Close-up: Rondom Rossini
Arno Piters klarinet
Jae-Won Lee viool
Jane Piper viool
Herre Halbertsma viool
Saeko Oguma altviool
Roland Krämer altviool
Honorine Schaeffer cello
Dominic Seldis contrabas
Mariëtta Feltkamp contrabas
'Rondom Rossini'
pauze 21.10 uur
einde 22.15 uur
Dit concert maakt deel uit van de serie Close-up: Orkestleden op het Vriendenpodium.
Gioacchino Rossini 1792-1868
Sonata a quattro nr. 6 in D gr.t. (1804)
‘La tempesta’
voor twee violen, cello en contrabas
Allegro spiritoso
Andante assai
Allegro: Tempesta
Carl Maria von Weber 1786-1826
Klarinetkwintet in Bes gr.t.,
op. 34 (1811-15)
Allegro
Fantasia: Adagio
Menuetto: Capriccio
Rondo: Allegro giocoso
pauze
Niccolò Paganini 1782-1840
Introductie en variaties op een thema uit Rossini’s ‘Mosè in Egitto’ (1818)
oorspronkelijk voor viool solo, bewerking voor contrabas en strijkers door
Dominic Seldis
Felix Mendelssohn-Bartholdy 1809-1848
Eerste strijkkwintet in A gr.t.,
op. 18 (1826, revisie 1832)
Allegro moderato
Intermezzo: Andante sostenuto
Scherzo: Allegro di molto
Allegro vivace
Toelichting
Rossini: Sonata a Quattro
door: Aad van der Ven
Aan circa veertig ’s en een forse stapel s moet Gioacchino Rossini, ook gezien de korte duur van zijn carrière, zijn handen vol hebben gehad. Maar deze 150 jaar geleden gestorven operacomponist, de meest gevierde van zijn tijd, zag ook nog kans af en toe een pianowerkje en een stukje voor blazers te schrijven.
Daarnaast zijn er de Sei a quattro, zoals hij de zes strijkkwartetten noemde die hij op twaalfjarige leeftijd schreef. Toen de kleine Gioacchino met deze stukken in de weer was, in 1804, logeerde hij in Ravenna bij de bevriende contrabassist Agostino sso.
Dat deze vermogende amateurmusicus de jonge componist ook aan de schrijftafel de helpende hand heeft geboden kan derhalve niet worden uitgesloten. Het contact met Triosso leidde ertoe dat zijn instrument in de zes nieuwe sonates een prominente rol kreeg.
In verband daarmee moest de , die in het klassieke strijkkwartet het ‘gat’ tussen violen en pleegt op te vullen, het veld ruimen. De belangrijke rol voor de contrabas was overigens rond 1800 niet zo ongewoon.
Er kwamen steeds meer virtuoze bassisten, zodat deze beroepsgroep niet langer genoegen hoefde te nemen met onbetekenende begeleidingsnoten (Rossini zou later ook nog een Duo voor cello en contrabas schrijven).
In de Sei a quattro trekken de snelle delen voorbij als giechelende meiden, in de langzame ën kwelen zangers die een uitvoeren. Kortom, de componist Rossini dient zich al aan.
Voor de Zesde sonate heeft hij nog een verrassing achter de hand. De titel La tempesta geeft weer dat er een storm opsteekt. Wie de stormscène uit Il barbiere di Siviglia kent, weet wat er dan kan gebeuren.
Weber: Klarinetkwintet
Ook de beste componist kan baat hebben bij de adviezen van een goede instrumentalist. Zo is een aantal belangrijke stukken voor klarinet ontstaan in nauwe samenwerking met toonaangevende bespelers van dit instrument.
Mozart had Anton Stadler, Brahms vond steun bij Richard Mühlfeld en Carl Maria von Weber had een even toegewijde adviseur genaamd Heinrich Josef Bärmann. Over Bärmann als klarinettist werd gezegd dat hij in staat was de souplesse van de Franse school te combineren met de klankrijkdom die men verlangde van een Duitse musicus.
De door hem gegeven eerste uitvoering van Webers Concertino voor klarinet en orkest in 1811 was zo’n succes dat de aanwezige koning Maximilian I van Beieren bij de componist erop aandrong spoedig twee klarinetconcerten te schrijven. Weber – hij was de moeilijkste niet – kon aan die lucratieve opdracht al voor het einde van hetzelfde jaar voldoen.
Zijn vierde werk voor dit instrument ontstond enkele jaren later. Dit was het Klarinetkwintet in Bes groot, 34, waarvan vorm en karakter stroken met de sinds Haydn traditionele, klassieke opzet. Van een kamermuziekwerk verwacht men in het algemeen dat de diverse instrumentale partijen min of meer gelijkwaardig zijn.
