Close-up: portretconcert Tatjana Vassiljeva
Tatjana Vassiljeva cello
Valentina Svyatlovskaya viool
Jeroen Bal piano
Zoltán Kodály (1882-1967)
Sonate, op. 8 (1915-21) voor cello solo
Allegro maestoso ma appassionato
Adagio con grande espressione
Allegro molto vivace
pauze (± 14.45 uur)
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)
Pianotrio in a kl.t., op. 50 (1881-82)
Pezzo elegiaco (Moderato assai – Allegro giusto)
Tema con variazioni: Andante con moto – Variazione
finale e coda: Allegro risoluto e con
fuoco – Coda: Andante con moto – Lugubre
einde (± 16.10 uur)
Toelichting
Zoltán Kodály (1882-1967)
Kodály: Sonate voor cello solo
Door Hugo Bouma
‘Over 25 jaar zal men geen cellist accepteren, die dit stuk níet gespeeld heeft’, zo voorspelde Zoltán Kodály over zijn voor solo. Hoewel zijn voorspelling maar ten dele uitkwam, is dit werk na de bekende cellosuites van Johann Sebastian Bach misschien wel het belangrijkste in het solorepertoire, en een mijlpaal voor iedere cellist.
De Hongaar Kodály was, samen met zijn landgenoot Béla Bartók, een verwoed verzamelaar van Oost-Europese volksmuziek, waarvoor ze met een fonograaf naar de binnenlanden trokken om muziek van de plaatselijke bevolking op te nemen. Het is deze ruwe, vaak hoekige volksmuziek die de basis vormt voor veel van Kodály’s composities. Hij bouwde er echter wel grotere, meer gepolijste werken van, zoals ook deze Sonate.
Tatjana Vassiljeva, solocelliste van het Koninklijk Concertgebouworkest: ‘De meeste cellisten zullen het met me eens zijn als ik zeg dat de van Kodály misschien wel het meest technisch uitdagende stuk is dat we in ons repertoire hebben. We zijn alleen met het publiek, waardoor we de mogelijkheid krijgen een heel intieme band te creëren. Maar je kunt je ook nergens achter verstoppen. Behalve dat iedere denkbare techniek erin zit, tot het uiterste doorgedreven, is er ook fysieke kracht en uithoudingsvermogen nodig om het eind te halen.’
Behalve dat dit werk zowat alle technieken die een cellist wordt geacht te beheersen tot het uiterste drijft, schrijft Kodály ook een alternatieve stemming voor: door de laagste twee snaren van het instrument een halve toon omlaag te stemmen, verdiept het geluid en ontstaan nieuwe mogelijkheden voor het spelen van en. Dit is in de openingsmaten meteen te horen.
Het eerste deel is een serieuze aangelegenheid, waarin woede en berusting elkaar afwisselen op de uitersten van het instrument. In het hierop volgende begeleidt de cello zichzelf, tokkelend op de laagste snaren onder een dromerige, eindeloze lijn. Hier stelt Kodály halverwege het deel agressievere, energieke muziek tegenover. In het slotdeel geeft de componist een uitgebreide tour langs een bonte verzameling aan volksmuziek, waarbij hij van de cellist tevens het uiterste aan virtuositeit en uithoudingsvermogen vraagt.
Vassiljeva: ‘Ik herinner me nog dat ik dacht, toen ik het stuk tien jaar geleden opgenomen had: ‘Maar goed dat ik dit nu doe; als ik ouder ben heb ik er vast de kracht niet voor!’ Maar door ervaring leer je jezelf ook beter kennen – je leert hoe je je energie moet verdelen. In feite wordt het daarna alleen maar makkelijker, en kun je krachtiger spelen.
Ik kan me onmogelijk eenzaam voelen als ik deze sonate van Kodály studeer, laat staan wanneer ik hem uitvoer! Er zit zo veel in, zoveel spanning, schoonheid, mysterie en passie, dat het altijd een muzikaal avontuur is. Het laatste deel is als een feestje zo vrolijk. Als ik dit werk in het openbaar speel, en er die band met het publiek is, lijkt het wel of we samen een feestje vieren!’
Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)
Tsjaikovski: Pianotrio
‘Dit programma is te beschouwen als een uitdrukking van mezelf als cellist. Ik ben Russische, en alle muziek van Tsjaikovski is in zekere zin een uitdrukking van de Russische ziel in muziek. Omdat ik heel erg houd van het spelen van kamermuziek vond ik het mooi om dit ook op het programma te zetten.’ Aldus Tatjana Vassiljeva over Tsjaikovski’s in a klein.
Nog geen jaar nadat Pjotr Iljitsj Tsjaikovski in niet mis te verstane termen schreef dat de combinatie piano-viool- hem vanwege het gebrek aan balans niet aanstond, begon hij te werken aan dit pianotrio. Hij droeg het werk op ‘ter herinnering aan een groot kunstenaar’, waarmee hij doelde op de plotseling overleden pianist Nikolai Rubinstein (1835-1881). Zijn nagedachtenis is ook hoorbaar in de virtuoze, welhaast uitputtende pianopartij.
