Close-up: 100 jaar na Claude Debussy

Musici uit het Koninklijk Concertgebouworkest.

Sylvia Huang viool
Mirelys Morgan Verdecia viool
Martina Forni altviool
Vilém Kijonka altviool
Honorine Schaeffer cello
Mariya Semotyuk fluit
Davide Lattuada klarinet
Hein Wiedijk klarinet
Petra van der Heide harp

Dit concert maakt deel uit van de serie Close-up.

Claude Debussy (1862-1918)

Strijkkwartet in g kl.t., op. 10 (1892-93)
Animé et très décidé
Assez vif et bien rythmé
Andantino, doucement expressif
Très modéré – En animant peu à peu – Très mouvementé et avec passion

Maurice Ravel (1875-1937)

Introduction et allegro (1905)
voor harp, fluit, klarinet en strijkkwartet

pauze (± 21.00 uur)

Claude Debussy

Sonate, L. 137 (1915)
voor fluit, altviool en harp
Pastorale. Lento, dolce rubato
Interlude. Tempo di minuetto
Finale. Allegro moderato ma resoluto

Francis Poulenc (1899-1963)

Sonate (1918)
voor twee klarinetten
Presto
Andante
Bref

Toru Takemitsu (1930-1996)

And then I knew ’twas wind (1992)

einde (±  22.10 uur)

Toelichting

Claude Debussy 1862-1918

100 jaar na Debussy

Door Maarten Beirens

Rond 1910 was Parijs uitgegroeid tot de onbetwiste artistieke hotspot. De stad zou in de jaren voor en na de Eerste Wereldoorlog een enorme aantrekkingskracht uitoefenen op allerhande kunstenaars. De cafés op de Rive Gauche of de nachtclubs in Montparnasse werden als het ware artistieke ontmoetingsplekken, waar je met wat geluk Igor Stravinsky, Pablo Picasso, Man Ray, James Joyce of Gertrude Stein kon opmerken.

Bovendien waren de artiesten die elkaar in die eerste decennia van de twintigste eeuw in Parijs ontmoetten belangrijke vernieuwers. De negentiende-eeuwse artistieke tradities en normen stonden onder druk en nieuwe generaties begonnen te experimenteren met alternatieve middelen. Vergelijk in de beeldende kunst de sensuele kleurexplosie van de impressionisten met de classicistische academische stijl waartegen ze zich afzetten en je krijgt meteen een idee van de gretige honger naar nieuwe, intensere, ongewonere middelen die bij een hele jongere generatie leefde.

In zekere zin belichaamde Claude Debussy dat belangrijke scharnierpunt in de ontwikkeling van de Franse muziek. Wanneer Debussy in 1918 overlijdt – hij wordt haastig begraven terwijl de Duitse troepen in een soort ‘laatste stuiptrekking’-offensief de Franse hoofdstad met zware artillerie bestoken – is de grote omwenteling in de nieuwe muziektaal nog maar net ingezet. De overgang tussen de Laatromantiek en de ontluikende moderniteit is een woelig proces met grote impact op de richting die de klassieke muziek in de twintigste eeuw uitgaat.

Een Franse identiteitscrisis

Naast het revolutionaire geweld van de vroege Igor Stravinsky, Béla Bartók of Arnold Schönberg toonde Debussy zich misschien minder extreem, maar onder de sensuele ën en uze flair van zijn muziek gaat eveneens een grote drang naar vernieuwing schuil. Niet voor niets noemde de Nederlandse componist Rudolf Escher hem later de ‘heimelijke omwentelaar’.

Een probleem waar Debussy en tijdgenoten mee worstelden, was de identiteit van de Franse muziek. Hun generatie koesterde een diepe fascinatie voor de Duitse componist Richard Wagner en voor de doorwrochte van diens muziek, maar die fascinatie zou heel dubbelzinnig blijken.

Aan de ene kant was er de sterke aantrekkingskracht van Wagners harmonische taal, aan de andere kant bleef er argwaan tegenover de zeer Germaanse tiek en de Duitse obsessie om heel degelijk en gestructureerd met motivisch en harmonisch materiaal om te gaan.

