Close-up: Artist in Residence Lisa Batiashvili

Close-up: Lisa Batiashvili 14.15 uur

Lisa Batiashvili viool

Ursula Schoch viool
Jelena Ristic viool
Frederik Boits altviool
Vilém Kijonka altviool
Johan van Iersel cello
Julia Tom cello
m.m.v. Fredrika Brillembourg mezzosopraan

Giacomo Puccini 1858-1924

Crisantemi (1890)
elegie voor strijkkwartet

Ottorino Respighi 1878-1936

Il tramonto (1914)
lyrisch gedicht voor
mezzosopraan en strijk­ers

Hugo Wolf 1860-1903

Italiaanse serenade in G gr.t. (1887)
voor strijkkwartet

pauze

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893

Souvenir de Florence in d kl.t., op. 70 (1890/1892)
voor strijksextet
Allegro con spirito
Adagio cantabile e con moto – Moderato
Allegretto moderato
Allegro vivace

begin van de pauze ca. 15.00 uur
einde van het concert ca. 16.00 uur

Toelichting

Giacomo Puccini 1858-1924

crisantemi

Giacomo Puccini was de gedoodverfde opvolger van zijn vroeg gestorven vader ­Michele, kerkorganist te Lucca, maar hij hield niet van het . Tijdens kerkdiensten improviseerde hij graag op bekende melodie­en, wat hem op een reprimande van zijn vrome oudere zuster kwam te staan.

Zijn leraar aan het conservatorium van Lucca liet hem kennismaken met de partituren van Giuseppe Verdi’s opera’s en – bij gebrek aan geld – liep Giacomo van Lucca naar Pisa om een voorstelling van diens Aïda te ­bezoeken. Deze ervaring deed de achttienjarige besluiten operacomponist te worden.

In dit licht is het niet verwonderlijk dat van Puccini nauwelijks composities in ­andere genres bekend zijn. Uit zijn studietijd in Milaan, mogelijk gemaakt door een beurs van koningin Margaretha, zijn enkele - en kamermuziekwerken bewaard gebleven. Voor zijn eindexamen componeerde hij een orkestwerk, omdat het als armlastige student onmogelijk was om aan een goed libretto te komen.

Crisantemi is een van de weinige niet--composities uit zijn latere carriè­re. Dit korte werk voor strijkkwartet ontstond in 1890 terwijl hij in afwachting was van het libretto voor Manon Lescaut. Aan zijn broer Michele schreef hij dat hij deze treurzang op het overlijden van prins Amadeus van Savoye, de zwager van koningin Margaretha, in één avond componeerde.

Toen het libretto van Manon Lescaut die zomer klaar was, gebruikte Puccini twee hoofdthema’s uit zijn strijkkwartet voor de meest aangrijpende scènes van de opera: wanneer Des Grieux wanhopig probeert Manon te bevrijden uit de gevangenis en aan het begin van de laatste akte, wanneer Manon stervende is, klinken deze ’s in de begeleidende strijkers.

Ottorino Respighi 1878-1936

Il Tramonto

Ottorino Respighi leerde van zijn vader viool en piano spelen en werd na afronding van zijn vioolstudie aan het Liceo Musicale in Bologna eerste violist in het orkest van de Italiaanse in Sint-Petersburg. Na vijf maanden compositiestudie bij Nikolaj Rimski-Korsakov keerde hij terug naar Bologna waar hij zijn diploma als componist verwierf.

In deze periode hoorde hij voor het eerst de mezzosopraan Chiarina Fino-Savio. ­Ottorino speelde in het orkest terwijl Chiarina een solo zong in een van Lorenzo Perosi. Ze moet enorme indruk gemaakt hebben, want toen tien jaar later Respighi’s  Aretusa in première ging en de soliste zich op het laatste moment terugtrok dacht hij meteen aan Fino-Savio. Haar zenuwen – de tijd was kort en de noten waren moeilijk en voor haar soms aan de hoge kant – verdwenen als sneeuw voor de zon toen ze samen met Respighi de partij instudeerde.

Chiarina werd verliefd op de muziek en Respighi riep naar zijn moeder: ‘Mamma, ik ben gelukkig. Deze zangeres zingt alles zoals ik het voel. Omhels jij haar voor mij, want ik kan niet uitdrukken hoezeer ik haar bewonder.’ Een diepe vriendschap ontstond en voor Chiarina componeerde Respighi nog twee cantates op tekst van de romantische Engelse dichter ­Percy Bysshe Shelley, waaronder Il ­tramonto. Zelf noemde hij zijn compositie, ontstaan in de zomer van 1914, een ‘poemetto lirico’.

