Close-up: Pinnock en musici van het Concertgebouworkest

Trevor Pinnock klavecimbel
Nienke van Rijn viool
Eke van Spiegel viool
Sjaan Oomen viool
Henk Rubingh viool
Roland Krämer altviool
Joris van den Berg cello
Théotime Voisin contrabas
Ivan Podyomov hobo
Emily Beynon fluit

Dit concert maakt deel uit van de serie Close-up:
Orkestleden op het Vriendenpodium.

Unico Wilhelm rijksgraaf van
Wassenaer Obdam (1692-1766)

Vijfde concerto armonico in f kl.t. (1740)
Adagio - Largo 
Da capella 
A tempo commodo 
A tempo giusto

Alessandro Marcello (1673-1747)

Hoboconcert in d kl.t.,
S.Z799 (1716)
Andante e spiccato
Adagio
Presto

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

Vijfde Brandenburgse concert
in D gr.t., BWV 1050 (1720-21)
Allegro
Affettuoso
Allegro

pauze ± 21.10 uur  

Georg Friedrich Händel (1685-1759)

Concerto grosso in c kl.t., op. 6
nr. 8, HWV 326 (1739)
Allemande 
Grave 
Andante - Allegro 
Adagio 
Siciliana 
Allegro

Johann Sebastian Bach

Concert voor hobo, viool en strijkers
in c kl.t., BWV 1060 (1736)
Allegro
Adagio
Allegro
 
einde ± 22.20 uur

Toelichting

Toelichting

Door Marcel Bijlo

Zowel Johann Sebastian Bach als Georg Friedrich Händel zijn diepgaand beïnvloed door de Italiaanse muziek van hun tijd. Bach is nooit in Italië geweest maar Händel beleefde er als twintiger al grote mfen.

Toch was ook Bach, zelfs als weinigen van zijn tijdgenoten, doorkneed in de Italiaanse stijl. Hij verzamelde handschriften met werken van alle Italiaanse componisten van zijn tijd en bewerkte die soms voor klavecimbel of . Hij schreef niet zomaar de noten over maar voegde er allerlei laagjes aan toe waardoor zijn bewerkingen toch weer echte Bachstukken werden. Bach maakte die bewerkingen niet om de muziek te verbeteren, maar juist omdat hij zijn Italiaanse tijdgenoten zo bewonderde.

Händel leerde in zijn jonge jaren in Rome veel van de Italiaanse violist en componist Arcangelo Corelli, die de basis legde voor het concerto grosso. Tijdens dit concert zullen we horen hoe Bach en Händel ieder op hun geheel eigen wijze die Italiaanse praktijk in hun muziek hebben verwerkt.

Unico Wilhelm van Wassenaer Obdam 1692-1766

Vijfde concerto armonico

We beginnen echter met één van de zes Concerti armonici van Unico Wilhelm rijksgraaf van Wassenaer Obdam. Deze Haagse diplomaat en edelman componeerde puur voor eigen genoegen en het heeft heel lang geduurd voordat bekend werd dat de zes Concerti armonici, die al sinds het begin van de twintigste eeuw tot het standaardrepertoire van ieder kamerorkest behoorden, van zijn hand waren.

Violist Carlo Ricciotti publiceerde de concerten in 1740 en men ging er aanvankelijk vanuit dat hij zelf de componist was. Van Wassenaer liep niet erg te koop met zijn componeertalent en hij hechtte er dus niet aan dat zijn naam als componist op de publicatie werd vermeld.

In de negentiende eeuw werden de concerti toegeschreven aan de Italiaanse componist Giovanni Battista Pergolesi. Igor Stravinsky putte eruit in zijn ballet Pulcinella (1919-20), waarin hij muziek van Pergolesi bewerkte. Maar daar zat dus ook werk van Van Wassenaer bij.

In 1979 werd in kasteel Twickel, waar Van Wassenaer vaak verbleef, een handschrift gevonden waaruit bleek dat híj de componist van de zes concerten was. Musicoloog Albert Dunning haalde met deze vondst zelfs het NOS Journaal, zeer zeldzaam voor een musicologische ontdekking.