Voor de Franse componisten leverde dat vaak een tweestrijd op tussen het omarmen van (harmonische) aspecten van Wagners stijl en het zoeken naar een eigen ‘Franse’ muzikale identiteit. De speelse lichtheid van Francis Poulencs  voor twee klarinetten en de zwierige virtuoze wervelingen van harp en ensemble in Maurice RavelIntroduction et  sluiten aan bij dat aspect.

Overigens heeft Introduction et allegro voor harp, fluit, klarinet en strijkkwartet, vol van virtuoze elementen die bij dat ‘Franse’ karakter horen, meer weg van een mini-harpconcert dan van ­kamermuziek. Dat heeft alles te maken met de opdracht. In 1904 had de instrumentenbouwer Pleyel bij Debussy een werk besteld – de Danse sacrée et danse profane – om de kwaliteiten van zijn nieuwe harp (met 12 snaren per in plaats van de gebruikelijke 7) in de verf te zetten. Het antwoord van de concurrerende bouwer Erard was om prompt bij Maurice Ravel een werk te bestellen dat de superioriteit van de standaard pedaalharp zou demonstreren.

Het strijkkwartet van Claude Debussy uit 1892-93 toont meteen hoe Debussy tussen die invloeden een eigen stem vond. Geschreven voor een kamermuziekvereniging waar vooral de ‘Duitse’ klassiek-romantische kwartetliteratuur gekoesterd werd (Haydn, Beethoven), lijkt het kwartet het Beethoven-model te volgen (het is in vier delen, waarvan het eerste in ), maar voegt het een aantal elementen toe die vooruitwijzen naar de vernieuwingen die Debussy’s ‘impressionistische’ stijl zouden kenmerken.

Het hoofdthema uit het eerste deel komt in allerlei varianten ook in de volgende delen terug: een ‘cyclisch ’. Dat was bij Hector Berlioz of César Franck al een kleine traditie geworden: het aanbrengen van eenheid in de structuur. Het tweede deel van het kwartet – een pittig vol sprankelende ’s – maakt duidelijk dat kleur voor Debussy geen detail was.

De sprong naar een van Debussy’s laatste composities, de Sonate voor fluit, en harp toont hoe extreem de vernieuwing van de melodische en harmonische taal bij de late Debussy gepaard gaat met een doorgedreven rol van . De combinatie van precies deze drie instrumenten in een sonate was totaal nieuw, vooral omdat het een werk van grotere dimensie is.

Onder de sensuele harmonieën en melodieuze flair van Debussy's muziek gaat een grote drang naar vernieuwing schuil

De Sonate voor twee klarinetten van Francis Poulenc toont een vergelijkbare zin voor avontuur met een ongebruikelijke bezetting, maar is een veel compacter werk, dat bovendien vlotter aansluit bij de lichtvoetige Franse sfeer van ‘divertissement’. Bovenal maakt Debussy gebruik van de contrasterende timbres van de drie instrumenten om een aparte klankwereld te scheppen waarin de gewaagde ën en meanderende ën een vreemd en wat donker karakter meekrijgen.

Oosterse invloed

Een laatste aspect dat bij uitstek bij ­Debussy prominent wordt, is de invloed van Aziatische muziek. De ontdekking van de klankrijkdom en heel andere muzikale uitgangspunten uit verre Oosterse uithoeken bleek bijzonder inspirerend, in een burgerlijke cultuur waar alles wat ‘Oosters’ was (Perzische tapijten, Japanse prenten, Chinese vazen) een heuse rage werd. Een sleutelmoment voor Debussy was de Wereldtentoonstelling van 1889 in Parijs, waar in de schaduw van de gloednieuwe Eiffeltoren onder andere een Javaans gamelanensemble te horen was.

De Japanse componist Toru Takemitsu werd meer dan een halve eeuw later beïnvloed door Debussy’s stijl – Debussy-achtige harmonie is bij Takemitsu alomtegenwoordig. Maar als Japanner wijst zijn muziek ook weer naar de Aziatische invloeden die voor Debussy zelf zo inspirerend waren geweest. De diepe eerbied voor zijn muzikale voorbeeld blijkt ook uit de keuze om And then I knew ’twas wind (1992) voor fluit, altviool en harp te componeren: het heeft dezelfde bezetting als Debussy’s baanbrekende sonate.

