Close-up: portretconcert Miriam Pastor Burgos
Close-up: portretconcert Miriam Pastor Burgos 20.15 uur
Miriam Pastor Burgos hobo, althobo
Julie Moulin fluit
Davide Lattuada klarinet
Simon Van Holen fagot
Fons Verspaandonk hoorn
m.m.v. Daniël Kool piano
m.m.v. Christina Edelen klavecimbel
Marin Marais 1656-1728
Les folies d’Espagne (1701)
versie voor traverso (hier althobo) en klavecimbel door Jean-Claude Veilhan en Guy Robert (1978)
Manuel de Falla 1876-1946
Siete canciones populares españolas (1914)
voor zang (hier althobo) en piano
El paño moruno
Seguidilla murciana
Asturiana
Jota
Nana
Canción
Polo
Francis Poulenc 1899-1963
Trio voor hobo, fagot en piano (1926)
Presto
Andante
Rondo
pauze
Ludwig Thuille 1861-1907
Sextet in Bes gr.t., op.6 (1888)
voor piano en houtblazers
Allegro moderato
Larghetto
Gavotte. Andante, quasi allegretto
Finale. Molto vivace
begin van de pauze ca. 21.10 uur
einde van het concert ca. 22.10 uur
Toelichting
introductie
Close-up: portretconcert Miriam Pastor Burgos
Tekst: Anneloes Brand
Dit Close-up concert draait om de (alt)hobo, het instrument van Miriam Pastor Burgos. Het dubbelriet van een hobo wordt gevormd door twee licht gebogen rietbladen, die gewoonlijk door de musici zelf worden vervaardigd en met garen rond een metalen stiftje bijeen worden gebonden.
De huidige hobo is in Frankrijk in de zeventiende eeuw uit de schalmei ontwikkeld. Het woord ‘hobo’ is afkomstig van het Franse hautbois, hetgeen ‘hoog hout’ betekent.
Variaties op de hobo zijn de , ook bekend als de Engelse ofwel de cor anglais, de oboe d’amore (liefdeshobo), de oboe da caccia (jachthobo) en de musette (-hobo).
De oboe d’amore is een soort ing tussen de hobo en de . De oboe da caccia is waarschijnlijk de voorloper van de althobo. Verder bestaan er nog een tenor- en een baritonhobo.
In dit portretconcert krijgt u uitgebreid de kans de klankrijkdom van de (alt)hobo te leren kennen, en Miriam Pastor Burgos’ Spaanse muzikale achtergrond.
Marin Marais 1656-1728
folies d'espagne
Marin Marais, een leerling van Monsieur de Sainte-Colombe en Jean-Baptiste Lully, was van 1679 tot 1725 een gevierde viola da gamba-speler en componist aan het hof van Lodewijk XIV en XV in Versailles.
Hij liet een oeuvre van meer dan zeshonderd werken na, waarvan vele voor zijn instrument. Beroemd zijn zijn vijf boeken Pièces de viole, voornamelijk gevuld met s van dansen, fantasia’s, chaconnes, rondeaux, x en karakterstukken.
Vanavond klinkt het bekende Les folies d’Espagne, het twintigste en laatste deel van de Eerste suite in d klein uit Pièces de viole, Livre II, gepubliceerd in 1701. Marais laat in het voorwoord weten dat de werken ook door andere instumenten dan viola da gamba kunnen worden uitgevoerd en noemt , klavecimbel, hobo, viool en fluit als geschikte kandidaten.
De geschiedenis van de folia gaat waarschijnlijk terug tot de vijftiende eeuw in Portugal. De vrolijke volkse dans – vandaar de naam ‘folia’: pretmakerij – werd daarna populair in buurland Spanje en ‘reisde’ in de vroeg-zeventiende eeuw vanwege de Spaans-Italiaanse adellijke connecties door naar Italië.
Daar werd de vorm ontwikkeld tot een variatiereeks en opgenomen in de kunstmuziek. Later die eeuw kwam de folia ook in Frankrijk terecht en maakten zowel Lully als Marais gebruik van de .
