert haar dit seizoen bovendien als ‘artist in focus’. Seizoen 2025/2026 behelst ook tournees met het Concertgebouworkest en Klaus Mäkelä, met het London Symphony Orchestra en Antonio Pappano en met het Tonhalle-Orchester Zürich en Paavo Järvi, en met de Camerata Salzburg reisde Janine Jansen naar Azië.
recitals met Martha Argerich en Mischa Maisky zijn er dit seizoen in Wenen, Luzern en Tokio, en duorecitals met Denis Kozhukhin of Sunwook Kim in Azië en Europa. Janine Jansen kreeg onder meer de Concertgebouw Prijs (2013) en de Johannes Vermeer Prijs (2018). Ze groeide op in een muzikaal gezin, studeerde bij Coosje Wijzenbeek, Philipp Hirshhorn en Boris Belkin en geeft sinds november 2023 les aan de Kronberg Academy.
De violiste bespeelt de ‘Shumsky-Rode’-Stradivarius uit 1715. Haar vorige optreden in de Eigen Programmering was op 11 september 2024 De vier jaargetijden van Vivaldi met Amsterdam Sinfonietta, en op 14 augustus 2025 stond ze samen met het Concertgebouworkest en Klaus Mäkelä voor het laatst in de .
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest


