Close-up: 250 jaar Beethoven

musici van het Koninklijk Concertgebouworkest:
Mirte de Kok viool
Saeko Oguma altviool
Johan van Iersel cello
Pierre-Emmanuel de Maistre contrabas
Arno Piters klarinet
Helma van den Brink fagot
Katy Woolley hoorn

Joseph Haydn 1732-1809

Strijktrio in G gr.t., op. 53 nr. 1 (1784)
Allegro ed innocente
Presto

Peter Fribbins 1969

The Zong Affair (2011)
Misterioso – Allegro feroce – Drammatico ma tenebre (Poco meno mosso ma flessibile) – Allegro feroce

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Septet in Es gr.t., op. 20 (1799-1800)
Adagio – Allegro con brio
Adagio cantabile
Tempo dit menuetto
Tema con variazioni: Andante
Scherzo: Allegro molto e vivace
Andante con moto alla marcia

er is geen pauze

Toelichting

Beethoven in 2020

Door Anneloes Brand

Dit Close-up-concert verenigt een paar belangrijke ’s van 2020. Allereerst is het een Beethovenjaar: in december is het 250 jaar geleden dat Ludwig van Beethoven werd geboren. Bovendien vieren we 75 jaar vrijheid sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. De behoefte aan vrijheid is universeel en van alle tijden. Het onderwerp lag ook Beethoven na aan het hart, getuige uitspraken als ‘Wohltun wo man kann; Freiheit über alles lieben’. Hij stopte het onderwerp tevens in zijn Septet in Es groot: in het vierde deel gebruikte Beethoven namelijk het Die losgekaufte Geliebte, waarin afkopen, rede en vrijheid de sleutelwoorden zijn.

Een van de componisten op wie Beethoven en zijn Septet van invloed waren is Peter Fribbins. Hij schreef zijn septet, The Zong Affair, voor dezelfde bezetting (viool, , , contrabas, klarinet, en ) en liet zich verder beïnvloeden door William Turners schilderij The Slave Ship – een ultiem voorbeeld van gebrek aan vrijheid. Het concert gaat van start met een strijktrio van Beethovens leermeester Joseph Haydn.

Haydn: Strijktrio

Onder Joseph Haydns handen maakte het een flinke ontwikkeling door van tot een ‘serieus’ genre. Onder zijn vele trio’s voor diverse bezettingen bevindt zich een flink aantal voor de baryton, een soort viola da gamba, het instrument van Haydns broodheer, prins Nikolaus Joseph Esterházy. Maar hij componeerde ook strijktrio’s, waarvan zijn 53, alledrie in twee delen, fraaie voorbeelden zijn. Ze zijn identiek aan de Pianosonates, Hob. XVI:40-42 uit 1784, maar het is niet bekend welke versie de originele is en of Haydn zelf de heeft gemaakt.

Haydn droeg de s op aan prinses Marie, de kersverse echtgenote van de kleinzoon van prins Nikolaus, hetgeen misschien de nobelheid en lichtheid van de muziek verklaart. Het eerste deel van het Strijktrio in G groot is een elegante dans in de vorm van een met variaties, afwisselend in en . Het luchtige vliegt voorbij en bevat grappige wendingen, zoals abrupte pauzes en harmonische uitstapjes.

Fribbins: The Zong Affair

Peter Fribbins schreef The Zong Affair in opdracht van het Turner Ensemble, dat drie werken liet componeren gebaseerd op schilderijen van J.M.W. Turner, de negentiende-eeuwse schilder naar wie het ensemble zich had vernoemd. De Britse componist liet zich inspireren door Turners The Slave Ship van circa 1840. De ondertitel van het schilderij, ‘Slavers Throwing overboard the Dead and Dying – Typhoon coming on’, onthult zijn grimmige onderwerp. De manier waarop er tegen deze, destijds legale, massamoorden werd aangekeken sloeg om na de Zong-affaire in 1781 (de Zong was een van de Britse slavenschepen). Fribbins creëerde vier verschillende sfeergedeelten in The Zong Affair, zoals hijzelf schreef:

  • The Slave Ship

‘De Misterioso introductie zet de toon, met spookachtige uitgerekte klanken met interpuncties. Door deze textuur heen wordt een volkslied uit die tijd geweven, maar het bronmateriaal is door de hedendaagse context onherkenbaar vervormd. De contrabas komt naar voren in het grootschaligere feroce. Dan raakt het septet verdeeld – de laten een protest horen boven de strijkers en de . De rollen worden omgedraaid, hetgeen een kleurrijk effect geeft, waarna een ritmisch unisono van het ensemble nieuwe ideeën aanreikt: de muzikale fragmenten vormen een brug naar een meer met een begeleiding in de strijkers.

Een volgende substantiële passage, Drammatico ma tenebre (‘dramatisch maar duister’), is een rustpauze, waarin de sfeer van de introductie terugkomt. De solohoorn, op deerniswekkende wijze geïmiteerd door de , ontvouwt al gauw zijn onzekere binnen de onheilspellende, gepolariseerde textuur. Het Allegro feroce keert volgens verwachting terug, nog feller dan voorheen, maar afgesloten met een teder, zij het droevig, slot.’

Beethoven: Septet

Ludwig van Beethoven componeerde zijn Septet in Es groot, op. 20 in 1799-1800. De bezetting was innovatief voor die tijd, zo ook de prominente rol van de klarinet naast de viool. Het werk inspireerde Schubert bijvoorbeeld tot zijn Octet, tevens in Es groot, alleen met een extra viool. Beethoven liet zijn Septet samen met zijn Eerste symfonie in première gaan op 2 april 1800 in het Weense Burgtheater en droeg het werk op aan keizerin Maria Theresia, die bij het concert aanwezig was.

Het Septet was een onmiddellijk succes. Het raakte zelfs zo populair, dat het algauw werd bewerkt voor andere bezettingen, onder andere door Beethoven zelf tot zijn Klarinettrio, op. 38. Later sprak de componist een zekere wrok tegen het werk uit, omdat de populariteit ervan volgens hem zijn verdienstelijker composities overschaduwde. ‘Dat verdomde werk; kon ik het maar verbranden’, schijnt hij te hebben gezegd, en tegen een van de bewonderaars hield hij zelfs vol dat het werk van Mozart was! Het Septet is inderdaad een luchtig werk in de geest van de achttiende-eeuwse – zo geliefd bij Mozart en Haydn – maar vooral ook interessant, vol jeugdige energie, en met boeiende, aantrekkelijke partijen voor alle zeven instrumentalisten.

Biografie

Saeko Oguma, altviool

Saeko Oguma studeerde in aan de Toho Gakuen Muziekacademie in Tokio, waarna zij orkestervaring opdeed bij het Deutsches Symphonieorchester Berlin en bij enkele grote Japanse orkesten, waaronder het Tokyo Symphony Orchestra en het Tokyo Nomori Orchestra onder Riccardo Muti. Als kamermusicus trad zij op tijdens diverse festivals in Japan.

Aan het Conservatorium van Amsterdam studeerde ze verder bij Sven Arne Tepl, Marjolein Dispa en Nobuko Imai.

Tijdens het Internationale Johannes Brahms Concours in 2008 won Saeko Oguma de tweede prijs. Eerdere prijzen won ze onder meer tijdens de Tokyo Music Competition (2006) en de Nagoya International music competition (2003).

Na het winnen van het Nationaal concours Amsterdam trad ze in september 2010 als plaatsvervangend aanvoerder van de altviolen toe tot het Concertgebouworkest.