Marais was zich van de Spaanse historie bewust – gezien de titel en de begeleiding van Les folies d’Espagne, die soms op gitaarakkoorden lijkt – maar componeerde net als de Italianen ook een variatiereeks: het op een herhaald baspatroon van acht maten kreeg 32 variaties van uiteenlopend karakter.
Manuel de Falla 1876-1946
siete canciones populares españolas
In 1907 zocht de Spaanse componist Manuel de Falla zijn geluk in Parijs. Hij componeerde er niet veel, maar sloot wel vriendschap met vakgenoten als Dukas, Debussy en Ravel, die grote invloed op hem hadden.
Net vóór hij vanwege de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog terugkeerde naar Madrid, componeerde Falla zijn cyclus Siete canciones populares españolas. Hij gebruikte hiervoor authentieke of bewerkte volksmelodieën uit verschillende regio’s van Spanje en gaf ze een opwindende pianobegeleiding op basis van een met verrijkte k en met klankeffecten die doen denken aan Spaanse gitaarmuziek en flamenco.
De première op 14 januari 1915 in Madrid door de sopraan Luísa Vela en de componist zelf aan de piano was een groot succes en hielp Falla aan internationale bekendheid. Al gauw orkestreerde zijn leerling en vriend Ernesto Halffter de pianobegeleiding en later werd het werk meermalen bewerkt voor diverse instrumentale bezettingen, waarvan de bewerking door de Poolse violist Paul (Pavel) Kochanski en Falla uit 1926 de bekendste is.
Ze lieten het tweede deel achterwege, veranderden de volgorde van de delen en gaven het werk de titel populaire espagnole. Vandaag hoort u echter een instrumentale versie van de oorspronkelijke cyclus.
Francis Poulenc 1899-1963
trio
Kort na Falla’s verblijf in Parijs trad Francis Poulenc toe tot de artistieke kringen van de Franse hoofdstad. De Parijzenaar was een begenadigd pianist, geschoold door de Spaanse pianovirtuoos Ricardo Viñes, en een grotendeels autodidact componist.
Poulenc, bekend als lid van de Groupe des Six, ontwikkelde zijn eigen neoclassicistische muzikale taal, met de nadruk op helderheid, eenvoud, lyriek en humor. Hij componeerde zijn voor hobo, en piano tussen februari en april 1926 in Cannes en droeg het op aan Manuel de Falla.
Poulencs toelichting tekent zijn luchtige ironie. ‘Voor diegenen die geloven dat ik niet om vorm geef, aarzel ik niet mijn geheim te onthullen: het eerste deel volgt de opzet van een Haydn- en de -finale is gebaseerd op het van Saint-Saëns’ Tweede pianoconcert.’ Poulenc maakte geen melding van het tweede deel, maar de elegantie en zangerigheid ervan roepen een Mozart- voor de geest.
Na ontvangst van de schreef Falla aan Poulenc: ‘Ik was dolblij met het langverwachte – MIJN TRIO! Ik ben er zo mee in mijn sas, dat we het bij de eerste de beste gelegenheid zullen uitvoeren in Sevilla (en de pianopartij is voor mijzelf natuurlijk).’ De première vond echter plaats op 2 mei 1926 in de Salle des Agriculteurs in Parijs door hoboïst Roland Lamorlette, tist Gustave Dhérin en Poulenc zelf.
Ludwig Thuille 1861-1907
sextet
Ludwig Thuille, geboren in Bozen in Zuid-Tirol, dat tegenwoordig Bolzano in Italië is, is een min of meer vergeten componist; het Sextet voor blaaskwintet en piano in Bes groot uit 1888 is een van zijn weinige werken die tegenwoordig nog worden uitgevoerd.
Nadat hij op jonge leeftijd zijn ouders had verloren, ontfermde een gefortuneerde weduwe zich over zijn muziekstudies in Innsbruck en bij Josef Rheinberger in München. Tegen het midden van de jaren tachtig had Thuille als pianist, docent en componist in München naam gemaakt.
Hij componeerde in vele genres, maar het zwaartepunt lag bij en kamermuziek. Zijn veel bekendere jeugdvriend Richard Strauss bleef zijn hele leven een muzikale en persoonlijke steunpilaar.