We horen het Vijfde concerto armonico. Het stuk, met vier vioolpartijen, staat in de f klein die Pergolesi inderdaad ook regelmatig gebruikte, bijvoorbeeld in zijn beroemde Stabat mater.

Alessandro Marcello 1673-1747

Hoboconcert

Het Hoboconcert in d klein van Alessandro Marcello komen we voor het eerst tegen in Bachs bewerking voor klavecimbel uit 1715. Twee jaar later publiceerde Marcello het stuk zelf.

Dat dit hoboconcert vaak aan Alessandro’s broer Benedetto wordt toegeschreven danken we aan een uitgave uit 1923 waarin het stuk figureert naast muziek die wél van Benedetto is. Het zangerige middendeel groeide uit tot een echte ke evergreen en wordt ook vaak als op zichzelf staande compositie uitgevoerd.

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Vijfde Brandenburgse concert

Van Bach klinkt het Vijfde Brandenburgse concert, een werk met een bijzondere instrumentcombinatie. Bach schreef zijn Brandenburgse concerten in opdracht van de markgraaf van Brandenburg, maar het is niet bekend of die ze ooit heeft laten uitvoeren.

De zes concerten hebben elk een andere bezetting en Bach heeft in dit overbekende zestal het genre van het Italiaanse concerto grosso geheel naar zijn hand gezet. Het concerto grosso kenmerkt zich door de aanwezigheid van een kleine groep instrumenten, het concertino, versus een grotere groep, het ripieno.

In Italië bestond die kleine groep meestal uit twee violen en een , maar Bach gebruikte in zijn Vijfde Brandenburgse concert een concertino dat op zich al een klein ensemble is: fluit, viool en klavecimbel.

In het eerste deel zit een zeer lange voor het klavecimbel waarbij alle andere instrumenten zwijgen. Bach breidde in de tweede versie, de meest gespeelde, deze cadens zelfs nog uit. Naar verluidt omdat hij bij de uitvoering een nieuw groot klavecimbel aan het publiek wilde voorstellen.

Het tweede deel wordt gespeeld door fluit, viool en klavecimbel alleen. Bach parafraseert hierin een van de Franse componist Louis Marchand, die Bach moet hebben uitgedaagd voor een klavecimbelduel. Maar Marchand kwam op het afgesproken tijdstip niet opdagen, wat Bach inspireerde om een themaatje van Marchand te gebruiken in dit Frans aandoende langzame deel.

Het derde deel is een vlotte gigue (een zeer snelle dans waarvan het een veelvoud is van drie) waarin Bach een spel speelt met de drie concerterende instrumenten: fluit, viool en klavecimbel wisselen elkaar af in melodische en begeleidingsfiguren, in samenspraak met de andere instrumenten.

Georg Friedrich Händel 1685-1759

Concerto grosso

Händel gebruikte in zijn Concerto grosso in c klein het door Corelli voorgeschreven concertino van twee violen en , maar hij gaf de andere instrumenten een veel grotere rol dan Corelli deed.

De kritiek van sommige tijdgenoten op Corelli’s concerti grossi was dat ze eigenlijk ook als sonates (d.w.z. met toevoeging van alleen een -groep) konden worden uitgevoerd, de andere instrumenten deden niets anders dan het concertino verdubbelen en hadden zelf geen extra noten. Bij Händel horen we, net als bij Bach, veel meer een wisselwerking tussen het concertino en het ripieno.

In dit achtste concerto spelen drie instrumenten zelfs een kleine solorol. Dit werk is melancholiek van toon en bevat, in tegenstelling tot de andere elf concerti uit dit , geen echt snelle delen. In het verwerkt Händel een paar maten uit een uit zijn  Giulio Cesare, zoals hij in deze concerti wel vaker citeert uit eigen werk.

Johann Sebastian Bach 1685-1750

Concert voor hobo, viool en strijkers

Behalve de Brandenburgse concerten heeft Bach nooit een set van meerdere concerten geschreven die echt bij elkaar horen. De dertien klavecimbelconcerten (BWV 1052-1065) waren bewerkingen die Bach schreef om ze met zijn leerlingen te kunnen spelen. Maar behalve van de twee vioolconcerten (BWV 1041 en 1042), het dubbelconcert voor twee violen en orkest (BWV 1043), en het Vierde Brandenburgse concert zijn van de rest van deze concerten de originelen verloren gegaan.

