Close-up: portretconcert Alexei Ogrintchouk
Alexei Ogrintchouk hobo
Nicoline Alt hobo
Olivier Patey klarinet
Arno Piters klarinet
Calogero Palermo bassethoorn
Hein Wiedijk bassethoorn
Gustavo Núñez fagot
Helma van den Brink fagot
Laurens Woudenberg hoorn
Fons Verspaandonk hoorn
Jaap van der Vliet hoorn
José Luis Sogorb Jover hoorn
Jérôme Fruchart cello
Olivier Thiery contrabas
Jeroen Bal piano
Ludwig van Beethoven (1770-1827)
Vierde pianotrio in Bes gr.t., op. 11 (1797)
‘Gassenhauer’
Allegro con brio
Adagio
Tema con variazioni: Pria ch’io l’impegno. Allegretto
pauze ± 14.40 uur
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Tiende serenade in Bes gr.t., KV 361/370A (ca. 1781)
‘Gran partita’
Largo. Molto allegro
Menuetto
Adagio
Menuetto. Allegretto
Romance. Adagio
Tema con variazioni
Finale. Molto allegro
einde ± 16.10 uur
Toelichting
Ludwig van Beethoven 1770-1827
‘Gassenhauer’-trio
Door Frits de Haen
Klarinettist Joseph Beer was degene die Beethoven in zijn achterhoofd had toen hij zijn Vierde in Bes groot, 11, schreef. Het pianotrio ontleent zijn bijnaam ‘Gassenhauer’ aan het voor de variaties die het laatste deel vormen. Dat thema is afkomstig uit een van een destijds beroemde tijdgenoot: Joseph Weigl.
Het terzet ‘Pria ch’io l’impegno’ uit diens opera L’amor marinaro, ossia Il corsaro was dermate populair dat tal van componisten erop zouden variëren – zo ging ook Nicolò Paganini ermee aan de haal in zijn met variaties uit 1828. Vandaar de bijnaam ‘Gassenhauer’: een deuntje dat in de Gasse (‘steeg’) gezongen wordt – wij zouden zeggen: een hit, of zelfs een oorwurm.
Beethovens negen variaties verraden hoe bedreven hij was in de kunst van het improviseren. Dat blijkt ook uit de confrontatie met collega-pianist Daniel Steibelt. Die daagde Beethoven uit door, kort na de première van 11, te improviseren over het Weigl-. Beethoven nam de handschoen op, pakte de partij van Steibelts net daarvoor uitgevoerde et, zette die omgekeerd op de pianolessenaar en begon daarover te improviseren. Eerst met één vinger, vervolgens uitlopend in virtuoze omspelingen. Volgens tijdgenoten moet Steibelt razend zijn opgestapt – hij zou sindsdien Beethoven stelselmatig ontlopen hebben.
Beethovens variatiereeks over Weigls terzet begint met een variatie voor pianosolo, dan volgt er eentje voor cello en klarinet, om pas daarna alle drie de instrumenten te presenteren. Tijdgenoten waren niet allemaal even enthousiast over het werk: de Allgemeine musikalische Zeitung noemde het ‘schwierig und unnatürlich’. Dat heeft de populariteit van het niet in de weg gestaan. Het wordt tegenwoordig ook vaak uitgevoerd met viool in plaats van klarinet en heeft zo een plaats gekregen in de nummering van de ’s; in dit concert wordt de solopartij op hobo gespeeld door Alexei Ogrintchouk.
Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791
‘Gran partita’
Door Frits de Haen
Alle instrumenten kennen hun pièce de résistance. Voor pianisten behoren Beethovens s tot dit genre, terwijl violisten en cellisten zich altijd zullen blijven bezighouden met Bachs solopartita’s respectievelijk solosuites. Als je voor blazersensemble een dergelijk stuk zou moeten aanwijzen, dan gaat die eer ongetwijfeld naar Wolfgang Amadeus Mozarts Gran , een werk dat door zijn dimensies en inhoud een levenslange uitdaging blijft.
Het is geen eenvoudige ‘musik’, zoals de s en aubades met blaasinstrumenten die extra cachet gaven aan feestelijke gebeurtenissen. Vooral nadat keizer Joseph II in 1782 een blazersoctet had laten vormen, werd het een rage voor de adel om er een dergelijk ensemble op na te houden.
