Chailly leidt Rachmaninoff bij het Concertgebouworkest
Concertgebouworkest
Riccardo Chailly dirigent
Mao Fujita piano
Dit concert maakt deel uit van de serie B.
Ook interessant:
- Interview met rijzende ster Mao Fujita
- Een postuum interview met Serge Rachmaninoff
- Lees hier meer artikelen over Serge Rachmaninoff
Serge Rachmaninoff (1873-1943)
Pianoconcert nr. 2 in c kl.t., op. 18 (1900-01)
Moderato
Adagio sostenuto
Allegro scherzando
pauze ± 20.50 uur
Symfonie nr. 1 in d kl.t., op. 13 (1895)
Grave, Allegro ma non troppo
Allegro animato
Larghetto
Allegro con fuoco
einde ± 22.15 uur
Toelichting
Serge Rachmaninoff (1873-1943)
Tweede pianoconcert
Door Aad van der Ven
Alsof tijdens het componeren de vingers zelfstandig op zoek zijn gegaan naar de juiste toetsen. Zo natuurlijk, instrumentaal geconcipieerd is de pianomuziek van Serge Rachmaninoff. Hij schreef naar verluidt vrijwel al zijn muziek terwijl hij aan het klavier zat. Wat verwacht men anders van iemand die ook tot de grootste pianisten van zijn tijd behoorde? Opvallende elementen van zijn rijke en subtiele schrijfwijze zijn in het Tweede pianoconcert in c klein in overvloed te vinden, vooral in decoratieve passages waar lijnen, ische details en krioelende toonladderfiguren ën omgeven die oprijzen als machtige, door de wind voortgedreven schepen. Want melodieën schrijven, dat kon Rachmaninoff als weinig anderen. Na de acht herhaalde, in sterkte toenemende, mysterieuze beginakkoorden, klinkend als de klokken van een eeuwenoude kathedraal, verheft zich zo’n fraai gewelfde melodie waaraan maar geen einde lijkt te komen, meer dan veertig maten lang. Het is een talent dat Rachmaninoff gemeen had met Pjotr Tsjaikovski, van wie hij veel geleerd heeft. Wanneer het laatste deel zijn apotheose nadert, rijst weer zo’n melodie op, nog grandiozer dan dat eerste van het openingsdeel. De componist werd daarmee op slag wereldberoemd, zeker nadat ook de filmindustrie er zich van meester had gemaakt.
Al die aantrekkelijke, rijk geornamenteerde ën kwamen de maker allesbehalve aanwaaien. Componeren ging bij Rachmaninoff gepaard met veel twijfels en wanhoop. De schok als gevolg van zijn weggehoonde Eerste symfonie (1895) kon hij slechts dankzij langdurige psychiatrische behandeling te boven komen. Het Eerste pianoconcert (1890-91) was wel een succes, maar de componist was er zelf zo ontevreden over dat hij de vele jaren later grondig reviseerde. Ook nummer twee kent een problematische voorgeschiedenis. In 1900 ontstonden het tweede en derde deel, en pas nadat die in het openbaar waren uitgevoerd durfde Rachmaninoff een jaar later het openingsdeel eraan toe te voegen. De triomfantelijke première betekende een keerpunt in zijn carrière.
De uiteenlopende kanten van Rachmaninoff als componist komen hier duidelijk naar voren. Enerzijds in de gloed en de virtuositeit van de snelle delen, met martiale motieven tegenover breed uitwaaierende melodieën. Aan de andere kant is er het introverte sostenuto met rustig om hun as draaiende, Bach-achtige passages waarvan het zwevende effect het gevolg is van steeds verschuivende, de verhullende en. Dit alles gedrenkt in de nostalgie die inherent is aan Rachmaninoff. In 1918, na de Russische Revolutie, week hij uit naar de Verenigde Staten, waar hij altijd een buitenstaander zou blijven.
Serge Rachmaninoff 1873-1943
Eerste symfonie
Door Rutger Helmers
De Eerste symfonie van Rachmaninoff heeft, zacht gezegd, een ongelukkige plaats in de biografie van haar componist. Het was de mislukte première van dit werk, waarmee Rachmaninoff op zijn vijfentwintigste in Sint-Petersburg hoopte door te breken, die hem in een depressie stortte waar hij pas drie jaar later met zijn Tweede pianoconcert weer uit kwam. Hij had het slecht getroffen met een belabberde uitvoering onder leiding van Aleksandr Glazoenov en de critici waren genadeloos. Rachmaninoff borg zijn manuscript weg in een la, waar het achterbleef en uiteindelijk verloren is gegaan nadat hij Rusland in de nasleep van de Revolutie verliet.
Het nageslacht oordeelde veel positiever over het werk. De orkestpartijen werden na Rachmaninoffs dood teruggevonden in de archieven van wat inmiddels het Leningradse Conservatorium was, en de heropvoering in 1945 was een groot succes. De symfonie is onmiskenbaar ambitieus, met referenties aan religieuze muziek en allerlei dwarsverbanden tussen de verschillende delen. Het resultaat is een doorwrochte, samenhangende compositie. Doordat dezelfde motieven op allerlei plekken terugkeren, vergt het de nodige concentratie van de luisteraar om zich te kunnen oriënteren.
De orkestpartijen werden na Rachmaninoffs dood teruggevonden in de archieven
De imposante openingsmaten bevatten gelijk de twee belangrijkste motieven die aan de basis van de symfonie liggen: allereerst de figuur waarmee de openingstoon omspeeld wordt – een omgekeerde dubbelslag, voor de liefhebbers – die het stuk van meet af aan een dreigend en licht exotisch karakter verleent, en vervolgens in de lage strijkers het belangrijkste van het eerste deel, dat verwant is aan het , het gezang uit de katholieke liturgie over de Dag des Oordeels.
