Concertgebouworkest: Arnold Schönberg 150 jaar

Koninklijk Concertgebouworkest
Ryan Wigglesworth dirigent
Sara Jakubiak sopraan
Ryoko Aoki nô-performance
Pierre Audi mise-en-espace

Dit programma maakt deel uit van de serie A.
Erwartung wordt voorzien van boventiteling.

Ryoko Aoki
Ryoko Aoki verrijkt Pelleas und Melisande met een dansperformance op basis van de Japanse nô-traditie. Ryoko Aoki is uniek in de wereld van het nô-theater omdat zij die theatervorm graag verbindt met (hedendaagse) muziek. In februari 2018 werkte ze met het Concertgebouworkest samen binnen het Horizon-programma Japanse Impressies.

Ook interessant:
- Achtergrond: wat dreef Arnold Schönberg?
- Interview met Pierre Audi

Arnold Schönberg (1874-1953)  

Begleitungsmusik zu einer Lichtspielszene, op. 34 (1929-30) 
Drohendes Gefahr – Angst – Catastrophe

Erwartung, op. 17 (1909)  
monodrama in één bedrijf voor sopraan en orkest 

pauze ± 21.00 uur

Arnold Schönberg

Pelleas und Melisande, op. 5 (1902-03, revisie 1911, 1920)

einde ± 22.15 uur

     

Toelichting

Arnold Schönberg (1874-1953)

Schönberg

Door Maarten Beirens

Arnold Schönberg werd in Wenen geboren op 24 september 1874, 150 jaar geleden. Wenen was al jaren niet meer het muzikale centrum van Europa. De stad was in korte tijd enorm uitgedijd en raakte sinds de ‘paniek van 1873’ – een financiële crisis die na Wenen de hele westerse wereld trof na jaren van expansie – in verval. Armoede en antisemitisme tierden welig in het Wenen waar Schönberg opgroeide met de en van de familie Strauss en de Laatromantiek van Brahms, Mahler en die andere Strauss: Richard.
In dit concert horen we drie werken uit verschillende periodes in Schönbergs carrière. Ze illustreren hoe de componist zich razendsnel ontwikkelde van een laatromanticus tot een ­modernist, de even beruchte als invloedrijke uitvinder van een compleet nieuwe compositiemethode.

Dat is waar het concertprogramma begint: Begleitungsmusik zu einer Licht­spielszene is een aantrekkelijk voorbeeld van een werk dat gecomponeerd is volgens de twaalftoonsmethodiek, die Schönberg in 1921 introduceerde. Vervolgens gaan we terug in de tijd met Erwartung uit de periode 1908-1921, toen Schönberg de klassieke tonaliteit al wel had losgelaten, maar er nog geen nieuwe ‘grammatica’ voor in de plaats had – de ‘vrije’ atonaliteit. Het concert besluit met het tonale, laatromantische Pelleas und Melisande. Om wille van de chronologie begint deze toelichting daar.

Arnold Schönberg (1874-1953)

Pelleas und Melisande

Door Maarten Beirens

In het broeierige fin de siècle-klimaat in de overgang naar de twintigste eeuw kwam in de literatuur het symbolisme op als een plotse hype. Met een focus op het irrationele, het mysterieuze en de verbeelding in droomachtige symboliek en ­pseudo-historische verhalen bood het een tegengewicht voor rationele en realistische stromingen. De grote ster van die literaire beweging was de Belg Maurice Maeterlinck (1862-1949). Na de Eerste Wereldoorlog verdween de belangstelling voor het symbolisme en Maeterlinck zou allicht snel in de vergetelheid geraakt zijn, ware het niet dat zijn theaterteksten en poëzie een inspiratiebron waren voor talrijke componisten.

Het best is dat te zien in het succes van zijn populairste toneelstuk Pelléas et ­Mélisande (1892). Hierop is niet enkel de van Claude Debussy gebaseerd, ook onder meer Gabriel Fauré, Jean Sibelius en Arnold Schönberg lieten zich door Maeterlincks tekst inspireren. Hun stilistische verscheidenheid toont dat Maeterlincks symbolisme breed resoneerde bij componisten, of ze nu conservatief of vernieuwend waren, impressionistisch, laatromantisch of modernistisch (want ook in zijn modernistische periode zou Schönberg nog teruggrijpen op Maeterlinck).