Maar dat geldt niet voor deze compositie, die heel duidelijk is geschreven om Herr Bärmann te laten schitteren. Of er nu een e verschijnt, een driftige snelle passage of een monter deuntje, de klarinet is haantje de voorste.
Paganini: Introductie en variaties
De titels die Niccolò Paganini voor zijn vioolcomposities koos spreken voor zichzelf, of het nu gaat om een Larghetto con passione, een amoroso of het stuk dat hij Variazioni di bravura noemde. Natuurlijk slaagde hij erin ook met dit laatste stuk zijn talloze bewonderaars gek van enthousiasme te maken en zijn collega-violisten razend jaloers.
Het bijzondere van deze variaties is dat de speler maar één snaar gebruikt
Inmiddels hebben ook talrijke bespelers van andere instrumenten zich kunnen uitleven op dit werkje dankzij allerlei arrangementen, al dan niet met begeleiding.
Zelfs de zwaarlijvige contrabas mag de virtuoze solist uithangen.
Het bijzondere van deze Introductie en variaties op een uit Rossini’s Mosè in Egitto is dat de speler maar één snaar gebruikt. Daarbij komt dat voor de originele vioolversie deze g-snaar een kleine terts hoger dient te worden gestemd.
Rossini’s waarop de variaties zijn gebaseerd, namelijk Dal tuo stellato soglio, wordt tegen het einde van de opera gezongen door een bas in de rol van de profeet Mozes. Hij staat aan de oever van de Rode Zee en smeekt de Almachtige het joodse volk te beschermen tegen de oprukkende troepen van de farao.
Paganini’s stuk begint met de melodie van Rossini als onderdeel van een langzame inleiding. Halverwege de eerste bladzijde gaat de muziek over van naar . Kort daarop maakt de introductie plaats voor de eerste van de drie variaties.
Er wordt vervolgens kwistig met ten gestrooid. Tegen het einde schrijft de componist ‘sul ponticello’ voor, een effect dat ontstaat wanneer de strijkstok dichtbij de kam wordt gehouden zodat een enigszins glazige klank ontstaat.
Mendelssohn: Eerste Strijkkwintet
De nabijheid van enkele vroege meesterwerken van Felix Mendelssohn als het Octet en de ouverture Ein Sommernachtstraum heeft er mede toe geleid dat andere aantrekkelijke stukken uit dezelfde periode in de schaduw zijn gebleven.
Bijvoorbeeld het Eerste strijkkwintet, dat net als de etten van Mozart twee altviolen vereist. Het is een compositie die menigeen bij de première verbaasde doordat een werkelijk langzaam deel ontbrak. Maar daarin kwam verandering.
Na een succesvolle uitvoering in 1832 in Parijs noteerde Mendelssohn in een brief: ‘Ik moet nu allereerst een voor mijn kwintet schrijven. De spelers vragen erom en ik vind dat ze gelijk hebben’. Dus haalde de componist een streep door het sierlijke en verving dat door een ernstig Intermezzo.
Dit laatste ook in verband met de dood van een van zijn dierbare vrienden. De violist Eduard Rietz had hem jarenlang terzijde gestaan bij het uitgebreide Bach-onderzoek dat tot de uitvoeringen van de herontdekte Matthäus-Passion zou leiden.
Het Intermezzo, met de eerste vioolpartij sterk op de voorgrond, werd het emotionele hoogtepunt van het kwintet. Niet smartelijk – want zo was de componist niet – maar vervuld van een rustige ernst. In de andere delen toont Mendelssohn onder meer een grote mate van bedrevenheid in de kunst van de meerstemmigheid.
Bijna twintig jaar later zou hij een tweede kwintet voor dezelfde instrumentale combinatie schrijven, dat mede door zijn vollere klank en donkere expressiviteit dichter bij Brahms staat.
Biografie
Arno Piters, klarinet
Arno Piters studeerde klarinet en es-klarinet aan het Maastrichts Conservatorium bij Jan Cober en Willem van der Vuurst en behaalde zijn diploma met onderscheiding. Daarna studeerde hij bij George Pieterson aan het Conservatorium van Amsterdam, waar hij opnieuw zijn diploma met onderscheiding haalde.
Hij was lid van het Nationaal Jeugd Orkest, het Gustav Mahler Jugendorchester en het European Union Youth Orchestra waar hij speelde onder leiding van Pierre Boulez, Bernard Haitink en Vladimir Ashkenazy.
Als solist speelde hij onder meer met het Residentie Orkest, het Limburgs Symfonie Orkest en de Nürnberger Symphoniker. Als kamermusicus speelde hij op festivals in binnen- en buitenland.