Ook in zijn eigen is de balans met de strijkers een uitdaging. Vassiljeva: ‘Ook al is dit stuk natuurlijk eigenlijk voor drie gelijkwaardige spelers, kan je jezelf op bepaalde momenten alsnog als solist presenteren – meteen in het begin al met dat prachtige thema. Maar het belangrijkste is de balans en de interactie tussen de instrumenten. Ik moet zeggen dat dit werk nog steeds óók een fysieke en technische uitdaging is, met name de van de achtste variatie, en het kost de cellist wel eens moeite om hoorbaar te blijven boven de piano. Dus ook hier is kracht een vereiste!’
Het werk is met zijn twee grote delen vrij ongebruikelijk van opbouw. Het begint met een elegisch deel, waarin de componist zijn talent voor de ‘eindeloze ’ tentoonspreidt, en elk van de drie instrumenten uitgebreid de kans geeft om te ‘zingen’. Tsjaikovski vervolgt met een uiteenlopende set variaties op een opgewekt, opgeruimd . Sommigen horen hierin verschillende herinneringen die de componist had aan Rubinstein. Bij wijze van finale – sommigen noemen dit het derde deel – keert Tsjaikovski hierna geleidelijk aan terug naar de elegische melodie van het begin, die uiteindelijk wegsterft als een dodenmars.
Biografie
Tatjana Vassiljeva-Monnier, cello
Tatjana Vassiljeva-Monnier is eerste solocelliste bij het Concertgebouworkest sinds augustus 2014. Ze studeerde in haar geboortestad Novosibirsk en in Moskou, waarna ze in 1994 naar München verhuisde om aan de Musikhochschule bij Walter Nothas te studeren. Ze vervolgde haar studie aan de Musikhochschule Berlin bij David Geringas.
Tatjana Vassiljeva-Monnier won onder meer het Rostropovitsj-concours in 2001 en soleerde met orkesten als het London Symphony Orchestra, het NHK Symphony Orchestra, de Münchner Philharmoniker, het Orchestre de Paris, het Sint-Petersburg Filharmonisch Orkest, het Tonhalle-Orchester Zürich, het Orchestre de la Suisse Romande en het New Japan Philharmonic Orchestra.
De celliste bracht talloze nieuwe werken in première. Met Krzysztof Penderecki werkte ze meerdere malen samen; ze bracht de gereviseerde versie van zijn Largo in première en nam zijn Tweede celloconcert op met het Filharmonisch Orkest van Warschau. Voor haar discografie won Tatjana Vassiljeva-Monnier diverse prijzen, zoals een Diapason d’Or voor een cd met hedendaagse werken en een CHOC voor haar opname van Bachs s.
Met enkele strijkers van de Berliner Philharmoniker richtte ze in 2007 het Philharmonisches Streichquintett Berlin op, waarmee ze tournees door Europa en Azië ondernam. Sinds 2023 geeft ze les aan de Hochschule für Musik Karlsruhe. Tatjana Vassiljeva-Monnier bespeelt een cello van Matteo Goffriller uit 1690, die door de Willem Mengelberg Stiftung aan haar in bruikleen is verstrekt via de Foundation Concertgebouworkest.
Jeroen Bal, piano
Op 25 januari 2026 overleed Jeroen Bal op 52-jarige leeftijd.
Jeroen Bal was sinds januari 2019 in dienst van het Concertgebouworkest, als eerste pianist ooit in de geschiedenis van het orkest. Daarvoor remplaceerde hij al jarenlang op zeer regelmatige basis bij het Concertgebouworkest en diverse andere Nederlandse orkesten, en bij orkesten als het Mahler Chamber Orchestra, waarmee hij Stravinsky’s Petroesjka uitvoerde onder leiding van Pierre Boulez. Ook met het Concertgebouworkest speelde hij dit werk diverse malen.
Jeroen Bal vergezelde het orkest onder meer op tournees door Japan en de Verenigde Staten. Met orkestleden treedt hij veel op in kamermuziekverband. Zo nam hij in 2016 een cd op met Camerata RCO en vormt hij met violist Tjeerd Top en cellist Johan van Iersel het Vermeer . In december 2017 maakte Jeroen samen met solotrompettist Omar Tomasoni een tournee van een maand door Japan.
Jeroen Bal studeerde bij Jan Wijn aan het Conservatorium van Amsterdam. Hij was finalist op het Prinses Christina Concours, won de ‘Vriendenkrans’ van Het Concertgebouw en bereikte in 1996 de halve finale van het Internationale Franz Liszt Pianoconcours in Utrecht.
Valentina Svyatlovskaya, viool
Valentina Svyatlovskaya kreeg als vijfjarige haar eerste vioollessen en werd al op haar tiende toegelaten tot het conservatorium van haar geboortestad St. Petersburg. Tijdens haar vervolgopleiding aan de Zwitserse Menuhin Academy kreeg ze les van Alberto Lysy en Liviu Prunaru, concertmeester van het Koninklijk Concertgebouworkest.
Vlak daarna, in oktober 2007, trad ze zelf als eerste violiste toe tot het Koninklijk Concertgebouworkest. Tijdens het Koningin Elisabethconcours van 2012 bereikte Svyatlovskaya de halve finale. Valentina Svyatlovskaya bespeelt een door Andrea Guarneri gebouwde viool uit 1676.


