Close-up: Septet nr. 2
Leden van het Koninklijk Concertgebouworkest:
Marleen Asberg viool
Jeroen Quint altviool
Christian Hacker cello
Vincent Cortvrint fluit
Arno Piters klarinet
Helma van den Brink fagot
Fons Verspaandonk hoorn
m.m.v. Hans Eijsackers piano
SEPTET II
Gustav Mahler (1860-1911)
Quartettsatz in a kl.t. (1876)
voor viool, altviool, cello en piano
Erno Dohnanyi (1877-1960)
Sextet in C gr.t., op. 37 (1935)
voor viool, altviool, cello, klarinet, hoorn en piano
Allegro appassionato
Intermezzo: Adagio
Allegro con sentimento – Poco adagio, Andante
tranquillo
Finale: Allegro vivace, giocoso
pauze
Louis Spohr (1784-1859)
Septet in a kl.t., op. 147 (1853)
voor viool, cello, fluit, klarinet, fagot, hoorn en piano
Allegro vivace
Pastorale: Larghetto
Scherzo: Vivace
Finale: Molto allegro
Toelichting
Gustav Mahler (1860-1911)
Quartettsatz in a kl.t. (1876)
In tegenstelling tot de twee andere componisten op dit programma, Louis Spohr en Ernö Dohnányi – die hun hele leven zowel kamer- als orkestmuziek componeerden – heeft Mahler zich na zijn conservatoriumstudie nooit meer gewijd aan muziek voor kleinere ensembles. Bij het voltooien van zijn Derde symfonie in 1896 sprak hij met een goede vriendin vol nostalgie over zijn jeugdwerken, wellicht ook omdat hij er slordig mee omgegaan was. Bijna alles was toen al zoek. Het meest te spreken was hij over een pianokwartet uit het eind van zijn conservatoriumtijd; helaas had hij het originele manuscript naar Rusland gestuurd voor een competitie. Het kwam nooit meer terug. Slechts het eerste deel van een vroeger Pianokwartet in a klein bleef bewaard. Mahler schreef het op zestienjarige leeftijd tijdens zijn tweede studiejaar in Wenen. In de zomervakantie thuis bij zijn ouders in Iglau (het huidige Jihlava in Tsjechië) werd het stuk voor het eerst uitgevoerd met de componist zelf aan de piano. De jonge student heeft zich keurig aan de traditionele gehouden: drie ’s worden bij de luisteraar geïntroduceerd, waarna Mahler zijn talent en nieuw verworven vaardigheden aanspreekt en ingenieus varieert en experimenteert in de doorwerking. Zoals gebruikelijk komt alles in de reprise weer op zijn pootjes terecht. Het is geen vrolijke muziek van een onbevangen tiener, vlak voor het afsluitende schrijft hij boven de vioolsolo ‘ungemein und leidenschaftlich’. Verder ontbreken aanwijzingen over de vrijwel volledig, waarschijnlijk heeft Mahler bij de eerste uitvoeringen zijn wensen mondeling kenbaar gemaakt. Tot een uitgave kwam het pas zestig jaar na zijn dood.
