Christoph Prégardien en Julius Drake: Schubert

Christoph Prégardien tenor
Julius Drake piano 

schubertiade

pauze ca. 20.55 uur
einde ca. 22.05 uur

teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal

Dit concert maakt deel uit van de serie Vocaal 2.

Franz Schubert 1797-1828

Auf der Bruck, D 853 (1825)

Der liebliche Stern, D 861 (1825)

Im Walde, D 834 (1825)

Um Mitternacht, D 862 (1825)

Lebensmut, D 883 (1826)

Im Frühling, D 882 (1826)

An mein Herz, D 860 (1825)

Tiefes Leid, D 876 (1826)

Über Wildemann, D 884 (1826)

pauze

Dass sie hier gewesen, D 775 (1823)

Greisengesang, D 778 (1823)

Du bist die Ruh, D 776 (1823)

Der Tod und das Mädchen, D 531 (1817)

Im Walde (Waldesnacht), D 708 (1820)

Nacht und Träume, D 827 (1825)

Fischerweise, D 881 (1826)

Totengräbers Heimweh, D 842 (1816)

Der Winterabend, D 938 (1828)

Toelichting

Schubert: liederen op teksten van Schulze

Door Axel Meijer

De poëzie van de jong gestorven dichter Ernst Schulze (1789-1817) treft Franz Schubert zo sterk, dat hij in 1825-26 negen van diens werken op muziek zet. Sommige musicologen zien in de verzameling eren een soort onbedoelde cyclus, een voorafschaduwing van Winterreise zelfs: een onduidelijk doel drijft de hoofdpersoon voort, die diep (terug)verlangt naar een geliefde.

Schulzes teksten komen uit zijn Poetisches Tagebuch, waarin hij in dichtvorm verhaalt van zijn verdriet over de dood van zijn achttienjarige muze en zijn vergeefse pogingen vervolgens het hart van haar zuster te winnen. Net als in Winterreise houdt bij de Schulzeliederen de verteller op gezette tijden halt om de natuur te beschouwen.

In het energieke Auf der Bruck gaat de hoofdpersoon te paard; maar het dier wordt hier zo afgepeigerd dat er maar weinig tijd is om de omgeving op te nemen. Der liebliche Stern biedt een rustpunt, maar met een tragische ondertoon: een lichte, kabbelende begeleiding illustreert de weerspiegeling van sterren in het meer die de varende dichter bijna naar zijn verdrinkingsdood lokken.

Voor Im Walde gebruikt Schubert een begeleiding die doet denken aan ‘Erstarrung’ uit Winterreise. In dat zoekt de reiziger naar ondergesneeuwde voetstappen, in Im Walde naar bloemen in het bos – meer specifiek naar een bepaalde bloem natuurlijk. In het simpel strofische Um Mitternacht kijkt de hoofdpersoon smachtend naar de nachthemel. Als hij in de sterren toch eens zijn geliefde mocht ontwaren – daar zou hij de hele nacht voor opblijven, weer of geen weer.

In Lebensmut spreekt de dichter/zanger – ondanks alles – zijn levenslust uit, maar de drammerigheid waarmee hij dat doet is niet erg overtuigend. Het is een van Schuberts minst bekende liederen, geheel in tegenstelling tot Im Frühling. Dit geliefde lied begint met een pianovoorspel, waarbij zich onverwacht en zeer geraffineerd de zangpartij voegt. Schubert schrijft vervolgens een serie meesterlijke variaties op het aldus ontstane materiaal.

Schubert brengt hier perfect over dat het dichterlijk verlangen nooit bewaarheid zal worden, zonder iets af te doen aan de schoonheid van de droom. In An mein Herz probeert de verteller zich neer te leggen bij het verlies, of de onbereikbaarheid, van zijn geliefde. Schubert maakt daarbij gebruik van een begeleiding met het kloppende noodlotsritme uit Ludwig van BeethovenVijfde symfonie. De dichter spreekt de wens uit dat zijn hart nu toch eindelijk eens stil mag zijn.

De voorzienigheid wil kennelijk niet luisteren, want ook in Tiefes Leid is het leed nog niet geleden. Het onderwerp is hier een bezoek aan een kerkhof, net als in Das Wirtshaus uit Winterreise. De muziek doet echter eerder denken aan Rückblick uit die cyclus. De reiziger kijkt terug op wat voorbij en verloren is, en wil zich het liefste voor eeuwig te ruste leggen. De aanleiding voor Schulzes gedicht is een bezoek aan het graf van zijn overleden muze, nadat hij definitief door haar zus was afgewezen.

Über Wildemann beschrijft hoe in de vallei de lente zich al aandient, terwijl de reiziger die er vanaf de hoge, nog besneeuwde bergen op neerkijkt (Wildemann is een dorp in de Harz) liever nog even in winterse sferen verwijlt, omdat die zijn stemming beter weerspiegelen. Dit is het laatste Schulze-gedicht dat Schubert op muziek zet, en daarmee een interessante vooruitblik naar Winterreise.

Andere liederen

Eind 1823 zet Schubert enkele oriëntaals geïnspireerde gedichten van Friedrich Rückert op muziek. Dass sie hier gewesen treft door de spannende opening: Rückert begint met een bijzin, en Schubert laat in het midden wat de van zijn is totdat Rückert zijn eigenlijke verhaal begint.