We weten dus niet helemaal zeker of het Concert voor hobo, viool en strijkers op dit programma – een reconstructie van een concert voor twee klavecimbels – ook echt door Bach voor deze bezetting bedacht is. Maar dat het een dubbelconcert moet zijn geweest is evident. Net als in zijn dubbelvioolconcert laat Bach ook hier de twee solerende instrumenten om elkaar heen draaien, zonder een van beiden te bevoordelen.

In het tweede deel zet Bach de twee solisten tegenover een spelend ripieno, een effect dat hij waarschijnlijk opdeed bij het bestuderen van de muziek van de Venetiaanse componist Tomaso Albinoni die er ook vaak gebruik van maakte. Op dit zachte bedje voeren de hobo en de viool een prachtige dialoog met een wiegend karakter.

De twee snelle delen kenmerken zich door een ongebreidelde virtuositeit. Die contrastwerking horen we ook in alle andere vanavond gespeelde werken en is specifiek voor de Italiaanse concerterende stijl van de achttiende eeuw. Bach en Händel hadden daar ieder een eigen antwoord op.

Biografie

Trevor Pinnock, dirigent

Trevor Pinnock is wereldwijd actief als klavecinist en . Als een van de pioniers op het gebied van de authentieke uitvoerings­praktijk richtte hij in 1972 The English Concert op, waarvan hij tot 2003 artistiek leider was.

Hij gaf soloconcerten in Engeland en Italië en trad op met het Freiburger Barockorchester ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan van dat ensemble. Met het Brandenburg Ensemble, dat hij vormde ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag, speelde hij Bachs Brandenburgse concerten

Trevor Pinnock ondernam tournees door Europa met onder andere de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, het Orchestra of the Age of Enlightenment en de ­Kammerakademie Potsdam. Hij dirigeerde orkesten als de Wiener en de Berliner Philharmoniker, het Chicago Symphony Orchestra, het Moz­arteum­orchester Salzburg, het Gewandhausorchester Leipzig, het London Philharmonic Orchestra en het Orchestra Mozart.

Bij de Metropolitan in New York leidde hij Giulio Cesare van Händel. In 1992 werd hij Commander of the Order of the British Empire. Trevor Pinnock is sinds 2008 regelmatig te gast bij het Concertgebouworkest. In oktober 2018 leidde hij het orkest in werken van Haydn, Chopin en Liszt

Nienke van Rijn, viool

Nienke van Rijn (1974) begon haar vioolstudie op vijfjarige leeftijd aan de Streekmuziekschool Zuid Oost Veluwe te Dieren. Van 1985 tot 1992 kreeg zij les van Else Krieg aan de vooropleiding voor getalenteerde jonge musici van het conservatorium in Zwolle. 

Na het behalen van haar gymnasiumdiploma in 1992 studeerde zij aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag bij Jaring Walta, waar ze in mei 1998 cum laude afstudeerde. Zij volgde lessen bij onder meer Jaap van Zweden, Herman Krebbers, Isabelle van Keulen en Thomas Brandis. 

Nienke van Rijn nam deel aan het Prinses Christina Concours en het Nationaal Vioolconcours Oskar Back. In 1991 won ze de derde prijs bij het Davina van Wely Vioolconcours. 
Nienke van Rijn speelde in het Nationaal Jeugd Orkest en het Gustav Mahler Jugendorchester.

In oktober 1997 trad ze op als soliste met het van het Koninklijk Conservatorium onder leiding van Lawrence Renes. Zij soleerde regelmatig met diverse amateurorkesten. Sinds september 2001 is Nienke van Rijn eerste violiste bij het Koninklijk Concertgebouworkest.

Zij treedt regelmatig op in diverse kamermuziekformaties en is jaarlijks te beluisteren tijdens het Festival Internazionale della Musica in Linari, Italië. Nienke bespeelt een achttiende-eeuwse viool van Alexander Gagliano.