Daardoor ontstond een grote vraag naar werken voor blazers, meestal in de bezetting van twee hobo’s, twee klarinetten, twee s en twee ten. Dat konden lichte werken zijn met uitwisselbare namen als ‘parthia’s’, ‘Feldmusiken’ of de hierboven genoemde ‘’s’ of ‘serenades’, maar ook bewerkingen: Mozart laat in zijn Don Giovanni een blaasensemble opdraven dat zijn eigen Le nozze di Figaro citeert.
Het erop nahouden van een blazersensemble bleef ook ná Mozart populair. Mecenassen wier beurs een beetje te beperkt was om een volwaardig orkest op de been te houden, zochten graag hun toevlucht tot kleinere blazersensembles om hun maaltijden op te luisteren of om feestelijke bijeenkomsten iets extra’s te geven. Ook al omdat in Wenen veel voortreffelijke blazers rondliepen, met name uit Bohemen.
De bijnaam ‘Gran ’ is waarschijnlijk niet authentiek. Het boven het manuscript geschreven ‘gran Partitta’ lijkt pas later te zijn toegevoegd door een onbekende. Daardoor is ze echter niet minder toepasselijk: het is een echte partita (of ), zoals een opeenvolging van meerdere dansen in de genoemd werd.
Bovendien is de Tiende in Bes groot inderdaad qua inhoud en bezetting ‘grande’: niet minder dan twaalf blaasinstrumenten (plus een contrabas) schrijft de componist voor, zeer ongebruikelijk voor zulke ’s. Aan het reguliere octet zijn twee extra s, twee bassethoorns en een contrabas toegevoegd. Daardoor ontstaat een bezetting met een steviger fundament: met name de lagere registers zijn versterkt. Over de periode waarin de Gran partita gecomponeerd werd, is het laatste woord nog niet gezegd.
Aanvankelijk luidde de theorie dat het werk ontstond in München (1780 of 1781) of in Wenen (1781). Op gezag van Georg Nikolaus Nissen, de latere man van Mozarts weduwe Constanze, werd echter door velen aangenomen dat het werk geschreven was als tafelmuziek voor Mozarts huwelijk, op 4 augustus 1782, maar daaraan kan met recht getwijfeld worden. Anderen houden het er weer op dat de Gran partita van latere oorsprong is.
In ieder geval moet ze op zijn laatst in 1784 voltooid zijn: de eerste notitie ervan vinden we namelijk in het Wiener Blätchen van 23 maart 1784, wanneer het blad een ‘Musikalische Akademie’ aankondigt ‘waarbij naast andere goed uitgekozen stukken een grote blasende Musik van heel bijzondere soort gegeven wordt, gecomponeerd door de heer Mozart’. Klaarblijkelijk was het publiek bijzonder te spreken over het werk. De achttiende-eeuwer Johann Friedrich Schink schrijft in zijn memoires: ‘Ik hoorde vandaag blaasmuziek van de heer Mozart. [...] Achter elk instrument zat een maestro – het had een effect, heerlijk zo groot, voortreffelijk en majesteitelijk!’
Lees hier meer over Mozarts ‘Gran partita’.
Biografie
Alexei Ogrintchouk, hobo
Alexei Ogrintchouk is solohoboïst van het Concertgebouworkest sinds augustus 2005. De hoboïst studeerde aan de Gnessin School in Moskou en soleerde al op zijn dertiende in Rusland, Europa en Japan. Aan het Conservatoire National Supérieur de Musique in Parijs studeerde hij af met eerste prijzen voor hobo en kamermuziek.
Zijn docenten waren onder meer Maurice Bourgue, Jacques Tys en Jean-Louis Capezzali. Hij won het CIEM-Concours van Genève, twee Victoires de la Musique, de Triumph Prijs in Rusland en een Borletti-Buitoni Trust Award. Van 1999 tot 2005 was Alexei Ogrintchouk eerste solohoboïst van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Als solist werkte hij onder meer met de orkesten van het Mariinski Theater en het Bolsjoj Theater, het Nationaal Orkest van Rusland, de orkesten van de BBC (waar hij New Generation Artist 2005 was), het Boedapest Festival Orkest en het Concertgebouworkest.