Contrasten

Claude Debussy balanceerde tussen contrasterende inspiraties: de diepzinnige, harmonisch complexe taal van Wagner, de lichtvoetigere, door zangerige melodie gedreven Franse stijl (waar Poulenc in excelleerde), de focus op kleur die we naar analogie met de schilderkunst tegenwoordig meestal als ‘impressionisme’ benoemen en de klanken en pentatonische harmonieën die uit het verre Oosten kwamen.

Debussy was niet de radicale beeldenstormer die Schönberg of Stravinsky in zekere mate wel waren, maar honderd jaar na zijn overlijden blijkt steeds duidelijker hoe diep zijn invloed op de verdere muzikale ontwikkelingen is.

Biografie

Sylvia Huang, viool

Sylvia Huang leerde het vak van haar vader en studeerde verder aan de Académie des Arts de la Ville de Bruxelles. De Belgische violiste won eerste prijzen op de National Musical Competition Belfius Classics in 2004 en de Lions European Musical Competition in 2008.

Orkestervaring deed ze op bij het European Union Youth Orchestra. In september 2012 werd ze tweede violiste bij het Nationaal Orkest van België, waar ze anderhalf jaar later werd gepromoveerd tot co-solovioliste.

Van 2014 tot 2022 was ze eerste violiste bij het Concertgebouworkest. Samen met drie orkestcollega’s formeerde ze het succesvolle GoYa Quartet Amsterdam. In mei 2019 werd Sylvia Huang laureaat van de Koningin Elisabethwedstrijd en won ze de Prix Musiq’3 du Public en de Canvas-Klara Prijs. Ze kreeg daarnaast de Caecilia-prijs voor Jonge Musicus van het Jaar uitgereikt door de Vereniging van de Belgische Muziekpers.

In 2021 soleerde Sylvia Huang bij het Concertgebouworkest in Mozarts Vierde viool­concert, KV 218, zowel onder An­drew Manze in Amsterdam als onder Iván Fischer in het Konzerthaus in Berlijn ter gelegenheid van het staatsbezoek van het koninklijk paar aan Duitsland. In september van dat jaar bracht ze met pianiste Eliane Reyes de cd Lointain passé uit, gewijd aan Eugène Ysaÿe en Guillaume Lekeu.

Sinds het seizoen 2022/2023 is Sylvia Huang concertmeester van het van de Koninklijke Muntschouwburg in Brussel.

Mirelys Morgan Verdecia, viool

Mirelys Morgan Verdecia komt uit Havana. In haar geboortestad studeerde ze aan het Instituto Superior de Arte en soleerde ze met bijvoorbeeld het Nationale Orkest van Cuba onder Leo Brouwer en het Orquesta Sinfonica de Cali (Colombia). In 2000 werd ze door Claudio Abbado geselecteerd voor het opleidingstraject van het Gustav Mahler Jugendorchester.

Mirelys won diverse prijzen, waaronder tweemaal de eerste prijs van het Musicalia muziekconcours in Havana.

In 2003 maakte ze de oversteek naar Europa. Ze studeerde bij Rainer Schmidt in Madrid en bij Ulf Wallin aan de Hochschule für Musik Hanns Eisler in Berlijn.

Mirelys Morgan Verdecia ondernam vele tournees als lid van het Gustav Mahler Jugendorchester en het Verbier Festival Orchestra onder leiding van maestro's als Valery Gergiev, James Levine, Charles Dutoit en Michael Tilson-Thomas. Ook speelde ze met onder meer het Deutsche Symphonie Orchester, het orkest van de Deutsche Oper in Berlijn en het hr-sinfonieorchester in Frankfurt en werd ze in 2006 geselecteerd voor de orkestacademie van het Schleswig-Holstein Musik Festival.

Van 2009 tot 2013 was Mirelys eerste violiste bij het Orquesta Nacional de España. Sinds augustus 2013 maakt ze deel uit van de tweede violengroep van het Concertgebouworkest.

Sinds 2017 bespeelt Mirelys een viool uit de collectie van de Foundation Concertgebouworkest, een F. Gagliano gebouwd in Napels in 1778.

Martina Forni, altviool

De Italiaanse altvioliste Martina Forni groeide op te midden van vele soorten muziek. Door haar latere al even gevarieerde activiteiten in de muziek - van muziek tot hedendaags via jazz en Argentijnse tango - ontwikkelde ze zich tot een eclectisch musicus.