Twee geliefden maken een wandeling bij de ondergaande zon. Als de vrouw haar geliefde bij het ontwaken dood in haar armen aantreft, maakt de romantische muziek een dramatische omslag.

Hugo Wolf 1860-1903

Italiaanse Serenade

In tegenstelling tot Puccini en Respighi werd Hugo Wolf niet in een dynastie van ­musici geboren. Vader Wolf moest het musiceren beperken tot zijn vrije tijd; hij werd geacht de leerlooierij van zijn vader in het Oostenrijkse Windischgraz (nu Slovenjgradec in Slovenië) over te nemen.

Voor zijn nageslacht had hij een beter leven bedacht, muziek studeren was verplichte dagelijkse kost voor de kinderen Wolf. De jonge Hugo had duidelijk aanleg en was serieus: als er thuis gemusiceerd werd mocht er van Hugo niet gesproken worden.

In 1875 begon hij zijn studie aan het conservatorium in Wenen, een droom ging in vervulling. Maar de autodidact en Wagner­aanbidder was eigenwijs en werd zonder diploma weggestuurd. Ondanks zijn talent en vele welwillende en welgestelde vrienden kreeg hij als componist nauwelijks voet aan de grond.

In de zomer van 1886 had nog geen werk van de 26-jarige in concert geklonken en was nog niets in druk verschenen. Gelukkig liet Wolf zich er niet door uit het veld slaan. In de winter van 1886-87 schreef hij een flink aantal eren, met als sluitstuk de Italiaanse in G groot die hij in enkele meidagen voltooide. Het is lichtvoetige en opgewekte muziek met een vette knipoog naar het genre, vol kwinkslagen.

Niet lang daarna keerde het tij en verschenen de eerste liederen in druk. Eindelijk kreeg Wolf de erkenning die hij verdiende. Hij heeft er slechts tien jaar van kunnen genieten; in oktober 1898 werd hij opgenomen in een psychiatrische inrichting, waar hij in februari 1903 zou overlijden aan de gevolgen van syfilis.

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893

Souvenir de Florence

Souvenir de Florence, het strijksextet dat Pjotr Iljitsj Tsjaikovski schreef als dank voor het erelidmaatschap van de Kamermuziek Vereniging van Sint-Petersburg, dankt zijn titel aan het feit dat de componist in Florence de eerste schetsen van het op papier gezet zou hebben.

Eind januari 1890 arriveerde Tsjaikovski in Florence, flink depressief. Componeren was het enige dat soelaas bood voor zijn getroebleerde ziel. En Florence bood hem de rust, zonder al te veel ­sociale verplichtingen, om te componeren. Hij werkte er voortvarend aan zijn Pique dame. Hij bezocht ook de opera, maar bij ­Verdi’s Aïda bleef hij nooit tot het einde zitten.

De muziek kon hem wel bekoren, maar de ­orkestratie vond hij nogal lomp. Het meest hield hij nog van het zingen van een straatartiest, genaamd Ferdinando. Weer thuis in Frolovskoye, een klein dorpje 80 kilometer van Moskou, zette hij zich aan Souvenir de Florence. Hij beschouwde het als een ­proeve van bekwaamheid, want als erelid van de Petersburgse Kamermuziek Vereniging moest je wel laten zien wat je waard was.

Over de opzet was hij zeer tevreden, vooral over de in het laatste deel. Over de was hij minder zeker, maar toch ging het werk in december 1890 in première. Een jaar liet hij de muziek rusten, voordat hij het derde en vierde deel grondig herzag. Het langzame deel klinkt inderdaad onmiskenbaar als een romantische Italiaanse  met lange lijnen en begeleidende ’s.

Biografie

Lisa Batiashvili, viool

Lisa Batiashvili studeerde bij Ana Chumachenco in München en bij Mark Lubotsky in Hamburg, en baarde opzien door op haar zestiende de tweede prijs te winnen van het Sibelius Concours 1995. Haar internationale carrière ging direct van start, ze won onder meer een Midem Classical Award en een Choc de l’année, werd in 2015 door ­Musical America benoemd tot Instrumentalist of the Year en twee jaar later door Gramophone genomineerd als Artist of the Year.

In 2018 ontving de violiste een eredoctoraat van de Si­belius Academie in Helsinki. Recentelijk bekleedde Lisa Batiashvili een residency bij de Berliner Philharmoniker, en hoogtepunten van het afgelopen seizoen waren een optreden met het Orchestre de Paris en Klaus Mäkelä op het Lucerne Festival, tournees met het Tonhalle-Orchester Zürich (Paavo Järvi), het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia (Daniel Harding) en het London Symphony Orchestra (Antonio Pappano), en haar terugkeer bij de Los Angeles Philharmonic, de New York Philharmonic en het National Symphony Orchestra in Washington.