Henk Rubingh, viool

Henk Rubingh kreeg zijn eerste vioollessen van Age Koning. Hij studeerde bij Jeanne Lemkes-Vos aan het Stedelijk Conservatorium te Groningen, waar hij in 1978 cum laude afstudeerde. Hij vervolgde zijn studie aan de Staatliche Musikhochschule te Freiburg bij Rainer Kussmaul. 

In 1981 ontving Rubingh de Prix d’Excellence. In datzelfde jaar werd hij benoemd tot tweede concertmeester van het Noordelijk Philharmonisch Orkest (thans Noord Nederlands Orkest).

Henk Rubingh treedt regelmatig op als solist, speelt veel kamermuziek en werkte mee aan vele cd-opnamen. Als concertmeester van de Amsterdamse Bachsolisten trad hij op in vele belangrijke festivals over de gehele wereld.

Sinds september 1984 was Henk Rubingh verbonden aan het Koninklijk Concertgebouworkest, sinds 1989 als eerste aanvoerder van de tweede violen. In december 2021 ging hij met pensioen, in maart 2022 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Eke van Spiegel, viool

Eke van Spiegel studeerde aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht bij Joyce Tan en vanaf 1997 aan het Conservatorium van Amsterdam bij Lex Korff de Gidts, waar zij in 2001 haar eerste fase examen behaalde. Bij Vesko Eschkenazy sloot zij in 2003 haar tweede fase af.

In 2000 studeerde Eke van Spiegel enige tijd met een Erasmusbeurs aan de Universität für Musik und Darstellende Kunst in Wenen bij Ernst Kovacic. Ze volgde masterclasses bij onder anderen Joseph Silverstein, Sylvia Rosenberg en Thomas Brandis.

Eke van Spiegel won prijzen bij het Prinses Christina Concours, het Charles Hennen concours en het kamermuziekconcours van het Aberdeen International Youth Festival.

Sinds 2006 is Eke van Spiegel tweede violiste bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Daarnaast speelt zij in kamermuziekensembles, waaronder Ensemble Lumaka, dat in 2009 in het kader van de concertserie Het Debuut in de grootste Nederlandse concertzalen speelde. Aansluitend ontving het ensemble de publieksprijs voor het beste debuterende ensemble. In hetzelfde jaar voltooide Eke van Spiegel aan de Universiteit van Amsterdam haar masterstudie Informatierecht.

Sinds 2008 heeft Eke van Spiegel een viool in bruikleen die de Foundation Concertgebouworkest in 2008 voor haar uit de nalatenschap van Oskar Back kocht. De viool wordt toegeschreven aan Nicolo Gagliano en is gebouwd in Napels in 1763.

Sjaan Oomen, viool

Sjaan Oomen maakt sinds 1 maart 2014 deel uit van de tweede violengroep van het Koninklijk Concertgebouworkest. Als dochter van componist, pianist en Antoine Oomen groeide de Amsterdamse op met muziek, en met kunst in het algemeen. 

Sjaan Oomen begon haar vioolstudie op zevenjarige leeftijd bij Aimée Broeders. Vanaf haar tiende studeerde zij aan de Jong Talent Afdeling van het Conservatorium van Amsterdam bij o.a. Vesko Eschkenazy. Aan het Conservatorium van Amsterdam studeerde ze af bij Ilya Grubert. 

Ze volgde diverse cursussen en masterclasses, waaronder de International Summer Academy in Leipzig, de Holland Music Sessions in Bergen − waar zij les kreeg van Rudolf Koelman, György Pauk en Josef Rissin − en de Academia Chigiana in Siena.

Vanaf 2005 speelde Sjaan vaak bij de eerste violen van Amsterdam Sinfonietta. s gaf ze onder meer in de van Het Concertgebouw, Vredenburg in Utrecht en de Oosterpoort in Groningen.

Sjaan Oomen won verschillende prijzen bij Nederlandse concoursen, zoals het SJMN concours en de Iordens Viooldagen. In 2011 bereikte ze de finale van het Nationaal Vioolconcours Oskar Back; vanaf dat jaar remplaceerde ze regelmatig in het Concertgebouworkest.