Kamermuziek speelde hij met musici als Gidon Kremer, Leif Ove Andsnes, Radu Lupu en Thomas Quasthoff. Alexei Ogrintchouk doceert onder meer in Londen en aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag, en volgde in 2011 zijn voormalige docent Maurice Bourgue op aan de Haute École de Musique de Genève.
Ook geeft hij masterclasses aan bijvoorbeeld de Pablo Casals Chamber Music Academy in Prades en de Mahler Academy in Ferrara. Alexei Ogrintchouk bespeelt een hobo van de Parijse bouwer Marigaux uit de collectie van Foundation Concertgebouworkest.
Nicoline Alt, hobo
Nicoline Alt begon op haar elfde met hobospelen en volgde vanaf haar vijftiende hobolessen bij Frank Minderaa en Ali Groen aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Nadat ze die studie cum laude had afgerond, vervolgde ze haar studie bij Klaus Becker in Hannover.
Haar talent bleek al op jonge leeftijd; tijdens diverse concoursen behaalde zij de eerste prijs, zoals op het Nationaal Concours van de Stichting Jong Muziektalent Nederland in 1987 en het Edith Stein Concours (het latere Prinses Christina Concours) in 1988. In juni 1990 won zij het Expressiviteitconcours van het Koninklijk Conservatorium.
Na vier jaar bij het Nationaal Jeugd Orkest gespeeld te hebben, was Nicoline van 1990 tot 1994 verbonden aan het European Union Youth Orchestra. Vervolgens werd ze eerste hoboïst in het Nederlands Balletorkest.
Sinds januari 1998 bekleedt Nicoline Alt in het Koninklijk Concertgebouworkest de positie van tweede hoboïst. Daarnaast geeft zij regelmatig kamermuziekconcerten.
Olivier Patey, klarinet
Olivier Patey is sinds augustus 2013 soloklarinettist van het Concertgebouworkest; afgelopen februari verzorgde hij bij zijn orkest uitvoeringen van het Klarinetconcert van Mozart op een bijzondere bassetklarinet.
De klarinettist studeerde aan de conservatoria in zijn geboortestad Lille en in Rueil-Malmaison en vervolgde zijn opleiding bij Michel Arrignon aan het Conservatoire Supérieur de Paris.
Hij speelde regelmatig in de Opéra de Paris en het Orchestre Philharmonique de Radio France en was prijswinnaar van het ARD Concours en de Carl Nielsen International Music Competition.
Olivier Patey soleerde onder meer bij het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Münchener Kammerorchester, het Praags Filharmonisch Orkest en Amsterdam Sinfonietta. Van 2005 tot 2013 speelde hij bij het Mahler Chamber Orchestra, waar hij in 2009 aanvoerder werd. Ook maakte hij deel uit van het Lucerne Festival Orchestra en was hij in seizoen 2012/2013 soloklarinettist van het Rotterdams Philharmonisch Orkest.
Naast zijn orkestbaan is Olivier Patey een actief kamermusicus en is hij verbonden aan het Artie’s Festival in Mumbai.
Calogero Palermo, klarinet
Calogero Palermo is soloklarinettist van het Concertgebouworkest sinds augustus 2015.
Na zijn opleiding aan het conservatorium van Palermo en bij Thomas Friedli in Genève werd Calogero Palermo al op 22-jarige leeftijd aangenomen als soloklarinettist van het Orchestra del Teatro V. Bellini in Catania, Sicilië.
Van 1997 tot 2008, en later opnieuw van 2012 tot 2015, was hij soloklarinettist van het Orchestra Teatro di Roma. Tijdens de tussenliggende jaren was hij werkzaam in het Orchestre National de France. Hij remplaceerde onder meer bij het Orchestra Filarmonica della Scala di Milano en het Concertgebouworkest.
Ondertussen maakte Calogero Palermo naam als solist en kamermusicus; hij trad op in de belangrijkste Italiaanse steden en in Spanje, Duitsland, Frankrijk, Tunesië, Rusland, China, Taiwan, Japan en de Verenigde Staten. Hij was als solist te horen via radio- en tv-zenders in Italië, Frankrijk en Roemenië, bijvoorbeeld in Webers Eerste klarinetconcert op RaiTrade.
