Concertgebouworkest en Iván Fischer: Inside Out
Koninklijk Concertgebouworkest
Iván Fischer dirigent
Het orkest speelt op de vloer van de Grote Zaal. Een deel van het publiek zit verspreid tussen de musici en om het orkest heen.
Ook interessant:
- Wat maakt Franse muziek zo Frans? (deel 2)
Claude Debussy (1866-1918)
Printemps (1887, orkestratie H. Büsser 1912)
Très modéré
Modéré
Erik Satie (1866-1925)
Gymnopédie nr. 3 (1888, orkestratie C. Debussy 1897)
Gnossienne nr. 3 (1893 orkestratie F. Poulenc 1939)
Maurice Ravel (1875-1937)
Suite nr. 2 uit het ballet ‘Daphnis et Chloé’ (1909-13)
Lever du jour
Pantomime
Danse générale
er is geen pauze
einde ± 22.00 uur
Toelichting
Claude Debussy 1862-1918
Debussy: Printemps
Door Michel Khalifa
Als winnaar van de Prix de Rome mocht de net afgestudeerde Claude Debussy twee jaar lang in de Eeuwige Stad verblijven op kosten van de Franse overheid. Dit vooruitzicht was voor componisten minder aantrekkelijk dan voor schilders of beeldhouwers, aangezien er van de antieke muziek geen concrete sporen bewaard gebleven zijn. Debussy moest geregeld nieuwe werken naar het Institut de France in Parijs sturen als bewijs dat hij zich als scheppend kunstenaar bleef ontwikkelen. De tweedelige ‘symfonische ’ Printemps uit 1887 is een van deze inzendingen, al raakte de oorspronkelijke versie met orkest en vocaliserend koor snel verloren. Op basis van de pianoversie tekende Debussy’s vertrouweling Henri Büsser een kwarteeuw later voor de orkestversie die nu op de lessenaars staat.
Vermoedelijk aangespoord door Baudelaires theorie over de verbanden tussen de kunstvormen experimenteert Debussy in Printemps met en. Zijn inspiratiebron is het schilderij La Primavera (ca. 1470-80) van Sandro Botticelli. In Büssers versie ontbreekt weliswaar het koor, maar behoudt de piano vierhandig een belangrijke rol. Bijzondere instrumentcombinaties en – in het eerste deel – een zwevende ritmiek zonder metrisch keurslijf kondigen de latere orkestwerken van Debussy aan, zoals Prélude à l’après-midi d’un faune en La mer.
Debussy’s zoektocht werd niet gewaardeerd door de gevestigde orde. In hun oordeel over Printemps schreven de Parijse juryleden dat de jonge componist weg moest blijven van ‘dit ‘vage’ impressionisme, een van de gevaarlijkste vijanden van de waarheid in kunstwerken’. Het was de eerste keer, en zeker niet de laatste, dat het woord ‘impressionisme’ viel in verband met Debussy’s muziek.
Erik Satie 1866-1925
Satie: Gymnopédie nr. 3 en Gnossienne nr. 3
Door Michel Khalifa
Erik Satie, buitenbeentje en visionaire zonderling, streefde zijn leven lang naar muzikale eenvoud. Hij blonk uit in melancholische pianowerken, die sindsdien nieuwsgierige collega-musici blijven fascineren, van Claude Debussy tot John Cage en Reinbert de Leeuw. Toen de jonge Satie in Parijs pianist wilde worden in het cabaret Le Chat Noir op de Butte Montmartre, deed hij zich voor als ‘gymnopédiste’ om de aandacht te trekken. Deze aanduiding verwijst onder meer naar een festival in het oude Griekenland waar de mannen naakt dansten. De Gymnopédie nr. 3, die samen met nr. 1 extra bekendheid kreeg in de orkestratie van Debussy, staat net als de andere twee in een driekwartsmaat en kenmerkt zich door een kronkelende boven een vast begeleidingspatroon.
Terwijl Debussy zich na de Wereldtentoonstelling van 1889 op de gamelanmuziek stortte, luisterde Satie aandachtig naar de Roemeense musici. Hij verwerkte zijn indrukken in drie Gnossiennes voor piano zonder maatstrepen (maar feitelijk in een vierkwartsmaat), waarbij oriëntaalse invloeden in de melodievoering hoorbaar zijn.