Roland Krämer, altviool

De Duitse altviolist Roland Krämer studeerde bij Eckart Klakow en Eberhard Klemmstein aan de muziekschool in Erlangen. Hij vervolgde zijn studie bij Hatto Beyerle aan de Musikhochschule in Wenen en Hannover, waar hij in 1989 als uitvoerend musicus met onderscheiding afstudeerde.

Voor zijn afstuderen speelde hij in diverse orkesten waaronder de Nürnberger en de Dortmunder Philharmoniker. Sinds november 1989 is hij verbonden aan het Koninklijk Concertgebouworkest.

Daarnaast maakte hij sinds 1990 deel uit van de Amsterdamse Bach Solisten, het Viotta Ensemble, de Ebony Band en het Ebony Kwartet.

Roland Krämer bespeelt een vroeg-negentiende-eeuwse van de Salzburger instrumentenbouwer A.F. Mayr, hem in bruikleen gegeven door RCO Foundation.

Joris van den Berg, cello

De Nederlandse cellist Joris van den Berg trad op 1 oktober 2017 toe tot de groep van het Concertgebouworkest. Hij studeerde aan het Conservatorium van Amsterdam bij Quirine Viersen en Godfried Hoogeveen, aan het Royal Northern College of Music in Manchester bij Ralph Kirshbaum en Gary Hoffman en aan de Keulse Hochschule für Musik und Tanz bij Frans Helmerson.

Na het winnen van de Nationale Cello Competitie in 2006 debuteerde hij in Het Concertgebouw met Amsterdam Sinfonietta onder leiding van David Geringas. Samen met zijn vaste pianist Martijn Willers was hij prijswinnaar tijdens de Johannes Brahms Wettbewerb 2008 in Oostenrijk.

Het duo bracht in 2013 een cd uit, Dialogo, met werken van Prokofjev, Lutoslawski en Britten. In 2014 won Joris van den Berg de Dutch Classical Talent Award. Joris van den Berg werkte samen met musici als Liza Ferschtman, Philippe Graffin en Daniel Hope en soleerde met onder andere het Residentie Orkest, Manchester Camerata en het van Vlaanderen.

Hij speelt op een uit 1703, gebouwd door Giovanni Grancino, met een stok van N.L. Tourte 'L’Ainé', beide aan hem ter beschikking gesteld door het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds.

Théotime Voisin, contrabas

Théotime Voisin is plaatsvervangend solocontrabassist bij het Koninklijk Concertgebouworkest sinds oktober 2016. Voorheen was hij gastaanvoerder van de contrabassen in het Orchestre de la Suisse Romande  en – in het seizoen 2015/2016 – solobassist van het Orchestre National du Capitole de Toulouse.

Théotime Voisin raakte op vijfjarige leeftijd geïnteresseerd in de contrabas dankzij de basaanvoerder van het Montpellier National Orchestra, Jean Ané. Vanaf zijn vijftiende studeerde hij bij Bernard Cazauran aan het Conservatoire National Supérieur de Musique de Lyon, waar hij cum laude afstudeerde. Nadat hij zes jaar achtereen in het European Union Youth Orchestra had gespeeld, werd Théotime Voisin al gauw een veelgevraagd gastspeler bij Franse orkesten. Zijn studie vervolgde hij bij Alberto Bocini aan de muziekhogeschool van Genève, waar hij met de hoogste eer als soloinstrumentalist afstudeerde. Daarna studeerde hij verder aan de Hochschule der Künste in Bern en bij Božo Paradžik aan de Musikhochschule Freiburg.

Théotime Voisin won meerdere prijzen, waaronder de Valentino Bucchi-competitie in Rome (2008), het internationale concours voor jonge musici van het Festival d'Automne in Parijs (2010), het contrabasconcours Johann Matthias Sperger (2010), het internationale contrabascouncours van de International Society of Bassists in San Francisco (2011) en de solobascompetitie 2012 in Kopenhagen.

