Cappella Amsterdam & Orkest van de Achttiende Eeuw: Mozarts Requiem en Andriessen
Orkest van de Achttiende Eeuw
Cappella Amsterdam
Daniel Reuss dirigent
Carolyn Sampson sopraan
Marianne Beate Kielland mezzosopraan
Thomas Walker tenor
Tobias Berndt bariton
Dit concert maakt deel uit van de serie Onsterfelijke Noten.
Zangteksten zijn gratis verkrijgbaar aan de zaal.
Louis Andriessen (1939-2021)
May (2018-20)
voor koor en orkest
in opdracht van het Orkest van de Achttiende Eeuw, ondersteund door de internationale vriendenkring van het orkest en door Fonds Podiumkunsten
Martijn Padding (1956)
Farewell (2022)
voor orkest
in opdracht van het Orkest van de Achttiende Eeuw, opgedragen aan Sieuwert Verster; wereldpremière
pauze ± 20.45 uur
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Requiem in d kl.t., KV 626 (1791)
voor koor, solisten en orkest
Introitus: Requiem aeternam
Kyrie
Sequenz: Dies irae – Tuba mirum – Rex tremendae – Recordare –
Confutatis – Lacrimosa
Offertorium: Domine Jesu Christe – Hostias
Sanctus
Benedictus
Agnus Dei
Communio: Lux aeterna
einde ± 22.05 uur
Toelichting
Louis Andriessen 1939-2021
May
Door Jacqueline Oskamp
Na de dood op 13 augustus 2014 van Frans Brüggen, en artistiek geweten van het Orkest van de Achttiende Eeuw, besloot het orkest een oude wens van hem in vervulling te laten gaan: een nieuw stuk van Louis Andriessen, met wie Brüggen levenslang bevriend was. Sinds de jaren zestig had Andriessen een aantal werken geschreven voor blokfluitvirtuoos Brüggen. De vrienden vonden elkaar ook in het streven naar een nieuw muziekbestel, waarin ruimte is voor andere genres naast het traditionele, van romantiek doordesemde symfonische repertoire.
Met May, naar Mei van Herman Gorter (1864-1927), eerde Andriessen de musicus die voor de oude muziek eenzelfde emancipatoire betekenis heeft gehad als hijzelf voor de hedendaagse muziek. De bezetting was zelfs voor de gelouterde componist een avontuur. Zelden schreef hij voor een ensemble zonder de voor hem zo vertrouwde klankbronnen als basgitaar, saxofoon en tweevoudig piano – laat staan voor een bezetting van louter authentieke instrumenten. En hoewel Andriessens werkenlijst een veelvoud aan vocale werken omvat, betreft dat altijd kleine ensembles van solostemmen. Dus ook de inzet van het 24 zangers omvattende Cappella Amsterdam was een novum.
Uit de ruim 4381 dichtregels die Mei omvat, heeft Andriessen een selectie van tachtig regels gemaakt. Hij heeft geput uit het eerste deel, waarin de ik-figuur het meisje Mei ontmoet, en uit het derde deel, waarin Mei – net als eerder haar zuster April – overlijdt. Ze wordt begraven, en “toen speelden eerst de gnomen op hun trom / En toen de elven op hunne cymbalen”. De vele zintuigelijke verwijzingen naar muziek, klank en geluid droegen ertoe bij dat Andriessen zich tot dit vers voelde aangetrokken. Het precieze taalgebruik van Gorter correspondeert bovendien met Andriessens wens in een geserreerde vorm uitdrukking te geven aan gevoelens van liefde, dood en verlies. Treffend is ook de symboliek van het voorjaar dat sterft, waarin zich een analogie aftekent met de vriendschap tussen Andriessen en Brüggen in de lente van hun leven.