Schönberg gaf met zijn Pelleas und Melisandede noodlottige driehoeksverhouding tussen Golaud, Mélisande en Pelléas weer als een symfonisch gedicht in de traditie van Richard Strauss. Helemaal in lijn met de laatromantische toonspraak die Schönberg hier nog gebruikt (de gelijkenissen met zijn goede kennis Gustav Mahler zijn nooit veraf), zet hij de rijke klankmogelijkheden van een groot symfonisch orkestapparaat in om de programmatische inhoud van het verhaal een meeslepende muzikale vorm mee te geven. Toch vind je het scenario van Maeterlincks toneelstuk niet zomaar terug. Alban Berg, die het stuk pas in 1912 voor het eerst hoorde, betoogde dat Schönbergs Pelleas und Melisande ondanks de verhalende elementen en de vele straussiaanse (en wagneriaanse) leidmotieven in zijn vier grote onderdelen de formele structuur van een symfonie herbergt.

Orkestfeit

Op 28 november 1912 leidde Arnold Schönberg de eerste uitvoering door het Concert­gebouworkest. Op 15 juni 2018 dirigeerde Lahav Shani de laatste.

Arnold Schönberg (1874-1953)

Erwartung

Door Maarten Beirens

Al ligt er maar vijf jaar tussen, de sprong van Pelleas und Melisande naar Erwartung vat mooi samen hoe Schönberg een positie inneemt tussen traditie en vernieuwing. In 1908 kiest de componist resoluut voor een nieuwe harmonische taal: de zogenaamde ‘vrije’ atonaliteit. In Schönbergs analyse was de muziek sinds Wagners Tristan und Isolde in een zoektocht naar steeds expressievere muzikale uitdrukking voortdurend opgeschoven naar complexe en, wendingen en doorwrochte, meanderende lijnen. Wanneer componisten als Richard Strauss, Reger of Mahler in realiteit al zo gul alle twaalf chromatische tonen gebruiken (de zogenaamde ‘verwijde tonaliteit’), wordt de tonale structuur zelf steeds meer bedolven onder harmonische complexiteit, wat de coherentie van tonale principes zelf bedreigt. De enige mogelijkheid om dat soort (romantische) expressiviteit verder vorm te geven was voor Schönberg om de traditionele tonaliteit los te laten.

Atonaliteit (zelf sprak hij van ‘pantonaliteit’) liet Schönberg (net als vele tijdgenoten) toe op een vrije manier alle tonen te gebruiken, zonder daarbij nog een herkenbare toonaard of harmonisch centrum te behouden. Expressieve en en uze en staan niet meer ten dienste van vaste harmonische formules maar kunnen volledig vrij gebruikt worden. Het laat de componist toe om ongeremde expressieve intensiteit op te zoeken, vrij van traditionele vorm­schema’s en (harmonische) wetten.

Het ‘monodrama’ Erwartung, op libretto van Marie Pappenheim, maakt maximaal gebruik van de nieuwe expressieve mogelijkheden. Een jonge vrouw dwaalt door een woud, verward, vertwijfeld, wanhopig op zoek naar haar geliefde, tot ze in het halfduister op zijn levenloze lichaam stuit. Het verhaal laat de ware toedracht in het midden. Een nachtmerrie? Een psychotische episode? Heeft zij haar minnaar vermoord? Wat overblijft is een intense muzikale verklanking van de wankele mentale toestand van het (naamloze) personage. De fascinatie voor de donkere kanten van het onderbewuste, waar heel intellectueel Wenen sinds Sigmund Freud door gefascineerd was, komt hier duidelijk naar voren, net als de tiek van erotiek, dood en het destructieve. De muzikale monoloog vat muzikaal perfect de bruuske schommelingen in de geest van ‘die Frau’ tussen hoop en wanhoop, waarin de stemming op ieder moment in emotionele extremen kan uitbarsten. 