Bij het Concertgebouworkest treedt hij voor het eerst op als solist. De Siciliaanse klarinettist geeft regelmatig masterclasses. Hij schreef de didactische methode Soli d’orchestra met revisies en arrangementen voor klarinet en piano van bekende werken.
Hein Wiedijk, klarinet
Hein Wiedijk studeerde cum laude af bij George Pieterson aan het Sweelinck conservatorium te Amsterdam. Sinds 1996 maakt hij deel uit van het Koninklijk Concertgebouworkest.
Hij speelde kamermuziek met onder anderen Han de Vries, Anner Bijlsma, Pieter Wispelwey en Gervase de Peyer. Hein was – samen met pianist Frank van de Laar en celliste Larissa Groeneveld – een van de winnaars van het Vriendenkrans Concours in 1987 en won prijzen op diverse internationale kamermuziekconcoursen.
Als mede-oprichter van Camerata RCO geeft hij concerten over de hele wereld (Japan, Taiwan, USA en in Europa). Hij maakte cd's met werken van Beethoven, Brahms, Ravel, Mozart en Mahler.
Annemiek de Bruin, klarinet
Annemiek de Bruin is in seizoen 2018-2019 academist bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Ze haalde in 2016 haar bachelordiploma klarinet aan de Hochschule für Musik und Tanz in Keulen bij Ralph Manno en in juni 2018 studeerde ze met het predikaat uitmuntend af voor haar master bij Arno Piters aan het Conservatorium van Amsterdam. Masterclasses volgde ze bij bijvoorbeeld Martin Fröst, Jörg Widmann, Walter Boeykens en Charles Neidich. Kamermuzieklessen kreeg ze van o.a. David Kuijken, Håkon Austbø en Arnau Tomas.
Annemiek de Bruin was prijswinnaar van het Prinses Christina Concours en werd in 2013 verkozen tot Classic Young Master door de gelijknamige Stichting. In maart 2015 werd zij geselecteerd als vertegenwoordigster van Nederland bij het Euroconcours Klarinet.
Ze soleerde met Het Brabants Orkest, het Zeeuws Orkest en het TY Kamerorkest en ondernam in 2012 op uitnodiging van de Nederlandse consulaten een tournee naar de VS en Canada. Van 2014 tot 2016 speelde zij in het jong Nederlands Blazers Ensemble. Annemiek remplaceert bij onder meer het Nederlands Blazers Ensemble en Philharmonie Zuidnederland.
Als kamermusicus is Annemiek de Bruin actief in wisselende bezettingen. Met Irene Kok () en Laurens de man (piano) vormt zij het Chimaera .
Gustavo Núñez, fagot
Gustavo Núñez, geboren in Montevideo, Uruguay, is solofagottist van het Concertgebouworkest sinds 1995.
Gustavo Núñez kreeg zijn eerste lessen van zijn vader in Caracas en werd op zijn dertiende lid van het Simón BolÍvar jeugdorkest. Op zestienjarige leeftijd verwierf hij een beurs voor een studie aan het Royal College of Music in Londen bij Kerrison Camden. Later studeerde hij bij Klaus Thunemann in Hannover. Tijdens zijn studie, in 1987, won hij zowel de Prix Suisse van het Concours International d’Exécution Musicale de Genève als de eerste prijs van het Carl Maria von Weber Concours in München.
In 1988 was Gustavo Núñez solofagottist in het orkest van het Staatstheater Darmstadt; van 1989 tot 1995 bekleedde hij dezelfde functie bij de Bamberger Symphoniker. Hij maakte deel uit van de Deutsche Bläser Solisten, het Viotta Ensemble en de Ebony Band. Gustavo Núñez trad als solist op in heel Europa, de Verenigde Staten, Canada, verschillende landen in Zuid-Amerika, Australië, Korea en Japan. Hij geeft regelmatig masterclasses en is docent aan de Robert Schumann Hochschule in Düsseldorf en de Escuela Superior de Música Reina Sofía in Madrid.