Martina Forni studeerde magna cum laude af aan de conservatoria van zowel Verona als Amsterdam. Onder haar docenten en mentors bevinden zich Nobuko Imai, Michael Gieler, Umberto Forni en Anner Bijlsma.

In het seizoen 2007/2008 maakte ze deel uit van de Academie van het Concertgebouworkest. Martina Forni was lid van het Radio Filharmonisch Orkest en speelde vele jaren bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het London Philharmonic Orchestra en Asko|Schönberg.

Sinds 2013 maakt ze deel uit van het Concertgebouworkest. Daarnaast speelt Martina Forni graag kamermuziek, zoals in het Il Faro Kwartet en Ensemble Lumaka, waarmee ze diverse prijzen won. Ze speelt ook altviool en was soloaltist van Anima Eterna Brugge, Ensemble Zefiro en La Chambre Philharmonique.

Vilém Kijonka, Altviool

Vilém Kijonka is sinds juni 2013 in dienst van het Concertgebouworkest.

De Tsjechische altviolist studeerde in Praag aan het Conservatorium en de Muziekacademie, en vanaf 2001 aan het Conservatorium van Amsterdam bij Nobuko Imai en Michael Gieler. Ook studeerde hij bij Wolfram Christ aan de Hochschule für Musik in Freiburg.

Vilém Kijonka speelde in het Tsjechisch Radio , het Suk Kamerorkest, het Radio Symfonie Orkest en Het Nederlands Kamerorkest en was vanaf 2008 eerste soloaltist bij de Radio Kamer Filharmonie. Hij wordt met regelmaat uitgenodigd als gastaanvoerder bij Nederlandse Orkesten en trad op als solist met Het Brabants Orkest en het Suk Kamerorkest.

Vilém Kijonka is een gepassioneerd kamermusicus. Hij was zes jaar lang lid van het Kubelik Kwartet, speelt regelmatig met Camerata Concertgebouworkest en werkte samen met musici als Alina Ibragimova, Alex Kerr, Gordan Nikolic, Liviu Prunaru and Gregor Horsch.

In 2016 maakt hij samen met ist Radek Baborak een cd-opname van Mozarts Hoornkwintet, KV 407, die uitkwam op het label Supraphone.

Honorine Schaeffer, cello

Honorine Schaeffer, geboren in een kunstenaarsfamilie, begon op zesjarige leeftijd haar studie aan het conservatorium van haar geboortestad Avignon. Na haar studie bij Cyrille Tricoire aan het Conservatoire de Montpellier begon ze haar opleiding aan het Conservatoire National Supérieur in Parijs, waar ze studeerde bij Michel Strauss en Marc Coppey. Ze rondde haar masterstudie af met de hoogste onderscheiding. In 2007 won ze de prijs voor jong talent van de Carl Flesch Akademie, in 2012 de eerste prijs tijdens de Lions European Musical Competition.

Schaeffer continueerde haar studie in 2013 bij Leonid Gorokhov aan de Hochschule für Musik in Hannover, waar ze in 2019 afstudeerde met een solistendiploma op het hoogste niveau.

De celliste, die altijd al veel interesse in symfonische muziek had, nam deel aan de Académie de l'Orchestre de Paris (2008) en de Académie de l'Orchestre Philharmonique de Radio France (2009). In het seizoen 2012/2-13 nam ze deel aan de Academie van het Concertgebouworkest, en het seizoen daarop aan de Karajan Akademie van de Berliner Philharmoniker. Op 22-jarige leeftijd werd ze aangenomen bij het Concertgebouworkest, waar ze sinds augustus 2014 deel uitmaakt van de groep .

Datzelfde jaar vormde ze met drie orkestcollega’s het GoYa Quartet. In 2015 won het kwartet de Prix de Salon, de jaarlijks door de businessclub van het orkest aan een orkestlid toegekende prijs. Met het GoYa Quartet dan wel als soliste musiceerde Schaeffer op prestigieuze muziekpodia in Nederland, België, Frankrijk en de Baltische staten.

Honorine Schaeffer bespeelt een cello gebouwd in 1866 door Bernardel Père; haar strijkstok is vervaardigd is door haar vader, Christophe Schaeffer.