Orkestfeit

Bernard Haitink leidde de eerste uitvoering op 6 april 1975 met sopraan Dorothy Dorow. De meest recente uitvoering was op 27 ­januari 2012 met David Robertson en sopraan Deborah Polaski.

Arnold Schönberg (1874-1953)

Begleitungsmusik zu einer Lichtspielszene

Door Maarten Beirens

De expressieve vrijheid van de atonaliteit bracht ongekende mogelijkheden, maar tegelijk ook nieuwe uitdagingen. Immers, hoe breng je structuur en samenhang in muziek waar harmonisch en melodisch alles ‘zomaar’ mogelijk is? Wat onderscheidt dan nog intelligent opgebouwde muziek van quasi-chaotische willekeur? Verschillende componisten buigen zich erover, maar alweer is het de oplossing van Schönberg die het invloedrijkst zal worden. Vanaf de vroege jaren 1920 begint hij alle twaalf tonen te ordenen in reeksen, waarin ze een vaste volgorde hebben. Iedere basisreeks kan naar believen getransponeerd en gespiegeld worden. In het volle besef dat alle tonen ‘slechts op elkaar betrokken’ zijn en allemaal even belangrijk zijn, bieden de reeksen een diepe onderliggende samenhang. Onderliggend, want aan de oppervlakte kan deze ‘dodecafonische’ muziek even sfeervol en expressief klinken als vrij-atonale muziek.

Dat blijkt ook uit Begleitungsmusik zu einer Lichtspielszene dat (afgezien van de vrijere openingspassage) op twaalftoonsreeksen is gebouwd, maar daarnaast vooral de sfeerscheppende kwaliteiten van filmmuziek naar voren brengt. Schönberg schreef het werk op vraag van Charles Adler, die Heinrichshofen Verlag vertegenwoordigde, op dat moment een van de belangrijkste uitgevers van filmmuziek in Duitsland. In 1929-30, wanneer Schönberg dit werk componeerde, was de norm nog steeds dat films live begeleid werden door een , een pianist, of een (klein) orkest. Die live soundtracks waren bijna nooit specifiek voor die film gecomponeerd, maar werden geïmproviseerd, of er werd geput uit verzamelingen met muzikale fragmenten die voor archetypische situaties (liefdesthema’s, achtervolgingscènes) of sferen (dreiging, vreugde, heroïek) konden dienen, ongeacht bij welke film ze gespeeld werden. Schönbergs Begleitungsmusik sluit daarbij aan.

Schönberg was zeker gefascineerd door de nieuwe mogelijkheden van film­muziek, maar vond de artistieke kwaliteit van de meeste films en filmmuziek van zijn tijd bedenkelijk. Het valt dan ook te betwijfelen of hij voor dit werk een specifieke filmscène in gedachten had. Wellicht zag hij het als soundtrack bij een imaginaire film – en dan nog wel een met veel beklemming, zo getuigen de ondertitels van de drie segmenten. Het werk legt mooi de mogelijkheden bloot van twaalftoonsmuziek om intense spanning te suggereren. Effectief zou de Schönbergiaanse klanktaal later een Hollywood-cliché worden voor alles wat met horror en ondraaglijke spanning te maken heeft. En al was hij een imaginaire filmcomponist, na zijn emigratie naar de Verenigde Staten vestigde Schönberg zich in Los Angeles in Brentwood, slechts een tikje ten westen van Hollywood. 

Orkestfeit

De eerste uitvoering door het Concertgebouworkest was op 26 november 1967 onder leiding van Ernest Bour, de laatste op 12 oktober 2017 onder Peter Eötvös in Brussel; de laatste in Amsterdam was op 13 september 2013 met David Robertson.

Biografie

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Ryan Wigglesworth, dirigent

De Britse , componist en pianist Ryan Wigglesworth studeerde aan het New College in Oxford en aan de Guildhall School of Music and Drama. Sinds september 2022 is hij chef-dirigent van het BBC Scottish Symphony Orchestra.