Helma van den Brink, fagot
Helma van den Brink begon met viool- en pianolessen en stapte na een aantal jaren over op de . Uiteindelijk koos ze voor de en al na twee jaar werd ze toegelaten tot het Koninklijk Conservatorium in Den Haag om te studeren bij Johan Steinmann en Gustavo Núñez.
In juni 2005 behaalde ze haar diploma. Helma van den Brink speelde in jeugdorkesten als het European Union Youth Orchestra en het Nationaal Jeugd Orkest en remplaceerde bij verschillende orkesten in Nederland.
Sinds december 2005 maakt ze als tweede tist deel uit van het Koninklijk Concertgebouworkest. Buiten het orkest treedt ze geregeld op als solist en in uiteenlopende kamerbezettingen.
Fons Verspaandonk, hoorn
Fons Verspaandonk studeerde aan het Brabants Conservatorium bij Herman Jeurissen en slaagde met onderscheiding. Hij volgde masterclasses bij Radovan Vlatkovic, Frøydis Ree Wekre en Michael Höltzel.
Sinds januari 2004 is Fons Verspaandonk ist in het Koninklijk Concertgebouworkest. Daarvoor speelde hij bij Het Brabants Orkest (1995-1998) en het Radio Filharmonisch Orkest (1998-2003). Van 2007 tot 2012 was Fons als hoofdvakdocent hoorn verbonden aan het Fontys Conservatorium in Tilburg.
Fons Verspaandonk maakt deel uit van het Farkas Quintet en werkt vaak samen met kamermuziekensembles zoals het Combattimento Consort Amsterdam.Hij maakt ook deel uit van het koperensemble van het Koninklijk Concertgebouworkest.
Fons Verspaandonk speelt op een Alexander 103 dubbele die hij in bruikleen heeft van de Stichting Donateurs Koninklijk Concertgebouworkest.
Jaap van der Vliet, hoorn
Jaap van der Vliet studeerde aan het conservatorium van zijn geboortestad Hilversum. Daarna zette hij zijn studie voort aan het Utrechts Conservatorium bij Peter Hoekmeijer. Hij volgde masterclasses bij onder anderen Peter Damm en Bedrich Tylsár.
Reeds op jonge leeftijd viel hij in bij het Radio Filharmonisch Orkest, waar hij in 1993 onmiddellijk na het afronden van zijn studie werd aangenomen. Sinds augustus 1996 maakt hij deel uit van de sectie van het Koninklijk Concertgebouworkest.
Ook op het gebied van de kamermuziek is Van der Vliet actief; hij treedt regelmatig op met gezelschappen als Asko|Schönberg, het Ives Ensemble en het Nieuw Ensemble. Met leden van het Concertgebouworkest speelt hij in de Ebony Band en het Koper van het Koninklijk Concertgebouworkest. Jaap van der Vliet speelde tien jaar in het Reicha et en soleerde bij het Residentie Orkest in Schumanns Konzertstück voor vier s en orkest.
Als hoorndocent is hij verbonden aan het Conservatorium van Utrecht, waar hij ook kamermuziekensembles coacht. Jaap van der Vliet bespeelt diverse hoorns uit de collectie van de RCO Foundation, waarvan er één kon worden aangekocht door een van de leden van de Freundeskreis Schweiz, de Zwitserse Vriendenclub.
José Sogorb Jover, hoorn
José Luis Sogorb Jover werd geboren in Pinoso, in de Spaanse provincie Alicante. Hij begon zijn studie bij Enrique Rodilla, studeerde verder bij Vicente Navarro aan het conservatorium van Alicante en voltooide zijn studie bij Herman Jeurissen aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, waar hij zowel zijn Bachelor- als zijn Masterdiploma cum laude behaalde.
Na zeven jaar te hebben gediend als ist van Het Gelders Orkest werd José Sogorb Jover aangenomen als solohoornist bij het Orquesta Sinfónica de Galicia. Sinds augustus 2016 maakt hij deel uit van het Koninklijk Concertgebouworkest.
Hij remplaceerde bij orkesten uit heel Europa en werkte met en als Riccardo Chailly, Bernard Haitink, Valery Gergiev, Mariss Jansons, Zubin Mehta en Yannick Nézet-Séguin.