Ook met het Concertgebouworkest heeft ze een hechte band: ze soleerde er voor het eerst in 2001 (Mozart) en voor het laatst in november 2024 (Prokofjev onder leiding van Klaus Mäkelä). Als artist in residence van het orkest in seizoen 2016/2017 soleerde ze in Tsjaikovski, Prokofjev en Sjostakovitsj en speelde ze met orkestleden kamermuziek. Met haar Lisa Batiashvili Foundation zet de violiste zich in voor getalenteerde jonge musici in haar geboorteland Georgië. Ze bespeelt een Joseph Guarneri ‘del Gesù’ uit 1739.

Ursula Schoch, viool

Ursula Schoch kreeg haar eerste vioollessen op vierjarige leeftijd. Na de middelbare school studeerde zij viool bij Saschko Gawriloff en kamermuziek bij het Alban Berg Strijkkwartet aan de Musikhochschule in Keulen.

In 1987 behaalde Schoch met haar de eerste prijs bij Jugend Musiziert, het muziekconcours voor de jeugd in Duitsland. In 1990 herhaalde ze deze prestatie als solovioliste. In 1992 was ze eerste prijswinnares van het Deutsche Musikwettbewerb.

Van 1998 tot 2000 was Ursula Schoch lid van de Berliner Philharmoniker. Sinds het seizoen 2000/01 is zij tweede concertmeester bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Daarnaast treedt zij regelmatig op in verschillende kamermuziekformaties.

In 2014 verscheen de cd Baltic Souls, de weerslag van het muzikale deel van een concertlezing van schrijver Jan Brokken, waarmee Schoch en pianist Marcel Worms vaak te horen waren. Ursula Schoch bespeelt een viool van J.B. Guadagnini.

Jelena Ristic, viool

De Servische violiste Jelena Ristic maakt sinds april 2013 deel uit van de eerste violengroep van het Concertgebouworkest.

Jelena Ristic studeerde af aan de Kunstacademie van Novi Sad in de klas van Dejan Mihailović, en studeerde vervolgens in Amsterdam bij Ilya Grubert.

Tussen 2005 en 2007 soleerde ze bij het van Niš, het orkest van de Academie voor Schone Kunsten te Novi Sad en Het Gelders Orkest. In 2008 werd Jelena Ristic concertmeester van Het Gelders Orkest. Ze vervulde die functie ook bij enkele orkesten in Denemarken en was assistent-concertmeester bij Het Brabants Orkest en Holland Symfonia.

Jelena Ristic speelt op een viool van J.B. Vuillaume viool (ca. 1845) die voorheen door Tony Rous werd bespeeld tot zijn pensioen. Het instrument is eigendom van de Foundation Concertgebouworkest.

Frederik Boits, altviool

De Belgische Altviolist Frederik Boits studeerde aan het Conservatorium van Brussel bij Erwin Schiffer en Paul De Clerck. Hij vervolgde zijn studie aan het Conservatorium van Amsterdam bij Jürgen Kussmaul, waar hij in 2003 met onderscheiding afstudeerde. Ook volgde hij de solistenopleiding bij Bruno Giuranna aan de Fondazione Walter Stauffer in Cremona. In 2003 was hij prijswinnaar van de internationale wedstrijd in Bled, Slovenië.

Frederik Boits speelde in Holland Symfonia, waar hij negen jaar lang aanvoerder van de altviolen was. In 2012 speelde hij korte tijd in het London Philharmonic Orchestra en remplaceerde hij bij het WDR Sinfonieorchester in Keulen.

Hij speelt daarnaast graag kamermuziek, dit doet hij regelmatig met Amsterdam Sinfonietta, Oxalys, Het Collectief en het Nieuw Ensemble.

Frederik Boits is sinds 1 mei 2013 altviolist in het Concertgebouworkest.

Vilém Kijonka, Altviool

Vilém Kijonka is sinds juni 2013 in dienst van het Concertgebouworkest.

De Tsjechische altviolist studeerde in Praag aan het Conservatorium en de Muziekacademie, en vanaf 2001 aan het Conservatorium van Amsterdam bij Nobuko Imai en Michael Gieler. Ook studeerde hij bij Wolfram Christ aan de Hochschule für Musik in Freiburg.