Het maakt een ongekend moderne indruk, die eerder doet denken aan Hugo Wolf dan aan Schubert. In Greisengesang dagdroomt een oude man over liefdes van vroeger – dat alles verleden tijd is, doet niets af aan de precisie en de passie van zijn herinneringen.

Van Schuberts Rückertliederen is Du bist die Ruh ongetwijfeld het beroemdst. Hier gaat het nu eens niet om verlangen, verlies of melancholie, maar om de volmaakte rust van een bevredigend (en bevredigd) liefhebben. Schubert zet de tekst in lange, klare lijnen op muziek waar pure voldoening in doorklinkt.

Misschien nog beroemder is Der Tod und das Mädchen, een betrekkelijk vroeg meesterwerk, op tekst van Matthias Claudius. Het onderwerp is eenvoudig: de onontkoombaarheid van de dood, en de mogelijke genade daarvan. De hoofdmelodie is al even simpel, maar onvergetelijk. Zeven jaar na dit schrijft Schubert er een serie variaties op, voor het tweede deel van zijn veertiende strijkkwartet.

Met zo’n zeven minuten is Waldesnacht een van Schuberts langere liederen. Het is gebaseerd op Im Walde van Friedrich von -Schlegel. Hoewel het gedicht eerder een kalme beschouwing is over het bos bij nacht, maakt Schubert er een woeste wandeling van, vol luidkeels bezongen indrukken van de spokende wind, de weerkaatsing van het licht en het zuchten van de bomen, alles boven een niet aflatende pianopartij.

De tekst van Nacht und Träume is van de hand van Schuberts vriend Matthäus von Collin, die in 1824 overleed. Het lied doet in al zijn kalmte denken aan Du bist die Ruh, al wordt hier de stilte van nacht en slaap bezongen, in plaats van de rustende geliefde.

In Fischerweise zingt de visser een aanstekelijk wijsje tijdens zijn zorgeloze arbeid. In Schuberts begeleiding horen we het water klateren en klotsen tegen de boot. De dichter, baron Schlechta, haalt in de laatste strofe nog even uit naar een hengelend herderinnetje op de brug: met haar sluwe streken zal zij deze vis nooit vangen.

Totengräbers Heimweh is van vergelijkbare lengte als Waldesnacht. Het stuk valt op doordat Schubert van tranentrekkend, tenenkrommend sentimentele rijmelarij toch nog een mooi lied weet te maken. Schuberts oprechte geloof in de doodswens van de doodgraver maakt het lied ook voor de luisteraar geloofwaardig, ondanks de oppervlakkigheid van het personage.

Met Der Winterabend komen we thuis. Buiten is het stil, de smid is naar huis en de sneeuw dempt het geluid van wagens. In het maanlicht komen herinneringen terug aan vervlogen tijden en liefdes van lang geleden – maar ze doen nu geen pijn meer.

Biografie

Christoph Prégardien, tenor

Christoph Prégardien begon als koorknaap in zijn geboortestad Limburg an der Lahn. Hij studeerde bij onder anderen Hartmut Höll – met wie hij recent nog op de Schubertiade Schwarzenberg/Hohenems stond – en groeide uit tot een internationaal gevierd vocalist.

De tenor musiceerde met de Wiener en de Berliner Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, Philharmonia, de orkesten van Boston en San Francisco en het Concertgebouworkest.

Christoph Prégardien vertolkte veel belangrijke rollen in de ’s van Mozart, Rossini en Verdi, werd vaak uitgenodigd voor de evangelistenpartijen van Bachs ­Passionen en werkte mee aan meer dan 150 cd-­opnamen. recitals gaf hij op prestigieuze festivals en podia, en onder zijn meest recente liedopnames zijn Schuberts Schwanen­gesang en Schumanns Liederkreis 39 met Julius Drake.

Naast zijn zangcarrière werkt Christoph Prégardien ook als ; in die rol debuteerde hij in 2012 in Het Concertgebouw met Bachs Johannes-Passion door Le Concert Lorrain en het Nederlands Kamerkoor. Sindsdien dirigeerde hij onder meer het Balthasar Neumann Chor, het Dresdner Kammerchor, Collegium Vocale Gent en het RIAS Kammerchor.

Het vorige van Christoph Prégardien in de was een programma met Schubert, Britten en Killmayer samen met zijn zoon Julian Prégardien – tevens tenor – en pianist Michael Gees in februari 2023.

Julius Drake, piano

Julius Drake geniet een internationale reputatie als een van de beste begeleiders. De Britse pianist werkt samen met vele vooraanstaande zangers, zowel op het podium als in de opnamestudio.

Zijn passie voor het lied leidde tot diverse uitnodigingen om liedseries samen te stellen, onder andere voor Het Concertgebouw, de Londense Wigmore Hall en de BBC.

In de historische Middle Temple Hall in Londen organiseert hij een jaarlijkse reeks, Julius Drake and Friends. Daaraan werken uitstekende vocalisten mee, onder wie Sir Thomas Allen, Véronique Gens, Simon Keenlyside en Felicity Lott.

Julius Drake maakte vele opnamen, onder anderen met Gerard Finley, Ian Bostridge en Christianne Stotijn. Hij werd opgeleid aan de Purcell School en het Royal College of Music in Londen.

Tegenwoordig doceert hij zelf piano/zangbegeleiding aan de Kunstuniversität Graz in Oostenrijk. In december 2022 kreeg Julius Drake de Concertgebouwpenning.