José Luis Sogorb Jover gaf s, soloconcerten en kamermuziekuitvoeringen in Nederland, België, Frankrijk, Brazilië en Spanje, waar hij ook masterclasses gaf aan jonge musici.
Jérôme Fruchart, cello
Cellist Jérôme Fruchart begon zijn studie aan het Conservatoire National de Région de Paris bij Marcel Bardon. Van 1999 tot 2003 studeerde hij bij Jean-Marie Gamard en Jean Mouillère aan het Conservatoire Supérieur de Musique et de Danse in Parijs.
Tijdens zijn studie in Parijs nam hij in 2002 deel aan een uitwisseling in het kader van het Erasmus-programma waardoor hij lessen kon volgen bij Valentin Erben aan de Universität für Musik und Darstellende Kunst in Wenen. In 2004 vervolgde hij zijn opleiding bij Arto Noras aan de Sibeliusacademie in Helsinki.
Jérôme Fruchart maakte deel uit van het kamerorkest Les Dissonances en speelde in het seizoen 2007/2008 bij het Sinfonieorchester Basel. Van 2008 tot 2010 was hij tutti-cellist van het Opéra National de Paris. Sinds 2010 maakt de Fransman deel uit van de groep van het Concertgebouworkest. Hij remplaceerde regelmatig bij het Chamber Orchestra of Europe.
In 2012 werd voor Jérôme Fruchart een cello van Jean-Baptiste Vuillaume uit 1866 aangekocht door de Foundation Concertgebouworkest en aan hem in bruikleen verstrekt.
Olivier Thiery, contrabas
De Franse contrabassist Olivier Thiery begon zijn carrière bij het Orchestre Français des Jeunes en het Gustav Mahler Jugendorchester. Sinds 2008 speelt hij bij het Koninklijk Concertgebouworkest.
Tijdens zijn masterstudie voor het concertdiploma aan de Folkwang Hochschule in Essen wijdde hij zich aan de solo- en kamermuziekliteratuur. Dit resulteerde in het winnen in 2009 van de derde prijs op het internationale ARD-concours in Duitsland en een groot aantal indrukwekkende optredens als solist.
Zo soleerde hij met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en in talrijke kamermuziekconcerten, onder andere in het kader van het Kronberg Festival 2010 en met musici als Alexei Ogrintchouk, Gidon Kremer, Andras Schiff en Yuri Bashmet in Het Concertgebouw.
Naast zijn concertcarrière is lesgeven zijn passie; behalve privéonderricht aan succesvolle leerlingen geeft hij ook masterclasses. Bovendien is hij als pedagoog werkzaam bij jeugdorkesten.
In 2010 kon door de Stichting Donateurs Koninklijk Concertgebouworkest voor Olivier een Venetiaanse contrabas uit ca. 1730 worden aangekocht, toegeschreven aan Francesco Gofriller.
Jeroen Bal, piano
Op 25 januari 2026 overleed Jeroen Bal op 52-jarige leeftijd.
Jeroen Bal was sinds januari 2019 in dienst van het Concertgebouworkest, als eerste pianist ooit in de geschiedenis van het orkest. Daarvoor remplaceerde hij al jarenlang op zeer regelmatige basis bij het Concertgebouworkest en diverse andere Nederlandse orkesten, en bij orkesten als het Mahler Chamber Orchestra, waarmee hij Stravinsky’s Petroesjka uitvoerde onder leiding van Pierre Boulez. Ook met het Concertgebouworkest speelde hij dit werk diverse malen.
Jeroen Bal vergezelde het orkest onder meer op tournees door Japan en de Verenigde Staten. Met orkestleden treedt hij veel op in kamermuziekverband. Zo nam hij in 2016 een cd op met Camerata RCO en vormt hij met violist Tjeerd Top en cellist Johan van Iersel het Vermeer . In december 2017 maakte Jeroen samen met solotrompettist Omar Tomasoni een tournee van een maand door Japan.
Jeroen Bal studeerde bij Jan Wijn aan het Conservatorium van Amsterdam. Hij was finalist op het Prinses Christina Concours, won de ‘Vriendenkrans’ van Het Concertgebouw en bereikte in 1996 de halve finale van het Internationale Franz Liszt Pianoconcours in Utrecht.