Ernö Dohnányi (1877-1960)
Sextet in C gr.t., op. 37 (1935)
Nog geen jaar nadat Mahler zich met zijn pianokwartet voor het eerst aan het publiek presenteerde in Iglau, werd in Pressburg (nu Bratislava) ruim 200 kilometer verder naar het zuidoosten in het Oostenrijks-Hongaarse rijk Ernö Dohnányi geboren. Net als Mahler studeerde ook Dohnányi piano en compositie, maar dan in Boedapest. Zijn eerste officiële compositie – na 67 jeugdwerken – was een pianokwintet. De oude Johannes Brahms was meteen enthousiast en Dohnányi’s carrière kreeg een vliegende start. Rond 1900 werd hij wereldwijd gezien als de grootste Hongaarse pianist en componist na Liszt. In Boedapest gaf hij vroeg in de jaren twintig zo’n 120 concerten per seizoen, hij dirigeerde er het Boedapest Filharmonisch Orkest, was directeur van het conservatorium en speelde een belangrijke rol bij de radio. Ondanks zijn drukke bezigheden bleef hij zijn leven lang kamermuziek componeren en spelen. Het Sextet ontstond toen hij in 1934 een aantal maanden aan bed gekluisterd was. In juni 1935, drie dagen nadat hij weer voor het eerst in het openbaar opgetreden had, ging het werk in première met de componist zelf aan de vleugel. Het sextet heeft een nogal ongebruikelijke bezetting met strijkers, klarinet, en piano en ademt de sfeer van de late , maar vooral in de finale klinkt ook jazz uit de jaren dertig door en wordt de draak gestoken met de Weense . Dohnányi was misschien geen vernieuwer, maar wel een rasoptimist met een groot gevoel voor humor. Hierover zei hij eens: ‘Lijden wordt mij niet bespaard, maar zo gauw ik pijn ervaar na een belediging of krenking, herinner ik mezelf er aan dat ik dit gevoel zo snel mogelijk kwijt moet zien te raken. En als ik een beetje mijn best doe lukt dat ook vrij aardig.’
Louis Spohr (1784-1859)
Septet in a kl.t., op. 147 (1853)
Louis Spohr groeide op met ’s van Cherubini en Mozart en strijkkwartetten van Haydn. Nog voor zijn dertigste knoopte hij als Kapellmeister van het Theater an der Wien vriendschappelijke betrekkingen aan met Beethoven. Na vele reizen en verschillende betrekkingen vestigde hij zich als Kapellmeister, operadirecteur en concertorganisator in Kassel, waar hij het muzikale leven naar een hoger niveau tilde. In de herfst van zijn carrière bracht hij in Kassel Wagners Fliegende Holländer op het podium. Spohrs lange muzikale loopbaan verbond zo het klassieke tijdperk met de . Aanvankelijk als vioolvirtuoos en later als en pleitbezorger van zijn eigen muziek reisde Spohr veelvuldig door Europa. Met name in Engeland werd hij op handen gedragen en boekten zijn opera’s grote successen. Kranten schreven over ‘the great Spohr – the immortal while yet living’. Op de terugreis van zo’n geslaagde trip naar Engeland kreeg hij in augustus 1853 voor het eerst in twee jaar weer een idee voor een nieuwe compositie: een werk voor pianoforte met begeleiding van verschillende instrumenten. Bij thuiskomst ging de zeventigjarige meteen aan de slag, alsof hij de eeuwige jeugd bezat. Tijdens het eerstvolgende abonnementsconcert ging het septet in première. Het was zo’n daverend succes, dat het op verzoek van het publiek bij het volgende concert opnieuw klonk. Na een uitvoering in Leipzig was de recensent al even enthousiast: in de muziek weerklonk de lieflijke melancholie die hij van Spohr zo goed kende en ondanks – of misschien wel juist dankzij – het gebrek aan verrassingen viel het werk zeer in de smaak bij het publiek.
Biografie
Marleen Asberg, viool
Marleen Asberg studeerde aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam bij Herman Krebbers.
Ze won twee keer de eerste prijs tijdens de Iordens Viooldagen, een Zilveren Vriendenkrans en bereikte de finale van het Nationaal Vioolconcours Oskar Back in 1987. Nog voordat ze cum laude afstudeerde werd ze in 1991 aangenomen bij het Concertgebouworkest.
Marleen Asberg is regelmatig te beluisteren in verschillend samengestelde ensembles. Al sinds 1992 speelt ze de eerste viool in de Ebony Band. Solo-optredens gaf ze met onder andere Het Gelders Orkest en Nieuw Sinfonietta.