Van 2001 tot 2003 was hij verbonden aan het Radio Symfonie Orkest. Daarna werd hij (es)-klarinettist bij het Concertgebouworkest te Amsterdam.
Als docent is hij verbonden aan het Conservatorium van Amsterdam.
Jae-Won Lee, viool
Violiste Jae-Won Lee, afkomstig uit Seoul, studeerde vanaf 2002 aan het Conservatoire National Supérieur de Musique in Parijs.
In 2010 vervolgde zij haar studie bij Mihaela Martin, eerst in Genève en vervolgens – van 2012 tot 2014 – aan de Hochschule für Musik in Keulen. Ze remplaceerde bij onder meer het Orchestre Philharmonique de Radio France en het orkest van de Opéra de Paris.
In 2014 werd Jae-Won Lee aangenomen als plaatsvervangend aanvoerder van de tweede violen van het Seoul Philharmonic Orchestra. Enkele maanden later won ze het proefspel van het Koninklijk Concertgebouworkest en tijdens de tournee naar Seoul in april 2015 maakte ze als remplaçant kennis met haar toekomstige collega's.
Sinds oktober 2015 is Jae-Won Lee tweede plaatsvervangend aanvoerder van de tweede violen.
Jane Piper, viool
Jane Piper werd geboren in Sydney en studeerde viool aan het Australian Institute of Music bij Alice Waten.
In Australië speelde Jane Piper met het Australian Chamber Orchestra en toerde zij met dit orkest naar belangrijke festivals in het buitenland. Zij speelde ook bij het Sydney Symphony Orchestra.
Van 2006 tot 2011 was Jane Piper in dienst als tweede violiste bij het Nederlands Kamerorkest onder leiding van Gordan Nikolić. Daarnaast remplaceerde zij ook bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest, Amsterdam Sinfonietta, Les Musiciens du Louvre en Camerata Salzburg. Jane Piper speelt regelmatig kamermuziek met verschillende ensembles en trad op tijdens diverse festivals.
Sinds augustus 2011 is zij tweede violiste bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Jane Piper speelt op een viool van Francesco Rugeri uit Cremona, gebouwd in 1686 en eigendom van de Stichting Donateurs Koninklijk Concertgebouworkest.
Herre Halbertsma, viool
Herre Halbertsma begon zijn vioolcarrière op zesjarige leeftijd aan de muziekschool in Zeist. Hij vervolgde zijn studie aan het Sweelinck Conservatorium te Amsterdam bij Simon Kooke en Herman Krebbers.
Hij speelde onder leiding van Claudio Abbado in het European Community Youth Orchestra (tegenwoordig European Union Youth Orchestra) en het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Hans Vonk.
Sinds september 1990 is Herre Halbertsma tweede violist bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Hij maakt tevens deel uit van het Concertgebouw Kamerorkest.
Herre Halbertsma bespeelt een Januarius Gagliano uit 1750.
Saeko Oguma, altviool
Saeko Oguma studeerde in aan de Toho Gakuen Muziekacademie in Tokio, waarna zij orkestervaring opdeed bij het Deutsches Symphonieorchester Berlin en bij enkele grote Japanse orkesten, waaronder het Tokyo Symphony Orchestra en het Tokyo Nomori Orchestra onder Riccardo Muti. Als kamermusicus trad zij op tijdens diverse festivals in Japan.
Aan het Conservatorium van Amsterdam studeerde ze verder bij Sven Arne Tepl, Marjolein Dispa en Nobuko Imai.
Tijdens het Internationale Johannes Brahms Concours in 2008 won Saeko Oguma de tweede prijs. Eerdere prijzen won ze onder meer tijdens de Tokyo Music Competition (2006) en de Nagoya International music competition (2003).
Na het winnen van het Nationaal concours Amsterdam trad ze in september 2010 als plaatsvervangend aanvoerder van de altviolen toe tot het Concertgebouworkest.
Roland Krämer, altviool
De Duitse altviolist Roland Krämer studeerde bij Eckart Klakow en Eberhard Klemmstein aan de muziekschool in Erlangen. Hij vervolgde zijn studie bij Hatto Beyerle aan de Musikhochschule in Wenen en Hannover, waar hij in 1989 als uitvoerend musicus met onderscheiding afstudeerde.
Voor zijn afstuderen speelde hij in diverse orkesten waaronder de Nürnberger en de Dortmunder Philharmoniker. Sinds november 1989 is hij verbonden aan het Koninklijk Concertgebouworkest.
Daarnaast maakte hij sinds 1990 deel uit van de Amsterdamse Bach Solisten, het Viotta Ensemble, de Ebony Band en het Ebony Kwartet.