De toonzetting van May (het gedicht is vertaald met het oog op het internationale werkterrein van het Orkest van de Achttiende Eeuw) is typerend voor een componist in de nadagen van zijn leven: gecondenseerd, teruggebracht tot de essentie – een staat van bewustzijn zoals we die herkennen bij de late Beethoven of de late Bartók. May zou Andriessens laatste compositie blijken; hij overleed op 1 juli 2021. Martijn Padding voltooide de . Een afwisseling van tutti, duetten en soli vormt de hartslag van het stuk. In dramatisch opzicht valt het contrast op tussen de modale, vaak ingehouden koorpassages en de orkestrale uitbarstingen, waarmee Andriessen de harmonische spanning geraffineerd opdrijft. Er doen zich geen verwijzingen voor naar de traditionele Latijnse dodenmis, maar allerhande (buis)klokken en het zelden gebruikte ‘Klavier Glockenspiel’ verkondigen het ‘memento mori’, dat eigen is aan een requiem. Meteen in het begin van May schiet de schim van Frans Brüggen voorbij in een drie maten durende blokfluitsolo.
Jacqueline Oskamp werkt aan een biografie over Louis Andriessen. Deze zal in 2025 verschijnen. Een uitgebreidere versie van deze toelichting verscheen bij de NTR ZaterdagMatinee van 5 december 2020, waar May – zonder live publiek – zijn wereldpremière beleefde.
Martijn Padding 1956
Farewell
Farewell is een cadeau voor Sieuwert Verster, bij zijn afscheid van het Orkest van de Achttiende Eeuw – aan de wieg waarvan hij heeft gestaan en waarvan hij ruim veertig jaar directeur is geweest. Martijn Padding kreeg de compositieopdracht, die werd ondersteund door het Fonds Podiumkunsten. Padding: ‘Sieuwert Verster was decennia lang met Frans Brüggen [1934-2014, red.] het middelpunt van het orkest. Daarnaast bemoeit hij zich op geheel eigen wijze met allerlei zaken die hem in het muziekleven voor de voeten komen. Hij becommentarieert, enthousiasmeert, maakt documentaires, is platenbaas, toont zich al jaren een uitgesproken aanjager van alle mogelijke denkbare projecten en heeft daarbij een uitgesproken liefde voor hedendaagse muziek. Net als Frans Brüggen weet hij dat we Beethoven alleen maar kunnen blijven begrijpen door met levende componisten te werken. Kortom, Sieuwert Verster is een van meest markante personen uit het Nederlands muziekleven van de afgelopen decennia.’
Over zijn nieuwe werk zegt Padding: ‘De orkestbezetting van Farewell is die van een gemiddelde Haydn-symfonie met de strijkersgroep en als basis. De en de (ten en s) spelen, zoals gebruikelijk, in paren. Ongewoon is dat de paukenist tevens een timpano bespeelt, een minipauk, waarmee het werk opent en die af en toe de kop opsteekt en een heel licht en transparant timbre produceert. Het stuk volgt geen narratief of programma. Het is een eendelig werk dat zich langs een traject van formules, ische passages en trompetcantilenes naar het einde toe intensiveert.
Het componeren van Farewell vond plaats in een tijd waarin al veel afscheid is genomen – van vrienden, en misschien ook wel van een stijl en een opvatting over kunst. Daarom wordt tegen het slot door middel van een korte voor het koper een saluut gebracht aan de Volharding-achtige bravoure uit de jaren tachtig, de periode dat Louis Andriessen en Frans Brüggen samen op de bres stonden voor een opwindende muzikale wereld. In Farewell komt steeds één ritmisch terug dat ten grondslag ligt aan de hele compositie. Een korte en een lange noot: Sieu-wert…, Sieu-wert…, Sieu-wert…’
Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791
Requiem in d klein
Door Sabien van Dale
Tijdens zijn laatste jaren in Wenen schreef Wolfgang Amadeus Mozart slechts drie liturgische werken: het korte Ave verum corpus en twee onvoltooide meesterwerken: de Mis in c klein, KV 427 en het Requiem. Het merendeel van zijn kerkelijke oeuvre ontstond tijdens zijn jeugd in het conservatieve katholieke Salzburg. Het Requiem uit 1791 staat stilistisch ver af van deze vroegere kerkmuziek. Niet enkel de met mysterie omgeven ontstaansgeschiedenis en de onvoltooid gebleven maken dat er van dit werk een bijzondere aantrekkingskracht uitgaat.