Voorheen was hij onder meer composer in residence bij English National en, van 2015 tot 2018, eerste gastdirigent van het Hallé Orchestra. In samenwerking met de Royal ­Academy of Music richtte hij het Knussen Chamber Orchestra op, dat in 2019 debuteerde op zowel de BBC Proms als het Aldeburgh Festival.

Als gast­ is Ryan Wigglesworth vooral in trek voor hedendaagse muziek en . In recente jaren stond hij voor onder meer het ­Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, de en van Tokio, Seattle en Melbourne en het London Symphony Orchestra. In 2023 kwam hij terug bij de BBC Proms met Beethovens Negende ­symfonie en Kurtágs opera Fin de partie.

Als pianist had Ryan Wigglesworth in Europa en Oost-Azië veel succes met pianoconcerten van Mozart en Beethoven en trad hij op met altviolist Lawrence Power en zangers als Mark Padmore en Sophie Bevan. Ryan Wigglesworth componeerde werken in opdracht van onder meer The Cleveland Orchestra en het BBC Symphony Orchestra. In 2017 dirigeerde hij de wereldpremière van zijn eerste opera, The Winter’s Tale, bij English National Opera.

Bij het Concertgebouworkest debuteerde hij in hetzelfde jaar met zijn opdrachtcompositie Clocks from a Winter’s Tale en werken van zijn landgenoten Elgar, Britten en Knussen.

Sara Jakubiak, sopraan

Sara Jakubiak behaalde masterdiploma’s aan zowel het Cleveland Institute als Yale University. Haar internationale doorbraak was in 2013, toen ze bij English National debuteerde als Marie in Bergs Wozzeck, direct gevolgd door vertolkingen van Polina in De speler van Prokofjev bij De Nationale Opera en Elsa in Wagners Lohengrin in Graz.

Als ensemblelid van de Oper Frankfurt gooide ze hoge ogen als ­dne in Richard StraussAriadne auf Naxos, Tatjana in Tsjaikovski’s Evgeny Onjegin en Marietta/Marie in Korngolds Die tote Stadt

Ze debuteerde bij de Semperoper Dresden als Agathe in Webers Der Freischütz en bij de Bayerische Staatsoper als Eva in een nieuwe productie van Wagners Die Meistersinger von Nürnberg onder Kirill Petrenko. Een internationale tr­iomf was haar rol als Heliane in Korngolds Das Wunder der Heliane bij de Deutsche Oper Berlin in 2020.

Recente hoogtepunten waren de titelrol van Richard StraussArabella in het Teatro Real in Madrid, haar eerste optredens op de ­Salzburger Festspiele en in het Londense Royal House Covent Garden en haar roldebuut als Kaiserin in StraussDie Frau ohne Schatten bij de Opéra de Lyon.

Sara Jakubiak maakt haar ­debuut bij het Concertgebouworkest.

Pierre Audi (1957-2025), mise-en-espace

Pierre Audi was in 1979 oprichter van het Londense Almeida ­Theatre. In 1988 werd hij directeur van De Nederlandse (later De Nationale Opera) waar hij talloze succesproducties regisseerde en nieuw repertoire initieerde. Van 2005 tot 2014 was hij artistiek directeur van het Holland Festival.

Ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van De Nationale Opera richtte Pierre Audi in 2015 het Opera Forward Festival op.

In september 2018 nam hij afscheid als directeur; hij regisseerde nog wel onder meer het Stockhausen-project aus LICHT in de Gashouder tijdens het Holland Festival van 2019. Pierre Audi is artistiek directeur van Park Avenue Armory in New York en van het Festival d’Aix-en-Provence.

Als creatief partner van het Concertgebouworkest sinds 2021 was hij nauw betrokken bij programma’s in de – Händels Acis and Galatea onder leiding van Leonardo García Alarcón en concerten onder leiding van Barbara Hannigan in het najaar van 2022 – en bij twee concerten in de Gashouder: ­Symphonic Loops in februari 2022 met Damon Albarn en andere gastmusici en Requiem for Nature onder leiding van Tan Dun in juni-juli 2023.