Het eerste motief, de dubbelslag, keert op allerlei momenten in de symfonie terug, het tweede vormt de basis voor het ma non troppo dat volgt. Net als bijvoorbeeld Tsjaikovski in zijn Zesde symfonie trapt Rachmaninoff even flink op de rem voordat hij aan zijn tweede begint, dat in een kalmer tempo staat maar niettemin een emotionele uitbarsting kent. De terugkeer van het snellere hoofdthema in de doorwerking komt met een klap en een to waarmee een gestage, grandioze opbouw naar de reprise wordt ingezet.
De twee middendelen zijn vergelijkbaar van opzet. Beide openen met de dubbelslag en een kort mijmerend in de violen dat is afgeleid uit het langzamere tweede van het eerste deel. Het animato is, zoals te verwachten valt van een , wat lichtvoetiger van aard, met veel ’s en trillers, en het Larghetto bevat de uitgesponnen lyriek die we van Rachmaninoff kennen. Toch valt ook hier, met name in de middensecties, het duistere karakter van het werk niet buiten de deur te houden.
De finale begint met een triomfantelijke fanfare die meteen, als stip op de horizon, het glorieuze doel neerzet waar de symfonie naartoe streeft. Dan volgt een panorama van meeslepende vioolmelodieën, duizelingwekkende tutti’s, melancholieke hobosolo’s, en kort voor het eind, temidden van alle tumult, nog een laatste, plechtige verwijzing naar het . Als dat beloofde slotakkoord tenslotte toch klinkt, is het gecombineerd met de figuur van die dubbelslag, die het hard bevochten met mysterie omkleedt.
Biografie
Riccardo Chailly, dirigent
Riccardo Chailly was chef- van het Concertgebouworkest tussen 1988 en 2004. Terwijl hij de traditie van de grote romantische werken continueerde, zorgde hij tegelijkertijd voor een verbreding van het repertoire op het gebied van hedendaagse muziek en .
Bij zijn afscheid werd hij benoemd tot conductor emeritus.
Sinds hij in april 2013 terugkeerde met drie verschillende programma’s, staat Riccardo Chailly opnieuw met regelmaat voor het Concertgebouworkest. De laatste samenwerking dateert van februari 2024, toen Schönbergs Gurre-Lieder op het programma stond. Van 2005 tot 2016 was de Italiaan chef- van het Gewandhausorchester in Leipzig. Sinds 2015 is hij chef-dirigent van La Scala in Milaan, en sinds januari 2017 artistiek directeur. Dezelfde functie vervult hij sinds 2016 bij het Lucerne Festival Orchestra.
Riccardo Chailly is regelmatig te gast bij de belangrijkste orkesten ter wereld, zoals de Berliner Philharmoniker, de Wiener Philharmoniker en de New York Philharmonic. leidt hij onder meer bij de Wiener Staatsoper, de Metropolitan Opera in New York, de Royal Opera in Londen en de Bayerische Staatsoper in München. Voor zijn meer dan 150 opnames tellende discografie kreeg hij een Gramophone Award, twee Echo Klassiks en de Diapason d’Or als Artist of the Year 2020.
Riccardo Chailly werd onderscheiden met de Grand’ Ufficiale della Repubblica Italiana en de zilveren erepenning van de stad Amsterdam. Hij is Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, erelid van de Royal Academy of Music in Londen en Cavaliere di Gran Croce van de republiek Italië.
Mao Fujita, piano
In maart 2023 debuteerde Mao Fujita in de met een Mozart-, en diezelfde maand maakte hij ook zijn debuut in de : in Rachmaninoffs Tweede pianoconcert met het Concertgebouworkest onder leiding van Riccardo Chailly.
De twintiger uit Tokio speelt piano vanaf zijn derde, studeert in Berlijn bij Kirill Gerstein en reist langs de wereldpodia.
Na de prijzen die hij op jonge leeftijd won volgde de echte doorbraak in 2017, nog tijdens zijn studie aan het Tokyo College of Music, met het winnen van de eerste prijs, de publieksprijs en nog twee extra prijzen op het Concours International de Piano Clara Haskil in Zwitserland. In 2019 werd Mao Fujita tweede op het Tsjaikovski Concours in Moskou. De pianist werd inmiddels uitgenodigd door de Münchner Philharmoniker, het Tokyo Metropolitan Symphony Orchestra, het Orchestre Philharmonique de Radio France, The Cleveland Orchestra, het Royal Philharmonic Orchestra en het Orchestra Filarmonica della Scala.
Highlights van het seizoen 2023/2024 waren tournees met het Gewandhausorchester Leipzig (Andris Nelsons), het Tsjechisch Philharmonisch Orkest (Semyon Bychkov) en het Orchestre Philharmonique de Monte Carlo (Kazuki Yamada), en concerten met het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Israëlisch Filharmonisch Orkest, de Los Angeles Philharmonic en de Wiener Symphoniker. s gaf Mao Fujita in de Elbphilharmonie Hamburg, op de Heidelberger Frühling en het KlavierFestival Ruhr, en op tournee in Japan en China.
In 2022 verscheen een cd-box met alle s van Mozart, een cyclus die de pianist ook compleet uitvoerde in zalen in Japan, op het Verbier Festival en in Wigmore Hall in Londen.