Marleen Asberg bespeelt sinds 2015 de in 1754 gebouwde viool J.B. Guadagnini viool uit de collectie van de Foundation Concertgebouworkest die voorheen bespeeld werd door de voormalige concertmeesters Viktor Libermann en Alexander Kerr.
Jeroen Quint, altviool
Geïnspireerd door zijn oom die aan het New Yorkse Juilliard School viool studeerde, begon Jeroen Quint op zijn negende met vioolspelen. Vanaf 1988 studeerde hij bij Hans Scheepers en John Harding aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.
In Australië deed hij veel praktijkervaring op als remplaçant bij het Sydney Symphony Orchestra en het Australian Chamber Orchestra. Terug in Nederland ruilde Jeroen de viool in voor de en bespeelde dat instrument bij het Radio Filharmonisch Orkest en het Nederlands Kamerorkest als remplaçant voor hij in 1999 benoemd werd tot altviolist van het Koninklijk Concertgebouworkest.
Hij bespeelt sinds 2007 een van Ansaldo Poggi, vervaardigd in Bologna in 1970. Naast zijn baan bij het orkest speelt hij regelmatig kamermuziek met vrienden en collega's en wordt hij af en toe gevraagd mee te spelen in andere, vaak buitenlandse, orkesten.
Jeroen heeft uit principe nooit aan competities meegedaan. ‘Het is verkeerd en misleidend om te veronderstellen dat een winnaar van een competitie ook de meest interessante musicus is. (...) Muziek is er juist (onder andere) voor om verschillen tussen mensen te verkleinen, niet om ze te ueren.’
Christian Hacker, cello
De Duitse cellist Christian Hacker studeerde aan het conservatorium in Essen bij Christoph Richter en aan de Juilliard School of Music in New York bij David Soyer, de legendarische cellist van het Guarneri Kwartet. Orkestervaring deed hij op bij het Gustav Mahler Jugendorchester en de Duisburger Philharmoniker.
Christian Hacker is sinds augustus 2006 cellist bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Daarnaast is hij regelmatig met collega' s te beluisteren in kamermuziek.
In 2015 kon de Stichting Donateurs Koninklijk Concertgebouworkest tijdens een veiling de hand leggen op een van Gaetano Sgarabotto (Milaan, 1910) voor Christian Hacker.
Vincent Cortvrint, piccolo
Vincent Cortvrint werd geboren in Etterbeek, België. Op vierjarige leeftijd hoorde hij een plaatopname van de befaamde fluitist Jean-Pierre Rampal en was meteen verkocht. Op zijn zevende kreeg hij eindelijk een fluit.
In 1980 won hij de 16e Nationale Muziekwedstrijd van het Gemeentekrediet van België, waarna hij soleerde met het Vlaams Radio Orkest (nu de Brussels Philharmonic). Vincent Cortvrint studeerde aan de conservatoria van Brussel en Parijs bij Michel Lefebvre, Michel Debost en Maurice Bourgue.
Sinds 1996 is hij fluitist en speler bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Daarvoor speelde hij bij het Nationaal Orkest van België. Naast zijn werk bij het orkest is Vincent Cortvrint fluitdocent aan het Conservatorium van Amsterdam. Hij geeft masterclasses en zomercursussen en speelt kamermuziek met gelegenheidsensembles.
Dankzij een gift van de Amerikaanse vriendenkring van het orkest, de RCO Global Friends USA, bespeelt Vincent Cortvrint een gouden fluit van Haynes. Het is een uniek model, speciaal voor hem gebouwd. De piccolo die hij bespeelt is een ebbenhouten instrument, eveneens van Haynes.
Arno Piters, klarinet
Arno Piters studeerde klarinet en es-klarinet aan het Maastrichts Conservatorium bij Jan Cober en Willem van der Vuurst en behaalde zijn diploma met onderscheiding. Daarna studeerde hij bij George Pieterson aan het Conservatorium van Amsterdam, waar hij opnieuw zijn diploma met onderscheiding haalde.