Johan van Iersel, cello

Cellist Johan van Iersel studeerde bij Elias Arizcuren aan het Utrechts Conservatorium, waar hij in 1995 met onderscheiding afstudeerde. Na zijn vervolgstudie bij Philippe Müller aan het Parijse Conservatoire National Supérieur de Musique volgde hij masterclasses bij Siegfried Palm, Mstislav Rostropovich en Heinrich Schiff. Sinds september 1997 is hij plaatsvervangend solocellist bij het Concertgebouworkest.

John van Iersel won prijzen op het Prinses Christina Concours (1990), het Postbank Sweelinck Concours (1992) en het concours van de Stichting Jong Muziektalent Nederland (1991). Samen met pianist Jeroen Bal ontving hij in 1992 de Zilveren Vriendenkrans van de Vereniging Vrienden van het Concertgebouworkest.

Met Jeroen Bal en plaatsvervangend concertmeester Tjeerd Top vormt hij het Vermeer . Van Iersel speelde ook in het Escher Trio en is lid van het Blaeu Strijkkwartet, dat in binnen- en buitenland optreedt. Hij soleert regelmatig bij onder andere bij het Concertgebouworkest, het voormalige Radio Kamerorkest en het Residentie Orkest.

Johan van Iersel bespeelt sinds 2005 een F. Ruggieri (Cremona, 1687), voorheen eigendom van zijn celloleraar. Deze cello werd door de Foundation Concertgebouworkest en een aantal particulieren samen aangekocht en aan Van Iersel in bruikleen verstrekt.

Pierre-Emmanuel de Maistre, contrabas

Contrabassist Pierre-Emmanuel de Maistre maakt sinds augustus 2013 deel uit van het Concertgebouworkest en werd in 2015 benoemd tot solocontrabassist van het orkest.

Aanvankelijk studeerde hij aan het conservatorium van zijn geboortestad Toulon en aan het conservatorium van Rueil Malmaison. Vervolgens studeerde Pierre-Emmanuel de Maistre contrabas bij Jean Pierre Resecco in Toulon en bij Vincent Pasquier in Parijs, waarna hij doorstudeerde aan de Folkwang Hochschule in Essen bij Niek de Groot, voormalig eerste solobassist van het Concertgebouworkest. Hij deed mee aan masterclasses van Philippe Müller, Gary Hoffman, Franz Helmerson en Matthew McDonald.

Tussen 2003 en 2007 was hij lid van het Gustav Mahler Jugendorchester en tevens was hij lid van het Seiji Ozawa International Chamber Music Academy in Zwitserland. In 2003 werd Pierre-Emmanuel de Maistre tot plaatsvervangend solobassist in het Orchestre National de Lille. Daarnaast remplaceerde hij bij diverse andere orkesten in Frankrijk, en in 2012 ook bij het Concertgebouworkest.

Kamermuziek is belangrijk voor Pierre-Emmanuel - in 2007 nam hij deel aan de Seiji Ozawa International Academy, een zomercursus voor kwartetspel in Genève.

Pierre-Emmanuel nam deel aan diverse kamermuziekfestivals, zoals het festival Barga en het Festival International de Musique de Chambre in Thèze in Zuid-Frankrijk.

Hij is hoofdvakdocent contrabasbas aan de Musikene Superior Arts Center in San Sebastián.

Pierre-Emmanuel bespeelt een contrabas uit de collectie van de Foundation Concertgebouworkest, een Bergonzi gebouwd in Cremona (ca. 1760).

Arno Piters, klarinet

Arno Piters studeerde klarinet en es-klarinet aan het Maastrichts Conservatorium bij Jan Cober en Willem van der Vuurst en behaalde zijn diploma met onderscheiding. Daarna studeerde hij bij George Pieterson aan het Conservatorium van Amsterdam, waar hij opnieuw zijn diploma met onderscheiding haalde.

Hij was lid van het Nationaal Jeugd Orkest, het Gustav Mahler Jugendorchester en het European Union Youth Orchestra waar hij speelde onder leiding van Pierre Boulez, Bernard Haitink en Vladimir Ashkenazy.