Strauss hielp bijvoorbeeld de première van het Sextet tot stand te brengen en had een hoge dunk van het werk. Het Sextet getuigt van Thuilles vakmanschap: de componist vormde met zes verschillende instrumenten een afwisselende, kleurrijke en uitgebalanceerde muzikale conversatie.
Biografie
Miriam Pastor Burgos, hobo
Miriam Pastor Burgos studeerde van 2003 tot 2007 hobo bij Paco Valero aan het conservatorium van Murcia. Ze vervolgde haar studie bij Dominik Wollenweber aan de Hochschule für Musik Hanns Eisler in Berlijn, waar ze in 2012 afstudeerde.
Orkestervaring deed ze op aan de de orkestacademie van de Berliner Philharmoniker, de Herbert von Karajan Akademie.
Miriam Pastor Burgos was ïste bij de Komische Oper en het Konzerthausorchester in Berlijn. Ook speelde ze bij onder meer de Berliner Philharmoniker, de Bamberger Symphoniker en het Deutsches Symphonie Orchester Berlin.
Nadat ze een paar keer als remplaçant had meegespeeld met het Koninklijk Concertgebouworkest, kwam ze er in september 2012 in dienst. Op 17 mei 2016 stond Miriam Pastor Burgos centraal tijdens een Close-up portretconcert in de . Sinds 1 december 2015 is ze gastdocent althobo aan het Conservatorium van Amsterdam.
Julie Moulin, fluit
Julie Moulin werd in de Franse Auvergne geboren, waar zij studeerde bij Cyril Coutier, Corinne Sagnol en Hervé Hotier. Na een jaar les bij Vincent Lucas in Parijs vervolgde ze haar studie van 2006 tot 2010 aan het Conservatoire National Supérieur in Lyon bij Philippe Bernold, Julien Beaudiment en Gilles Cottin.
Net na haar afstuderen werd ze geselecteerd voor de Academie van het Concertgebouworkest, en al na twee maanden werd ze bij het orkest aangenomen als tweede fluitiste en altfluitiste.
Naast haar orkestbaan is Julie Moulin actief als kamermusicus. Ze maakt deel uit van het blaaskwintet Quintette K, dat diverse internationale prijzen won, en vormt samen met Bruno Bonansea (soloklarinettist van het Rotterdams Philharmonisch Orkest) het Duo Yati.
Bovendien is de fluitiste oprichter en artistiek leider van het festival Les Echappées Musicales du Médoc. Julie Moulin geeft graag les: sinds 2013 doceert ze aan het CODARTS Conservatorium in Rotterdam, en in het buitenland geeft ze regelmatig masterclasses.
Davide Lattuada, klarinet
Davide Lattuada speelt klarinet vanaf zijn vijftiende en studeerde aan het conservatorium van Milaan bij Primo Borali. Van 1993 tot 2005 was hij verbonden aan het Orchestra Sinfonica Giuseppe Verdi (thans laVerdi) in Milaan en vanaf 1998 speelde hij regelmatig bij het Orchestra del Teatro alla Scala.
In het seizoen 2005-2006 maakte hij deel uit van het Orchestra dell'Accademia Nazionale di Santa Cecilia, en in augustus 2006 trad hij als basklarinettist toe tot het Koninklijk Concertgebouworkest.
Davide Lattuada bespeelt een klarinetset van de Franse bouwer Buffet Crampon, geschonken door de Freundeskreis Schweiz van het Koninklijk Concertgebouworkest.
In zijn vrije tijd is Davide Lattuada een fervent schaker.
Simon van Holen, contrafagot
Simon Van Holen studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, en aan de Robert Schumann Musikhochschule in Düsseldorf in de klas van Gustavo Núñez, waar hij in 2010 zijn diploma behaalde én de DAAD Förderpreis voor buitenlandse studenten kreeg uitgereikt. Hij volgde masterclasses bij onder anderen Klaus Thunemann, Brian Pollard, Stefan Schweigert, Sergio Azzolini, Dag Jensen en Ole Kristian Dahl.