Roland Krämer bespeelt een vroeg-negentiende-eeuwse van de Salzburger instrumentenbouwer A.F. Mayr, hem in bruikleen gegeven door RCO Foundation.
Honorine Schaeffer, cello
Honorine Schaeffer, geboren in een kunstenaarsfamilie, begon op zesjarige leeftijd haar studie aan het conservatorium van haar geboortestad Avignon. Na haar studie bij Cyrille Tricoire aan het Conservatoire de Montpellier begon ze haar opleiding aan het Conservatoire National Supérieur in Parijs, waar ze studeerde bij Michel Strauss en Marc Coppey. Ze rondde haar masterstudie af met de hoogste onderscheiding. In 2007 won ze de prijs voor jong talent van de Carl Flesch Akademie, in 2012 de eerste prijs tijdens de Lions European Musical Competition.
Schaeffer continueerde haar studie in 2013 bij Leonid Gorokhov aan de Hochschule für Musik in Hannover, waar ze in 2019 afstudeerde met een solistendiploma op het hoogste niveau.
De celliste, die altijd al veel interesse in symfonische muziek had, nam deel aan de Académie de l'Orchestre de Paris (2008) en de Académie de l'Orchestre Philharmonique de Radio France (2009). In het seizoen 2012/2-13 nam ze deel aan de Academie van het Concertgebouworkest, en het seizoen daarop aan de Karajan Akademie van de Berliner Philharmoniker. Op 22-jarige leeftijd werd ze aangenomen bij het Concertgebouworkest, waar ze sinds augustus 2014 deel uitmaakt van de groep .
Datzelfde jaar vormde ze met drie orkestcollega’s het GoYa Quartet. In 2015 won het kwartet de Prix de Salon, de jaarlijks door de businessclub van het orkest aan een orkestlid toegekende prijs. Met het GoYa Quartet dan wel als soliste musiceerde Schaeffer op prestigieuze muziekpodia in Nederland, België, Frankrijk en de Baltische staten.
Honorine Schaeffer bespeelt een cello gebouwd in 1866 door Bernardel Père; haar strijkstok is vervaardigd is door haar vader, Christophe Schaeffer.
Dominic Seldis, contrabas
De Britse contrabassist Dominic Seldis studeerde aan de Royal Academy of Music in Londen bij Robin McGee en het Mozarteum in Salzburg bij Klaus Stoll. Voordat hij in 2008 als solocontrabassist tot het Koninklijk Concertgebouworkest toetrad, speelde hij als eerste contrabassist in het BBC National Orchestra of Wales.
Als solist trad hij op met onder meer het London Symphony Orchestra, The Philharmonia Orchestra, het BBC National Orchestra of Wales en het Concertgebouw Kamerorkest.
Dominic Seldis speelt Paganini tijdens een Zondagochtend Concert
Naast zijn werk voor het Concertgebouworkest speelt Dominic Seldis in het John Wilson Orchestra. Tevens geeft hij soloconcerten en maakt hij kamermuziek, onder anderen met zijn vaste muzikale partner, pianist James Pearson en met het Concertgebouw Kamerorkest. Hij verschijnt regelmatig in muziekprogramma's op zowel de Nederlandse als de Engelse tv. Dominic Seldis doceert aan de Royal Academy of Music in Londen en geeft wereldwijd masterclasses.
Hij heeft een grote passie voor pomuziek en jazz en nam muziek op met onder anderen Tina Turner, Rod Stewart, Seal, Spice Girls, Tom Jones, Shirley Bassey, Wouter Hamel en Giovanca en werkt in toenemende mate als arrangeur en muzikaal leider. Zijn pop-orkest The Love Philharmonic bestaat grotendeels uit musici van het Koninklijk Concertgebouworkest.
Mede dankzij de Zwitserse Vrienden van het orkest en de Foundation Concertgebouworkest heeft Dominic Seldis sinds 2015 contrabas van Vincenzo Panormo (gebouwd ca. 1810) in bruikleen.
Mariëtta Feltkamp, contrabas
Contrabassiste Mariëtta Feltkamp studeerde van 1988 tot 1992 aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam en het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Haar docenten waren Hans Krul, Knut Guettler en Quirijn van Regteren Altena.
Vanaf 1991 maakte Mariëtta Feltkamp deel uit van de contrabassectie van Holland Symfonia (tegenwoordig Het Balletorkest). Ze remplaceerde bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Nederlands Kamerorkest.
Sinds 1993 maakt ze deel uit van het Koninklijk Concertgebouworkest. Mariëtta Feltkamp heeft een J.J. Stadlmann-contrabas, gebouwd in 1767, uit de collectie van de Foundation Concertgebouworkest in bruikleen.