Als solist speelde hij onder meer met het Residentie Orkest, het Limburgs Symfonie Orkest en de Nürnberger Symphoniker. Als kamermusicus speelde hij op festivals in binnen- en buitenland.

Van 2001 tot 2003 was hij verbonden aan het Radio Symfonie Orkest. Daarna werd hij (es)-klarinettist bij het Concertgebouworkest te Amsterdam.

Als docent is hij verbonden aan het Conservatorium van Amsterdam.

Helma van den Brink, fagot

Helma van den Brink begon met viool- en ­pianolessen en stapte na een aantal jaren over op de . Uiteindelijk koos ze voor de en al na twee jaar werd ze toe­gelaten tot het Koninklijk Conservatorium in Den Haag om te studeren bij Johan Steinmann en Gustavo Núñez.

In juni 2005 behaalde ze haar diploma. Helma van den Brink ­speelde in jeugdorkesten als het European Union Youth Orchestra en het Nationaal Jeugd Orkest en remplaceerde bij verschillende orkesten in Nederland.

Sinds december 2005 maakt ze als tweede tist deel uit van het Koninklijk Concertgebouworkest. Buiten het orkest treedt ze geregeld op als solist en in uiteenlopende kamerbezettingen.

Katy Woolley, hoorn

Katy Woolley werd geboren in Exeter en begon rond haar tiende met spelen. Ze kreeg les van Sue Dent en vervolgens Simon Rayner. Ze studeerde aan de Royal College of Music in Londen af met de hoogste onderscheiding en ontving de Tagore Gold Medal uit handen van Prins Charles. Ze was twee jaar lang aanvoerder van de horns in het European Union Youth Orchestra en vervolgde haar studie bij Christian Friedrich Dallmann aan de Universität der Künste in Berlijn.

Op 22-jarige leeftijd werd Katy Woolley aanvoerder van het Philharmonia Orchestra in Londen, een jaar nadat ze nog tijdens haar studie als iste was aangenomen. Met het Philharmonia Orchestra trad ze als soliste op in Mozarts Tweede Hoornconcert, beide hoornconcerten van Richard Strauss, Brittens  voor tenor, hoorn en strijkers en Tansy Davies’ ‘Forest’ Concerto. Ook de London Mozart Players en de New York Philharmonic engageerden haar als soliste.

Katy Woolley is een gepassioneerd docente en gaf in Londen les aan de Royal Academy of Music en het Trinity Laban Conservatoire of Music and Dance. Ook aan het Conservatorium van Amsterdam en de Sibelius Academy in Helsinki onderwees ze jonge musici.

Sinds augustus 2019 is ze solohoorniste van het Concertgebouworkest.

Mirte de Kok, viool

Mirte de Kok is sinds september 2005 violiste bij het Concertgebouworkest. Na vijf jaar bij de tweede violengroep sloot ze zich in 2010 aan bij de eerste violen.

Zij kreeg les van Coosje Wijzenbeek en studeerde daarna aan het Conservatorium van Utrecht bij Chris Duindam. Haar Master rondde ze af aan het Conservatorium van Amsterdam bij Alexander Kerr. Masterclasses volgde ze bij toonaangevende musici als Heinz Oberdorfer, Rian de Waal, Natalia Morosowa en Bart Schneemann.

Mirte de Kok won in 1999 de Publieksprijs tijdens het Prinses Christina Concours en in 2004 de eerste prijs van de Yamaha Music Foundation Europe.

Ze was concertmeester bij onder meer Camerata Antonio Lucio, een positie die zij in 2004 deelde met Emmy Verhey. Daarnaast speelde Mirte de Kok bij het Radio Kamer Orkest en het Holland Symfonia en was ze concertmeester van het van het Utrechts Conservatorium.

Haar cd Emotions by Mirte met het Beethoven Academy Orchestra uit Krakau onder leiding van Alexander Geluk kwam in 2008 uit. Ter promotie van deze cd trad ze met dit orkest in Nederland op.