In zijn dodenmis bereikt Mozart een gelijkmatige synthese tussen de Italiaanse expressiviteit van zijn ’s en de conventionele polyfone stijlprincipes van de achttiende-eeuwse kerkmuziek. Eén van de vele bijzonderheden aan dit requiem is dat dit werk veel minder in de liturgie dan op de concertpodia thuishoort.
De talloze commentaren en toelichtingen die aan Mozarts Requiem zijn gewijd, vertonen wezenlijke tegenstrijdigheden waardoor de grens tussen historische authenticiteit en fictie danig vertroebeld is geraakt. Dit is grotendeels te wijten aan de onvolledigheid, anekdotiek, onjuiste chronologie of partijdigheid van de vroegste biografen (van wie hoogstwaarschijnlijk niemand Mozart persoonlijk heeft gekend). De gegevens die uit de vele uiteenlopende puzzelstukken betrouwbaar kunnen worden geacht, laten zich als volgt samenvatten.
Midden juli 1791 laat graaf Franz egg-Stuppach Mozart een anonieme opdracht bezorgen voor het schrijven van een requiemmis. De graaf bestelt de compositie als eerbetoon aan zijn recent overleden echtgenote. Mozart ziet een kans om na lange tijd weer een groots sacraal werk te schrijven. Het voorschot van 50 dukaten, de helft van de afgesproken vergoeding, is meer dan welkom. Later onderzoek heeft uitgewezen dat de veronderstelde ‘sinistere, in het zwart geklede boodschapper’ Anton von Leitgeb is geweest, cellist in dienst van graaf Walsegg. Mozart gaat diezelfde zomer nog aan de slag. Niets wijst op dat moment op een onrustwekkende gezondheidstoestand.
Zijn werkzaamheden worden niettemin al snel onderbroken door twee projecten: Die Zauberflöte, KV 620 en La clemenza di Tito, KV 621 (voor de kroning van Leopold II in Praag), en ook nog door het Klarinetconcert, KV 622 en Eine kleine Freimaurerkantate, KV 623. Eind november wordt Mozart ernstig ziek. Hij moet het bed houden en begint nu obsessief aan zijn Requiem verder te werken. Sophie Haibler, de jongste zus van Mozarts vrouw Constanze, getuigt later hoe Mozart tijdens zijn laatste uren met de op zijn ziekbed aanwijzingen gaf aan zijn leerling Franz Xaver Süssmayr. Mozart sterft kort na middernacht op 5 december. Het Requiem blijft onvoltooid achter. Het manuscript eindigt na de eerste acht maten van het Lacrimosa.
Constanze vraagt verschillende kandidaten de compositie af te maken. Uiteindelijk voltooit Süssmayr – hij was niet de eerste keus – de partituur. Hij voorziet twee kopieën, één voor Wenen en één voor uitgeverij Breitkopf & Härtel in Leipzig. Pas nadien, tegen de afspraak, ontvangt graaf Walsegg ‘zijn’ kopie – dus nooit Mozarts oorspronkelijke manuscript. Hij schrijft alle partijen over en tekent met zijn eigen naam. Hij dirigeert zelf de eerste publieke uitvoering van Mozarts dodenmis in de Neuklosterkirche van Wiener Neustadt op 14 december 1793, tijdens een herdenkingsmis voor zijn overleden vrouw, en nadien nog een laatste keer op 14 februari 1794, op de sterfdag van de gravin. Tot op vandaag is het onmogelijk uit te maken in hoeverre Mozarts ideeën effectief doorsijpelden in Süssmayrs voltooiing. Ondanks de kritiek op diens persoonlijke aandeel en nog meer op zijn orkestratie, heeft een religieus werk van die omvang zelden zo’n blijvende fascinatie teweeggebracht.