Théotime Voisin wordt regelmatig uitgenodigd als solist bij orkesten en voor s en trad in kamermuziekverband op met ensembles in Frankrijk en elders,  zoals het Lemanic Modern Ensemble in Genève en het Ensemble intercontemporain. In oktober 2011 organiseerde hij een benefiettournee door Ecuador ten behoeve van kinderen met kanker. In Ecuador gaf hij masterclasses aan diverse conservatoria en werkte hij samen met de populaire zanger Hernan Sotomayor.     

In 2013 kwam zijn cd Contre-jour, Musica francese al Contrabbasso uit op het Italiaanse label NBB records. Théotime Voisin bespeelt een bas van de Franse strijkinstrumentenbouwer Jean Auray.    

Ivan Podyomov, hobo

Ivan Podyomov is sinds augustus 2016 solohoboïst van het Koninklijk Concertgebouworkest. Eerder vervulde hij die functie bij de Bamberger ­Symphoniker en bij MusicAeterna. Gastaanvoerder was hij bij het Orchestra Mozart, het Mahler Chamber Orchestra en het Lucerne Festival Orchestra.

De Russische hoboïst studeerde bij Ivan Poesjetsjnikov aan de Gnessin Special Music School en de Gnessin Staatsacademie voor Muziek in Moskou, en voltooide zijn opleiding van 2006 tot 2011 bij Maurice Bourgue aan het conservatorium van Genève. Hij won onder meer de ARD-Musikwettbewerb in München (2011), het Concours de Genève (2010), de Sony Oboe Competition in Japan (2009) en het internationale muziekconcours van de Praagse Lente (2008).

Ivan Podyomov soleerde bij het ­Deutsches Symphonie-­Orchester Berlin, het ­Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, de Bamberger ­Symphoniker, het Tokyo Philharmonic Orchestra, het Münchner Kammerorchester en het Academisch van Sint-­Petersburg. Bij het Concertgebouworkest trad hij als solist op in Richard StraussHoboconcert (maart 2020), Haydns ­Sinf­onia concertante (oktober 2021) en Connessons Les belles heures (april 2025).

Kamermuziek speelde Ivan Podyomov met het Hagen Quartett, de pianisten Lars Vogt en Olga Pashchenko, klarinettiste Sabine Meyer en fluitist Jacques Zoon, en in de was hij eerder te beluisteren in een Close-up-­concert met oudemuziekpionier Trevor Pinnock. Ivan Podyomov geeft les aan de Musikhochschule in Luzern.

Emily Beynon, fluit

Emily Beynon is solofluitiste van het Concert­gebouworkest sinds 1995. Ze studeerde aan de Royal Academy of Music in Londen bij William Bennett en bij Alain Marion in Parijs. Als solist trad ze op met onder meer het Concertgebouworkest, het Philharmonia Orchestra, de orkesten van de BBC, het NHK Symphony ­Orchestra Tokyo en de Academy of St. Martin-in-the-Fields.

Kamermuziek speelt ze vaak met haar zus, harpiste ­Catherine Beynon, en pianist Andrew West. Ook werkte ze samen met bijvoorbeeld het Nash Ensemble, het Škampa Kwartet, Steven Isserlis, Felicity Lott, Jean-Yves Thibaudet en het Brodsky Quartet. Emily Beynon speelt graag heden­daagse muziek.

Onder anderen John Woolrich, Sally Beamish, Jonathan Dove, Errollyn Wallen en Roxanna ­Panufnik schreven nieuw werk voor haar. In 2008 bracht Universal Edition het boek Flute Project: new pieces for flute solo uit, waarvoor Emily Beynon samenwerkte met ­Matthieu Dufour, Kazushi Saito en ­Emmanuel Pahud. Ze nam elf cd’s op, waarvan Flute & Friends tot stand kwam dankzij de Prix de Salon, uitgekeerd door de business club van het Concertgebouworkest.

Emily Beynon is sinds 1992 gast­docent aan de Royal Academy of Music en gaf ook les aan de conservatoria van Den Haag en Amsterdam. In 2009 richtte ze samen met Suzanne Wolff de Nederlandse Fluit Academie (Neflac) op, die cursussen en concerten voor Nederlands jong talent en jonge internationale professionals organiseert.