Van Holen werd uitgenodigd voor de Zermatt Festival Academy en de Gustav Mahler Akademie en kon in 2010 dankzij een beurs van de stichting Villa Musica Rheinland-Pfalz kamermuziek spelen met Menahem Pressler, Sergio Azzolini en Ingo Goritzki.Simon Van Holen was lid van het European Union Youth Orchestra en het Gustav Mahler Jugendorchester en was verbonden aan de orkestacademie van de Düsseldorfer Symphoniker.
Hij remplaceerde bij onder andere de Berliner Philharmoniker, het Tonhalle-Orchester Zürich en de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen. In 2011 werd Simon van Holen als solocontrafagottist aangenomen bij de Düsseldorfer Symphoniker; sinds 2012 bekleedt hij diezelfde functie bij het Koninklijk Concertgebouworkest.
In 2013 won hij de door de zakelijke kring van het orkest uitgereikte Prix de Salon. Simon Van Holen is tevens docent en contrafagot aan het Conservatorium van Amsterdam.
Fons Verspaandonk, hoorn
Fons Verspaandonk studeerde aan het Brabants Conservatorium bij Herman Jeurissen en slaagde met onderscheiding. Hij volgde masterclasses bij Radovan Vlatkovic, Frøydis Ree Wekre en Michael Höltzel.
Sinds januari 2004 is Fons Verspaandonk ist in het Koninklijk Concertgebouworkest. Daarvoor speelde hij bij Het Brabants Orkest (1995-1998) en het Radio Filharmonisch Orkest (1998-2003). Van 2007 tot 2012 was Fons als hoofdvakdocent hoorn verbonden aan het Fontys Conservatorium in Tilburg.
Fons Verspaandonk maakt deel uit van het Farkas Quintet en werkt vaak samen met kamermuziekensembles zoals het Combattimento Consort Amsterdam.Hij maakt ook deel uit van het koperensemble van het Koninklijk Concertgebouworkest.
Fons Verspaandonk speelt op een Alexander 103 dubbele die hij in bruikleen heeft van de Stichting Donateurs Koninklijk Concertgebouworkest.
Daniël Kool, piano
Daniël Kool begon met pianospelen toen hij vijf was en op zijn negende won hij zijn eerste regionale concours. In 1997 werd hij toegelaten tot de jongtalentklas van Marjès Benoist aan het Conservatorium van Amsterdam. Later volgde hij lessen bij onder anderen Mila Baslawskaja.
Na het winnen van prijzen tijdens diverse nationale en internationale concoursen groeide de pianist uit tot een veelgevraagd solist en kamermusicus. Hij maakt deel uit van een aantal ensembles en vormt een duo met celliste Ketevan Roinishvili. Ook met Nora Fischer treedt hij geregeld op.
Daniël Kool musiceert veelvuldig op de Nederlandse podia, en reisde voor het geven van concerten tevens naar bijvoorbeeld Indonesië en de Verenigde Arabische Emiraten. In 2003 maakte hij zijn debuut in Carnegie Hall in New York.
Naast zijn activiteiten als musicus werkt Daniël Kool als psycholoog in het Jeroen Bosch Ziekenhuis in ’s-Hertogenbosch.
Christina Scott Edelen, klavecimbel
Christina Scott Edelen is een veelzijdig klaveciniste, fortepianiste en organiste. In de Verenigde Staten en Europa heeft zij opgetreden als solist en in tal van ensembles en festivals, waaronder het Atelier, het Santa Fe Chamber Music Festival en de oudemuziekfestivals van Berkeley, San Antonio en Bloomington.
Ze studeerde aan het Indiana University Early Music Institute en het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en was finalist op Bodky International Competition. Als lerares en docent is ze verbonden aan de Baylor Universiteit en de Universiteit van Houston. Christina Edelen is organiste en koordirigente in de Anglicaanse Kerk in Den Haag.
Ze speelt regelmatig mee met het Koninklijk Concertgebouworkest of met orkestleden tijdens kamermuziekconcerten.