Eerste en laatste uitvoering
Het Concertgebouworkest voerde Mozarts Requiem voor het eerst uit op 24 maart 1899 in de Stadsgehoorzaal in Leiden onder Daniël de Lange. Op 17 maart 1900 klonk de eerste uitvoering in Het Concertgebouw met Willem Mengelberg. De laatste uitvoering was op 24 maart 2017 onder leiding van Thomas Hengelbrock.
Biografie
Orkest van de Achttiende Eeuw, orkest
Het Orkest van de Achttiende Eeuw verwierf wereldfaam door symfonisch werk uit te voeren op originele instrumenten (of kopieën daarvan) en op een historisch geïnformeerde manier. Het ontstond in 1981 naar een idee van blokfluitist Frans Brüggen, die tot aan zijn dood in 2014 en artistiek leider bleef. Sindsdien werkt het gezelschap met gasten.
De orkestleden spelen internationaal in toonaangevende (kamer)muziekensembles en komen een aantal keer per jaar voor een project bij elkaar. De uitgebreide discografie van het Orkest van de Achttiende Eeuw omvat werken van Purcell, J.S. en C.Ph.E. Bach, Rameau, Haydn, Mozart, Beethoven, Schubert, Mendelssohn, Chopin en Weber. Met Daniel Reuss en Cappella Amsterdam nam het orkest Beethovens Missa solemnis en Brahms’ Ein deutsches Requiem op.
Na een concertante Così fan tutte van Mozart onder leiding van Ed Spanjaard in 2013 volgden in de onder leiding van Kenneth Montgomery Le nozze di Figaro, La clemenza di Tito, Don Giovanni en een bewerking van Die Zauberflöte/ Der Schauspieldirektor. In mei 2023 verzorgde het orkest in Het Concertgebouw een driedaags Beethoven Festival, in oktober 2023 bracht het opnieuw, nu onder leiding van Manoj Kamps, een productie van Così fan tutte, en in oktober 2024 kwam het met een Mozart-programma met onder meer het Requiem samen met Cappella Amsterdam.
Cappella Amsterdam, koor
Cappella Amsterdam, opgericht in 1970 door Jan Boeke, staat sinds 1990 onder de artistieke leiding van Daniel Reuss. Al ruim vijftig jaar lang houdt het kamerkoor de rijke koorcanon levend. De repertoirekeuze reikt van middeleeuwse tot de meest complexe hedendaagse koormuziek.
Het koor schenkt speciale aandacht aan het werk van Nederlandse componisten, variërend van Jan Pieterszoon Sweelinck tot Louis Andriessen, Ton de Leeuw, Robert Heppener en Jan van Vlijmen. De veelzijdigheid van Cappella Amsterdam komt ook tot uitdrukking in samenwerkingen met bijvoorbeeld het Holland Festival, Asko|Schönberg, MusikFabrik, de Akademie für Alte Musik Berlin, het Amsterdams Andalusisch Orkest en het Koninklijk Concertgebouworkest.
Vaste partner is Nieuw Vocaal Amsterdam, dat jonge zangers van vier tot eenentwintig jaar een klassieke opleiding biedt. De cd’s van Cappella Amsterdam werden meermaals onderscheiden: zo kreeg Golgotha van Frank Martin – samen met het Ests Philharmonisch Kamerkoor – een Grammy-nominatie, een Janáček-album een Edison Klassiek en een Diapason d’Or, een Brahms-album een Preis der deutschen Schallplattenkritik en Arvo Pärts Kanon Pokajanen een Edison Klassiek.