Vilém Kijonka speelde in het Tsjechisch Radio , het Suk Kamerorkest, het Radio Symfonie Orkest en Het Nederlands Kamerorkest en was vanaf 2008 eerste soloaltist bij de Radio Kamer Filharmonie. Hij wordt met regelmaat uitgenodigd als gastaanvoerder bij Nederlandse Orkesten en trad op als solist met Het Brabants Orkest en het Suk Kamerorkest.

Vilém Kijonka is een gepassioneerd kamermusicus. Hij was zes jaar lang lid van het Kubelik Kwartet, speelt regelmatig met Camerata Concertgebouworkest en werkte samen met musici als Alina Ibragimova, Alex Kerr, Gordan Nikolic, Liviu Prunaru and Gregor Horsch.

In 2016 maakt hij samen met ist Radek Baborak een cd-opname van Mozarts Hoornkwintet, KV 407, die uitkwam op het label Supraphone.

Johan van Iersel, cello

Cellist Johan van Iersel studeerde bij Elias Arizcuren aan het Utrechts Conservatorium, waar hij in 1995 met onderscheiding afstudeerde. Na zijn vervolgstudie bij Philippe Müller aan het Parijse Conservatoire National Supérieur de Musique volgde hij masterclasses bij Siegfried Palm, Mstislav Rostropovich en Heinrich Schiff. Sinds september 1997 is hij plaatsvervangend solocellist bij het Concertgebouworkest.

John van Iersel won prijzen op het Prinses Christina Concours (1990), het Postbank Sweelinck Concours (1992) en het concours van de Stichting Jong Muziektalent Nederland (1991). Samen met pianist Jeroen Bal ontving hij in 1992 de Zilveren Vriendenkrans van de Vereniging Vrienden van het Concertgebouworkest.

Met Jeroen Bal en plaatsvervangend concertmeester Tjeerd Top vormt hij het Vermeer . Van Iersel speelde ook in het Escher Trio en is lid van het Blaeu Strijkkwartet, dat in binnen- en buitenland optreedt. Hij soleert regelmatig bij onder andere bij het Concertgebouworkest, het voormalige Radio Kamerorkest en het Residentie Orkest.

Johan van Iersel bespeelt sinds 2005 een F. Ruggieri (Cremona, 1687), voorheen eigendom van zijn celloleraar. Deze cello werd door de Foundation Concertgebouworkest en een aantal particulieren samen aangekocht en aan Van Iersel in bruikleen verstrekt.

Julia Tom, cello

De Amerikaanse celliste Julia Tom studeerde bij Joel Krosnick aan de Juilliard School of Music en voltooide tegelijkertijd een bacheloropleiding in de Engelse Literatuur aan Harvard University. Ze studeerde ook bij Frans Helmerson en Ralph Kirshbaum, en volgde masterclasses bij Yo-Yo Ma, Steven Isserlis, Anner Bijlsma, David Geringas en Bernard Greenhouse.

Julia Tom nam met succes deel aan verscheidene concoursen; ze was finaliste in het ARD-Wettbewerb in München en won de Grote Prijs van de Torneo Internazionale di Musica. Als soliste trad Julia Tom op met verschillende orkesten, waaronder het San Francisco Symphony Orchestra, het Oakland Symphony Orchestra, het Palo Alto Philharmonic. Ook maakte ze deel uit van het Verano String Quartet en het Oberon .

Julia Tom was eerste solocellist van de Bremer Philharmoniker en speelde regelmatig met de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen en het Mahler Chamber Orchestra. Sinds 2010 is Julia Tom lid van het Koninklijk Concertgebouworkest. Dit jaar heeft Julia Tom de Prix de Salon van het Koninklijk Concertgebouworkest gewonnen. De die Julia Tom bespeelt, is omstreeks 1780 gebouwd door Anselmo Bellosio in Venetië.

Fredrika Brillembourg, mezzosopraan

De in Berlijn woonachtige mezzosopraan Fredrika Brillembourg werd in 2014 geroemd om haar optreden als verteller in de Amerikaanse première van Toshio Hosokawa’s The raven. Eerder was ze te horen in producties van De Nederlandse Opera, het Grand Theatre de Genève, de Washington National Opera, de Komische Oper Berlin en Oper Stuttgart.

Van 1995 tot 2001 maakte ze deel uit van het ensemble van het Theater Bremen en zong ze met succes verschillende beroemde rollen voor mezzosopraan. Fredrika Brillembourgs repertoire reikt van Bizets Carmen tot aan Ligeti's Mescalina. Ze soleerde bij orkesten als het Bavarian Radio Symphony Orchestra en het Mahler Chamber Orchestra.