Mariya Semotyuk, fluit

Als vierjarig meisje kreeg Mariya Semotyuk haar eerste muzieklessen. Ze studeerde aan de conservatoria van L’viv en Leipzig, bij onder anderen Irmela Bossler. Ook studeerde ze , muziekpedagogiek en moderne muziek.

Ze vervolgde haar opleiding in de solistenklas van Renate Greiss-Armin aan de Hochschule für Musik in Karlsruhe. Na haar opleiding speelde ze eerst solo- bij de Staatskapelle in Halle voordat ze in 2007 bij het Koninklijk Concertgebouworkest in dienst kwam.

In 2009 bereikte ze de finale van de prestigieuze Kobe International Flute Competition en won de speciale prijs voor de beste interpretatie van een romantisch werk. Naast haar orkestbaan speelt ze ook graag kamermuziek.

Davide Lattuada, klarinet

Davide Lattuada speelt klarinet vanaf zijn vijftiende en studeerde aan het conservatorium van Milaan bij Primo Borali. Van 1993 tot 2005 was hij verbonden aan het Orchestra Sinfonica Giuseppe Verdi (thans laVerdi) in Milaan en vanaf 1998 speelde hij regelmatig bij het Orchestra del Teatro alla Scala.

In het seizoen 2005-2006 maakte hij deel uit van het Orchestra dell'Accademia Nazionale di Santa Cecilia, en in augustus 2006 trad hij als basklarinettist toe tot het Koninklijk Concertgebouworkest.

Davide Lattuada bespeelt een klarinetset van de Franse bouwer Buffet Crampon, geschonken door de Freundeskreis Schweiz van het Koninklijk Concert­gebouworkest.

In zijn vrije tijd is Davide Lattuada een fervent schaker.

Hein Wiedijk, klarinet

Hein Wiedijk studeerde cum laude af bij George Pieterson aan het Sweelinck conservatorium te Amsterdam. Sinds 1996 maakt hij deel uit van het Koninklijk Concertgebouworkest.

Hij speelde kamermuziek met onder anderen Han de Vries, Anner Bijlsma, Pieter Wispelwey en Gervase de Peyer. Hein was – samen met pianist Frank van de Laar en celliste Larissa Groeneveld – een van de winnaars van het Vriendenkrans Concours in 1987 en won prijzen op diverse internationale kamermuziekconcoursen.

Als mede-oprichter van Camerata RCO geeft hij concerten over de hele wereld (Japan, Taiwan, USA en in Europa). Hij maakte cd's met werken van Beethoven, Brahms, Ravel, Mozart en Mahler.

Daniel Heide, piano

Daniel Heide studeerde aan de Franz Liszt Hochschule in zijn ­geboorteplaats Weimar.

De pianist was te gast op de ­Schubertiades van Schwarzenberg/ Hohenems en ­Vilabertran en de festivals van Schleswig-­Holstein, Rheingau, ­Edinburgh en Oxford en speelde in kamermuziek­zalen als de Philharmonie en het Konzerthaus in Berlijn, het Konzerthaus Dortmund, de Oper Frankfurt, de Philharmonie de Paris, het Wiener Konzerthaus, Wigmore Hall in Londen, de Børssalen in Kopenhagen, deSingel in Antwerpen en de Bunka Kaikan Hall in Tokio.

In ‘Der e Salon’ in Schloss Ettersburg begeleidde hij al over de honderd avonden. Onder de ­zangers met wie Daniel Heide musiceert zijn Katharina Konradi, Patrick Grahl, ­Tobias Berndt, Dorottya Lang en Britta Schwarz. Hij werkt aan een integrale opname van het liedoeuvre van Liszt, en voor albums met mezzosopraan Stella Doufexis ­(Poèmes), Andrè Schuen (Schwanen­gesang) en Konstantin Krimmel (Die schöne Müllerin) kreeg de pianist de Preis der ­deutschen Schallplattenkritik en de Op­us ­Klassik.

Instrumentale muziek speelt hij met collega’s als Tabea ­Zimmer­mann, Julia ­Hagen, Andreas Willwohl en het Mandelring-­Quartett, en sinds de corona­tijd concentreert hij zich ook weer meer op het pianosolorepertoire. Eerder dit jaar begeleidde Daniel Heide in de tenor Christoph Prégardien ­(3 juni; Schubert en Duparc).