Het vorige optreden van Cappella Amsterdam in de Eigen Programmering was in 2023 een kerstconcert met het Nederlands Kamerorkest.
Daniel Reuss, dirigent
Daniel Reuss was aan het Conservatorium van Rotterdam leerling van Barend Schuurman en richtte op zijn 21ste het Oude Muziek Koor Arnhem op. Als ‘overtuigd niet-specialist’ dirigeert hij repertoire dat vele stijlen bestrijkt, van rond het jaar 1200 tot de meest actuele muziek.
Sinds 1990 is hij artistiek leider en chef- van Cappella Amsterdam, waarin hij al jarenlang zong toen hij die positie verwierf.
Als gastdirigent musiceert Daniel Reuss met gezelschappen in heel Europa, waaronder de Akademie für Alte Musik Berlin, MusikFabrik, Vocal Consort Berlin, Collegium Vocale Gent en het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Hij is chef- geweest van onder andere het RIAS Kammerchor in Berlijn, het Ests Philharmonisch Kamerkoor en het Ensemble Vocal Lausanne, waaraan hij nog verbonden is als vaste gastdirigent.
In 2016 werd Daniel Reuss voor zijn uitzonderlijke verdiensten benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam samen leidde de dirigent in Het Concertgebouw bijvoorbeeld ook in mei 2018 in Brahms’ Ein deutsches Requiem (een tournee die werd bekroond met de VSCD Klassieke Muziekprijs), in april 2019 in Bachs Johannes-Passion en in mei 2023 in Beethovens Negende symfonie.
Carolyn Sampson, sopraan
Carolyn Sampson soleerde bij het Freiburger Barockorchester, The English Concert, The Sixteen, het Hallé Orchestra, Britten , het Gewandhausorchester Leipzig, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Mozarteumorchester Salzburg en de orkesten van San Francisco, Boston, Cincinnati, Philadelphia en Detroit.
Het Concertgebouworkest vroeg haar sinds 2002 meermaals voor Bachs Passionen, het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam voor de Johannes-Passion, Mozarts Requiem, Beethovens Missa solemnis en Brahms’ Ein deutsches Requiem en het Bach Collegium Japan voor Mozarts Mis in c klein.
De Britse sopraan werd ook geëngageerd door de bekende huizen en door het Glyndebourne Opera Festival, de BBC Proms, de Salzburger Festspiele, het Mostly Mozart Festival in New York en het Boston Early Music Festival. s geeft ze graag tijdens de festivals van Oxford, Leeds, Saintes en Aldeburgh en op de bekende podia als Wigmore Hall in Londen, het Wiener Konzerthaus, de Alte Oper Frankfurt, deSingel in Antwerpen, Carnegie Hall in New York en de Pierre Boulez Saal in Berlijn.
Haar meest recente recital in de was in december 2022 met pianist Joseph Middleton, haar vorige optreden in de was in november 2024 met PRJCT Amsterdam en Maarten Engeltjes (Vivaldi en Pergolesi).
Marianne Beate Kielland, mezzosopraan
De Noorse zangeres Marianne Beate Kielland studeerde in Oslo en begon haar carrière in het zangersensemble van de Staatsoper Hannover.
Haar repertoire reikt van werk uit de zeventiende eeuw tot hedendaagse muziek. Producties waarin de mezzosopraan recentelijk soleerde waren bijvoorbeeld Bachs Hohe Messe met Leonardo Alarcon en het orkest van Radio France, Bachs Weihnachtsoratorium met het Gulbenkian Orkest onder Michel Corboz, Beethovens Missa solemnis in Liverpool met Andrew Manze, Dido in Purcells Dido and Aeneas in het Bolsjoi Theater in Moskou onder leiding van Christopher Moulds en de titelrol in Händels Giulio Cesare onder leiding van Rinaldo Alessandrini in Tokio.