Na de Eerste Wereldoorlog fungeerde Satie als voorbeeld en mentor voor een groep jonge componisten die de Franse muziek wilden ontdoen van de laatste resten romantische pathos, de Groupe des Six. Onder hen bevond zich Francis Poulenc, die zich herkende in de combinatie van mystiek en humor. Hij zou zijn geestelijk vader ook na diens dood nog regelmatig eer betonen. Poulencs orkestratie van de Gnossienne nr. 3 heeft zeker bijgedragen aan een bredere erkenning van Saties muziek.
Maurice Ravel 1875-1937
Ravel: Suite nr. 2 uit ‘Daphnis et Chloé’
Door Michel Khalifa
Vanaf 1909 maakten Les Ballets Russes furore in Parijs. Oprichter Sergej Diaghilev besefte al snel dat hij voor zijn dansproducties nieuwe muziek moest laten componeren om het publiek van de Franse hoofdstad aan zich te binden. Hij vroeg Maurice Ravel om een ballet rondom het amoureuze verhaal uit de Griekse Oudheid tussen herder Daphnis en herderin Chloé. Drie jaar lang ploeterde de componist om zijn langste orkestpartituur te voltooien. De première van Daphnis et Chloé kon eindelijk op 8 juni 1912 plaatsvinden, tussen Stravinsky’s balletten Petroesjka uit 1911 en Le sacre du printemps uit 1913.
Ravels sensuele weerspiegelt de beschaafde erotische stemming van wat hij ‘het Griekenland van mijn dromen’ noemt. De tweede orkestsuite beslaat het eind van het ballet, waarbij uitgebreid gevierd wordt dat de door piraten ontvoerde Chloé weer terecht is. Na een sfeervolle zonsopgang brengt het liefdespaar een pantomime ter ere van hun beschermer Pan. Het geheel eindigt met een wervelend bacchanaal in vijfkwartsmaat. Van de eerste tot de laatste maat trekt meesterorkestrator Ravel alle registers open om de idylle over het voetlicht te brengen.
Met hun charmante, mysterieuze en soms ongrijpbare klanken gelden Claude Debussy en Maurice Ravel als iconen van de Franse muziek. Toen ze eind negentiende eeuw tot artistieke wasdom kwamen, bestond in Franse muzikale kringen de wens om zich te onttrekken aan de e Duits-Oostenrijkse traditie. Debussy en Ravel slaagden erin met hun even aantrekkelijke als vernieuwende muziek Frankrijk weer op de muzikale kaart te zetten. Zelfs voor de excentrieke Erik Satie was nu ruimte; na de Eerste Wereldoorlog en de dood van Debussy gold hij als mentor van een nieuwe generatie componisten met een echt Frans geluid, onder wie Francis Poulenc.
Biografie
Iván Fischer, dirigent
Iván Fischer studeerde piano, viool, en compositie in Boedapest, en vervolgde zijn opleiding in Wenen met lessen orkestdirectie van Hans Swarowsky. Daarop was hij twee seizoenen lang assistent van Nikolaus Harnoncourt. In 1983 richtte Iván Fischer het Budapest Festival Orchestra op.
Met dit gezelschap, waarvan hij nog steeds chef- is, voerde hij vele vernieuwingen door, zoals ‘chocomelconcerten’ voor kleine kinderen, ‘Midnight Music’-concerten voor een jong publiek, verrassingsconcerten en verschillende educatie- en outreachprojecten, zoals een tournee langs voormalige synagogen.
Hij is actief als componist en regisseur met zijn Iván Fischer Opera Company en richtte diverse festivals op, waaronder het Vicenza Opera Festival. In het verleden stond hij aan het roer van Kent Opera, de Opéra National de Lyon, het National Symphony Orchestra in Washington en het Konzerthausorchester in Berlijn, waar hij sindsdien eredirigent is.
Bij het Concertgebouworkest is Iván Fischer al sinds 1987 vrijwel jaarlijks te gast. Vanwege zijn belangrijke artistieke bijdragen benoemde het orkest hem tot honorair gastdirigent met ingang van het seizoen 2021/2022. In maart kreeg hij de vijftiende Concertgebouw Prijs. Eerder ontving Iván Fischer de Kossuth Prijs, de Ovatie Prijs en de Crystal Award van het World Economic Forum voor het steunen van internationale cultuuruitwisseling, en is Chevalier des Arts et des Lettres en erelid van de Royal Academy of Music in Londen.
Iván Fischer beperkt zijn gastdirigentschappen tot slechts enkele orkesten om voldoende tijd en aandacht te kunnen geven aan het componeren, aan zijn Budapest Festival Orchestra en zijn operagezelschap, en aan het voortdurend ontwikkelen van creatieve ideeën. Hij is een erkend voorvechter voor mensenrechten, democratie en tolerantie.
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest


