Close-up: Roaring Twenties

Laetitia Gerards – sopraan 

musici van het Concertgebouworkest:
Mariya Semotyuk-Schlaffke fluit
Alexander Krimer hobo
Hein Wiedijk klarinet
Simon Van Holen fagot, contrafagot
Jos de Lange fagot
Laurens Woudenberg hoorn
Ursula Schoch viool
Vilém Kijonka altviool
Benedikt Enzler cello  

Dit concert maakt deel uit van de serie Close-up: Orkestleden op het Vriendenpodium.

Een programmaboekje is gratis verkrijgbaar aan de zaal. Daarin vindt u ook de zangteksten en de biografieën van de orkestmusici. 

Zie hier biografieën van de orkest­musici. 

Ook interessant:
- Sopraan Laetitia Gerards: ‘De Kleine Zaal is magisch, als een tweede thuis’ 

Kurt Weill (1900-1950) / Bertold Brecht (1898-1956)

Vijf delen uit ‘Die Dreigroschenoper’ (1928, bewerking voor blaaskwintet A.R. Kay 1998) 
Ouvertüre 
Salomon-Song
Ballade vom angenehmen Leben
Lied von der Unzulänglichkeit
    menschlichen Strebens 
Die Morität von Mackie Messer

Kurt Weill

Frauentanz, op. 10 (1923-24)
voor sopraan en ensemble, op zeven middeleeuwse gedichten

Erwin Schulhoff (1894-1942)

Bassnachtigall, op. 38 (1922)
drie voordrachtstukken voor contrafagot solo
Melancolia
Perpetuum mobile
Fuga 

Drie werken voor mezzosopraan, fluit, altviool en cello (1936)
Der Bettler (Žėbrák)
Wiegenlied (Ukolébavka)
Die Drähte (Dráty)

Duo voor viool en cello (1925)
[in vier delen]

pauze ± 15.00 uur

Hanns Eisler (1898-1962)

Scherzo voor strijktrio (1920)

Palmström, op. 5 (1923-24)
‘Parodien für eine Sprechstimme, Flöte, Klarinette in A, Violine und ­Violoncello’
Venus Palmström – Notturno – L’art pour l’art – Galgenbruders Frühlingslied – Couplet von der Tapetenblume

Duo voor viool en cello, op. 7 (1924)
Tempo di minuetto
Allegro vivace

Divertimento voor blaaskwintet, op. 4 (1924)
Andante con moto
Thema und Variationen

Paul Hindemith (1895-1963)

Kleine Kammermusik, op. 24 nr. 2 (1922)
voor blaaskwintet
Lustig: Mässig schnelle Viertel
Walzer: Durchweg sehr leise
Ruhig und einfach 
Schnelle Viertel
Sehr lebhaft

einde ± 16.20 uur 

Toelichting

Toelichting

Door Carine Alders

Berlijn, Wenen, Frankfurt aan het begin van de jaren 1920: de rook van de Eerste Wereld­oorlog is nog maar nauwelijks opgetrokken. De jonge componisten in dit programma hebben die oorlog overleefd. Er wordt geleefd in de hoogste versnelling, vol levenslust wordt geëxperimenteerd in kunst, techniek en wetenschap. In cafés en clubs ontmoeten jonge makers elkaar. Nieuwe muziek klinkt in huiskamers en galeries. Verenigingen voor moderne muziek schieten als paddenstoelen uit de grond. 

Kurt Weill

Kurt Weill is de enige die ontkwam aan de militaire dienst, door op de avond voor zijn keuring een grote hoeveelheid aspirine in te nemen. Nog tijdens de oorlog trok hij van Dessau naar Berlijn om aan de Hochschule für Musik te studeren bij Ferruccio Busoni en Engelbert Humperdinck. Ondanks – of misschien wel dankzij – de barre tijden waren de theaters en concertzalen gewoon open, het culturele leven bloeide. Toen Weill in 1927 in Berlijn Bertolt Brecht ontmoette, ontwikkelde zich tussen de ervaren schrijver en de jonge componist een symbiotische relatie, die zo’n drie jaar zou duren. Hun Drei­groschenoper ontstond als in een snelkookpan. Acteur Ernst Aufricht was op zoek naar een kassucces voor zijn nieuwe theater. In artiestencafé Schlichter vond hij Brecht, die net bezig was met een eigen versie van The Beggar’s . Zijn nieuwe teksten schreeuwden om nieuwe muziek en Weill was de man. Het duo had vier maanden om de klus te klaren en vertrok naar de Rivièra om daar in alle rust samen te werken. Toen Weill het resultaat aan de piano voorspeelde, herkende Aufricht snel de hitpotentie. De theaterman schreef later: ‘Hoe vreemd het ook klonk, de muziek bezat een naïeve kwaliteit die me ontroerde, terwijl het toch ook werelds en opwindend was.’ 

Vijf jaar eerder was Weill gevallen voor de getrouwde Nelly Frank. Zij wilde van haar man scheiden, maar die stond dat niet toe en nam haar mee naar Amerika. Deze onbereikbare liefde inspireerde Weill tot de cyclus Frauentanz, op middeleeuwse gedichten over hoofse liefde. Een van de gedichten is Eens Meien Morgens Vroege, van de Brabantse Hertog Jan, met de bekende, maar raadselachtige woorden ‘harba lorifa’. De cyclus ging op 25 januari 1924 in première tijdens een concert van de International Society for Contemporary Music in Berlijn.

Erwin Schulhoff

Erwin Schulhoff raakte aan het front in de Eerste Wereldoorlog door granaatscherven gewond aan zijn hand, een nachtmerrie voor de jonge pianist. Hij richtte zich na de oorlog op componeren en won – net als Weill – een Mendelssohnbeurs voor compositie. Via zijn zus, die aan de kunstacademie studeerde, raakte Schulhoff in de ban van de kunststroming dada. Hij organiseerde zelf dadaïstische soirees en Bassnachtigall ontstond in Berlijn in deze periode. Schulhoff schreef er zelf een tekst bij: ‘De goddelijke vonk kan zich zowel in een leverworst als in een contrafagot openbaren. […] Als alle anderen in zoete tonen op de viool snikken, dan – zoals je merkt – doe ik het tegenovergestelde om jullie op te zwepen, jullie kleine marionetten, dandy’s van de ziel, h­oorngebrilde salonintellectuelen, pathologische theeplanten en rottende expressionisten.’

De Drie werken voor mezzosopraan, fluit, a­ltviool en klonken eind november 1936 voor de radio in de Tsjechische stad Ostrava en werden door Schulhoff speciaal voor dit medium gecomponeerd, voor het literair-muzikale programma Die klare und dunkle Stadt. Het instrumentale Dráty verklankt de radiogolven die door de ether gaan.

Nieuwe composities werden in de jaren 1920 en 1930 meestal voor klein publiek gespeeld door (orkest)musici die zich in hun vrije tijd voor nieuwe muziek inzetten. Zo ook de Nederlandse cellist Maurits Frank en zijn duopartner, violist Stanisláv Novák. Schulhoff vormde korte tijd met hen een . Zij brachten het Duo voor viool en cello in oktober 1925 in de ‘Prager Verein für musikalische Privat­aufführungen’ in première. 

Hanns Eisler

Hanns Eisler bevond zich als zeventienjarige tussen Hongaarse boerenzonen aan het front, met muziekpapier als zijn belangrijkste bezit. Helaas ging zijn map met composities door een granaatinslag verloren, maar Eisler zelf bleef ongeschonden. Tijdens een verlof had hij Arnold Schönberg zijn Kammersinfonie horen dirigeren, dat maakte grote indruk. Niet lang na de oorlog werd Schönberg zijn compositieleraar en groeide tussen hen een bijzondere band. Het S­cherzo voor strijktrio voltooide Eisler in augustus 1920. Enkele weken later vertrok hij als assistent van Schönberg naar Amsterdam. Het begint met het a-es, de initialen van zijn leermeester: een eerbetoon.

Eind maart 1923 rondde Eisler zijn studie bij Schönberg af, een jaar later componeerde hij Palmström. Behalve de ontbrekende piano is de bezetting gelijk aan Schönbergs Pierrot lunaire, maar voor het eerst zet Eisler zich af tegen zijn voormalige docent. Ook dit werk begint met het interval a – es, maar allengs krijgt het interval h – e de overhand: zijn eigen initialen (de Duitse benaming voor onze noot b is h). De teksten van Christian Morgenstern zijn surrealistisch en absurd, het is bijna cabaret. 

Eislers Duo voor viool en cello ontstond in de zomer van 1924, de première van het werk klonk op 3 april 1925 in Wenen, uitgevoerd door het duo Frank en Novák, de al genoemde ambassadeurs voor nieuwe muziek. Het werk klonk ook op het festival van de International Society for Contemporary Music in Venetië, samen met Schönbergs S­erenade, 24. In de trein terug naar Berlijn uitte Eisler kritiek op het festival tegenover Zemlinsky, Schönbergs zwager. Dit leidde tot een verhitte briefwisseling. Eisler schreef Schönberg: ‘Ik ben de moderne muziek zat, het interesseert me niet, veel muziek haat en veracht ik zelfs. Ik vermijd zoveel mogelijk ernaar te luisteren, ook enkele van mijn eigen werken van de afgelopen tijd horen daarbij.’ Eislers D­ivertimento voor blaaskwintet ademt nog Schönberg in vormbewustheid en heldere ideeën, maar waar Eisler Schönbergs stijl wel hysterisch noemde, componeerde hij zelf muziek met een vriendelijk karakter.

Paul Hindemith

Paul Hindemith verloor zijn vader aan het front in Vlaanderen en verdiende de kost voor zijn familie in de orkestbak van de opera in Frankfurt. Zelf werd hij in 1918 naar het front gestuurd, maar hij wist als musicus uit de vuurlinie te blijven. Na de oorlog wilde hij vooral muziek componeren die hij zelf mooi vond. Aan een vriendin schreef hij: ‘Ik wil muziek schrijven, geen lied of . […] Ik zie dat het hoog tijd is om mezelf te bevrijden van al die conservatorium­onzin.’ In Frankfurt stichtte hij zijn eigen club voor moderne muziek in Zinglers Kunstkabinet, de ‘Gemeinschaft für Musik’. De neoklassieke Kleine Kammermusik ontstond in deze periode en is opgedragen aan de Frankfurter Bläserkammermusikvereinigung, een ensemble van zijn collega’s uit het orkest van de Frankfurter opera. Het werk is gebaseerd op Kammer­musik No. 1, waarin Hindemith gebruik maakte van en sirene, maar is minder experimenteel.  

Biografie

Laetitia Gerards, sopraan

Laetitia Gerards begon op vijfjarige leeftijd met spelen en werd vanaf haar dertiende opgeleid aan de Young Musicians Academy van het conservatorium in Tilburg. Ze ontwikkelde een grote liefde voor zang en toneel. Ze studeerde muziektheater in Tilburg en zang bij Sasja Hunnego aan het Conservatorium van Amsterdam, waar ze in 2013 afstudeerde.

In 2014 kreeg ze de Concertgebouw Young Talent Award. Ook won ze het Prinses Christina Concours. 

De sopraan werd geëngageerd door de meeste Nederlandse orkesten en het Filharmonisch Orkest van Moskou en trad op in Italië, Argentinië, de Verenigde Staten en Canada.

Laetitia Gerards heeft speciale affiniteit met het werk van componisten als Kurt Weill, Leonard Bernstein en George Gershwin, en maakte indruk als Anna in Die sieben Todsünden van Weill, Anne Egerman in Sondheims A Little Night Music en Eileen in Bernsteins A Wonderful Town voor de Nederlandse Reisopera. Andere hoogtepunten waren haar vertolking van Servilia in La clemenza di Tito van Mozart met het Orkest van de Achttiende Eeuw onder Kenneth Montgomery, Dancing Girl in Adams’ The Death of Klinghoffer onder leiding van de componist, en in december 2023 Papagena in Mozarts Die Zauberflöte bij De Nationale .

In de was Laetitia Gerards onder meer te horen met een geënsceneerde La voix humaine van Poulenc (2017) en kreeg ze in maart 2018 carte blanche tijdens een TRACKS-concert.