Andere en met wie ze werkte zijn Herbert Blomstedt, Thomas Dausgaard, Philippe Herreweghe, Manfred Honeck, René Jacobs, Fabio Luisi, Marc Minkowski, Vasily Petrenko, André de Ridder, Jukka-Pekka Saraste, Jordi Savall en Masaaki Suzuki. Marianne Beate Kielland is te horen op zo’n vijftig cd’s (, , en ) en werd in 2012 genomineerd voor een Grammy Award.
In Het Concertgebouw was ze eerder te beluisteren met de Akademie für Alte Musik Berlin en The King’s Consort, maar ook met Cappella Amsterdam en het Orkest van de Achttiende Eeuw (in Beethovens Missa solemnis in 2016).
Thomas Walker, tenor
Thomas Walker, geboren in Glasgow, begon na zijn afstuderen als tubaspeler aan het Royal Conservatoire of Scotland aan een zangstudie bij Ryland Davies aan het Royal College of Music in Londen. Recente highlights uit zijn agenda zijn Monteverdi’s L’incoronazione di Poppea met het Boedapest Festival Orkest onder leiding van Iván Fischer én aan de Staatsoper Unter den Linden in Berlijn, Mozarts Mis in c klein in Bozar in Brussel met Riccardo Minasi, concerten in Londen en Cambridge met de Academy of Ancient Music en een Bach-programma in Wigmore Hall met het Gabrieli Consort en Paul McCreesh.
Met Daniel Reuss en het Ensemble Vocal de Lausanne maakte de tenor opnames van Beethovens Missa solemnis en Honeggers Le roi David. vertolkte Thomas Walker in theaters als de Staatsoper Stuttgart, het Theater an der Wien, De Munt in Brussel, de Opéra National de Paris en het Royal Opera House Covent Garden in Londen. Voor oratoria werd hij uitgenodigd door de Innsbrucker Festwochen der Alten Musik, de Gulbenkian Foundation in Lissabon, de BBC Proms en de Ruhr Triennale.
Bij het Orkest van de Achttiende Eeuw soleerde hij eerder als Evangelist in Bachs Johannes-Passion (2017) en afgelopen oktober – onder meer in Het Concertgebouw – in het Requiem van Mozart.
Tobias Berndt, bariton
De in Berlijn geboren Tobias Berndt begon zijn muziekopleiding in het Dresdner Kreuzchor en studeerde vervolgens bij Hermann Christian Polster in Leipzig en bij Rudolf Piernay in Mannheim. Ook volgde hij lessen bij Dietrich Fischer-Dieskau, Thomas Quasthoff en Irwin Gage. Hij won het Berlijnse concours ‘Das ’, de Brahms-Wettbewerb in Pörtschach en de Cantilena Gesangswettbewerb in Bayreuth.
Inmiddels wordt de zanger als solist uitgenodigd door en als Hans-Christoph Rademann, Philippe Herreweghe, Andrea Marcon en Teodor Currentzis. Hij was te beluisteren op podia als de Berliner en de Kölner Philharmonie, de Tonhalle in Zürich, het Leipziger Gewandhaus, de Herkulessaal in München en de Tsjaikovski Concertzaal in Moskou en tijdens festivals als de Praagse Lente, het Festival de La Chaise-Dieu, de Händel-Festspiele Halle, het Edinburgh International Festival, het Oregon Bach Festival en het Beijing International Music Festival.
In Polen vertolkte hij Wolfram in Wagners Tannhäuser en hij nam deel aan een Wagner-cyclus onder leiding van Marek Janowski. recitals gaf Tobias Berndt in het Festspielhaus Baden-Baden, de Wiener Musikverein en tijdens het Lucerne Festival.
In Het Concertgebouw was de bariton eerder te gast met Concerto Köln en het RIAS Kammerchor (Bachs Matthäus-Passion) en met het Kammerorchester Basel en het Windsbacher Knabenchor (Bachs Weihnachtsoratorium).