Hij was lid van het Nationaal Jeugd Orkest, het Gustav Mahler Jugendorchester en het European Union Youth Orchestra waar hij speelde onder leiding van Pierre Boulez, Bernard Haitink en Vladimir Ashkenazy.
Als solist speelde hij onder meer met het Residentie Orkest, het Limburgs Symfonie Orkest en de Nürnberger Symphoniker. Als kamermusicus speelde hij op festivals in binnen- en buitenland.
Van 2001 tot 2003 was hij verbonden aan het Radio Symfonie Orkest. Daarna werd hij (es)-klarinettist bij het Concertgebouworkest te Amsterdam.
Als docent is hij verbonden aan het Conservatorium van Amsterdam.
Helma van den Brink, fagot
Helma van den Brink begon met viool- en pianolessen en stapte na een aantal jaren over op de . Uiteindelijk koos ze voor de en al na twee jaar werd ze toegelaten tot het Koninklijk Conservatorium in Den Haag om te studeren bij Johan Steinmann en Gustavo Núñez.
In juni 2005 behaalde ze haar diploma. Helma van den Brink speelde in jeugdorkesten als het European Union Youth Orchestra en het Nationaal Jeugd Orkest en remplaceerde bij verschillende orkesten in Nederland.
Sinds december 2005 maakt ze als tweede tist deel uit van het Koninklijk Concertgebouworkest. Buiten het orkest treedt ze geregeld op als solist en in uiteenlopende kamerbezettingen.
Fons Verspaandonk, hoorn
Fons Verspaandonk studeerde aan het Brabants Conservatorium bij Herman Jeurissen en slaagde met onderscheiding. Hij volgde masterclasses bij Radovan Vlatkovic, Frøydis Ree Wekre en Michael Höltzel.
Sinds januari 2004 is Fons Verspaandonk ist in het Koninklijk Concertgebouworkest. Daarvoor speelde hij bij Het Brabants Orkest (1995-1998) en het Radio Filharmonisch Orkest (1998-2003). Van 2007 tot 2012 was Fons als hoofdvakdocent hoorn verbonden aan het Fontys Conservatorium in Tilburg.
Fons Verspaandonk maakt deel uit van het Farkas Quintet en werkt vaak samen met kamermuziekensembles zoals het Combattimento Consort Amsterdam.Hij maakt ook deel uit van het koperensemble van het Koninklijk Concertgebouworkest.
Fons Verspaandonk speelt op een Alexander 103 dubbele die hij in bruikleen heeft van de Stichting Donateurs Koninklijk Concertgebouworkest.
Hans Eijsackers, piano
Hans Eijsackers studeerde bij onder anderen Gérard van Blerk, Jan Wijn en György Sebök. In 1992 studeerde hij met onderscheiding af aan het Conservatorium van Amsterdam en hij vervolgde zijn opleiding aan de European Mozart Academy in Krakau.
De pianist won diverse eerste prijzen, bijvoorbeeld van het Prinses Christina Concours en het Europees Pianoconcours in Luxemburg. Ook kreeg hij tweemaal een Vriendenkrans van de Vereniging Vrienden van het Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest.
De pianist musiceerde met en als Otto Tausk, Neeme Järvi en Yannick Nézet-Seguin. Sinds een gezamenlijke tournee in het Rising Starsprogramma in 2001 vormt hij een duo met klarinettist Lars Wouters van den Oudenweijer.
Ook is hij een veelgevraagd begeleider; samen met bariton Henk Neven won hij in 2008 de MeesPierson Award. Dit duo treedt veelvuldig op – in de van Het Concertgebouw voor het laatst in mei 2014 –, is regelmatig te gast in Wigmore Hall in Londen en maakte een aantal succesvolle cd’s.
Hans Eijsackers is naast zijn podiumcarrière ook docent aan de Robert Schumann Hochschule in Düsseldorf en het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.







