Bruckners Zevende door het Noord Nederlands Orkest, Chamayou speelt Liszt

Noord Nederlands Orkest
Eivind Gullberg Jensen dirigent
Bertrand Chamayou ­piano

Dit concert maakt deel uit van de serie Klassieke Meesterwerken.

Lees ook: Hoe ziet de werkdag van Bertrand Chamayou eruit?

Franz Liszt (1811-1886)

Pianoconcert nr. 2 in A gr.t. (1839-61)
Adagio sostenuto assai – Allegro agitato assai
Allegro moderato
Allegro deciso – Marziale un poco meno allegro – Un poco animato – In poco meno mosso
Allegro animato – Stretto: molto accelerando

pauze ± 20.40 uur

Anton Bruckner (1824-1896)

Symfonie nr. 7 in E gr.t. (1881-83)
Allegro moderato
Adagio: Sehr feierlich und sehr langsam – Moderato – Tempo primo
Scherzo: Sehr schnell – Trio: Etwas langsamer
Finale: Bewegt, doch nicht schnell

einde ± 22.15 uur

Toelichting

Franz Liszt 1811-1886

Tweede pianoconcert

Door Christo Lelie

Het Tweede pianoconcert van Franz Liszt kent een lange ontstaansgeschiedenis. De 28-jarige componist begon er in 1839 aan te werken, maar pas in 1849 kwam de eerste versie gereed. Er volgden nieuwe versies in 1853 en 1857 en in 1861 kreeg het concert, na 24 jaar, zijn definitieve vorm. Dat hij zo lang aan een stuk werkte en het bleef herschrijven, was Liszt eigen. Zijn Tweede pianoconcert had echter extra zorg nodig, want Liszt wilde met dit werk een nieuwe gestalte geven aan de oude concertvorm.

Sinds de late achttiende eeuw heeft het pianoconcert een structuur van drie zelfstandige, van elkaar gescheiden delen (snel-langzaam-snel), elk met eigen ’s. Die vorm werd door romantische componisten als Frédéric Chopin, Edvard Grieg en Robert Schumann overgenomen, maar niet door Liszt in dit Tweede pianoconcert. De bondige compositie van circa 20 minuten heeft geen afzonderlijke delen, maar is één doorgecomponeerd werk, opgebouwd uit een reeks in elkaar overlopende, contrasterende secties. De verbindende factor daarin is één enkel thema, dat in de eerste maten door de blazers en de piano wordt gepresenteerd en dat door het gehele concert steeds in andere gedaanten terugkeert. Op de smachtende, overpeinzende en sterk e openingssectie volgt bijvoorbeeld een markant, grimmig deel, dat naar een bijna filmische climax leidt. Later keert het thema terug, zowel in een ­lieflijke cantilene als in een tri­omfantelijke . Nadat Liszts leerling Hans von Bronsart het concert op 7 januari 1857 onder leiding van de componist in Weimar in première had gebracht, kenschetste een muziekcriticus het als ‘leven en werk van een enkele ’.

Het gebruiken van een enkel thema als basis voor een gehele compositie was geen vondst van Liszt: Ludwig van Beethoven bijvoorbeeld liet in zijn Negende symfonie het beginthema in de finale getransformeerd terugkomen. De geraffineerde manier waarop Liszt het thema van zijn Tweede pianoconcert voortdurend metamorfoses laat ondergaan was echter zonder meer grensverleggend. Deze zogeheten ‘cyclische vorm’ werd door vele latere componisten, zoals César Franck, nagevolgd.

Een verschil met traditionele pianoconcerten is ook dat Liszt, de grootste pianovirtuoos van zijn tijd, in dit concert relatief weinig nadruk legde op technisch vertoon, zoals hij dat in zijn Eerste pianoconcert wél deed. Opvallend en atypisch voor de concertvorm is dat de solist na de introductie van het thema in de openingssectie dat thema verder volledig moet overlaten aan het orkest. Veelvuldig fungeert de piano als een orkestinstrument en soms is de pianist zelfs begeleider van solistisch spelende blazers en strijkers. Bijvoorbeeld in het zangerige ‘middendeel’ wordt een solistische -cantilene door simpele, gebroken pianoakkoorden begeleid: pure kamermuziek.

Door de overwegend participerende en dienende taak van de solist lijkt er bijna eerder sprake te zijn van een symfonisch gedicht dan van een soloconcert. Liszt zag dit ook zo: een vroegere versie noemde hij Concerto symphonique, een titel geleend van zijn tijdgenoot Henry Litolff, de ‘uitvinder’ van de symfonie met piano. Maar Liszt zou Liszt niet zijn als hij de solist niet tevens gelegenheid gaf om te schitteren in briljante passages, denderende octaven en glissandi, met name in de finale.

  • Franz Liszt wordt door het publiek geadoreerd tijdens een solorecital

Anton Bruckner 1824-1896

Zevende symfonie

Door Aad van der Ven

Anton Bruckner wist niet wat hem overkwam. Ovaties klonken na de eerste uitvoeringen van zijn Zevende symfonie in zowel Leipzig (1884) als München (1885). Zelfs zijn grootste vijand, de criticus Eduard Hanslick, was enthousiast. Dit overkwam dus een componist, die zich voortdurend had afgevraagd of hij wel in staat was het talent waarmee Onze Lieve Heer hem had verwend – daarvan was hij in elk geval overtuigd – voldoende te benutten. De Zevende is een symfonie die meteen voor zich inneemt.

Het hoofdthema aan het begin, dat Bruckner aan de ’s heeft toevertrouwd, spreekt duidelijke taal. Welke andere componist was in staat een te schrijven die uit maar liefst 21 maten bestaat, een melodie ook die zowel vastberaden als verheven klinkt en die door de wijde len, voornamelijk in opwaartse richting, een en al ruimtelijkheid suggereert. Het is een dat zich naarmate dit moderato vordert op diverse manieren zal vertakken. Bruckners muziek klinkt niet alleen, zij groeit ook tijdens het klinken.

De Zevende symfonie is een werk waarin wellicht meer dan in Bruckners andere instrumentale partituren religieuze overtuiging doorklinkt. Zo ontleende hij een aan een fragment uit zijn ongeveer in dezelfde periode geschreven Te Deum, namelijk waar aan het slot ‘Non confundar in aeternam’ wordt gezongen. Ook melodieën die zoveel muziek van zijn hand een gewijd karakter geven ontbreken niet.

Bruckners vrome gemoedstoestand tijdens het ontstaan van zijn Zevende, waaraan hij in de periode 1881-1883 werkte (en waarvan in 1885 een revisie volgde), hing ook samen met de arbeid aan zijn drie grote missen die hij na twintig jaar weer onder handen had genomen. Bovendien was hij diep onder de indruk van WagnerParsifal, het verheven ‘Bühnenweihfestspiel’ dat hij tijdens een bezoek aan Bayreuth had leren kennen.

Al had hij als componist geen affiniteit met de combinatie muziek/theater, Wagner was zijn grote held. Toen hij in februari 1883 van diens overlijden hoorde had Bruckner het van de Zevende op zijn werktafel liggen. Het verhaal gaat dat hij onmiddellijk besloot de van dit langzame deel als treurmuziek te concipiëren. 

Eerder al was hij er toe overgegaan in dit deel de Wagner-tuba te introduceren. Vier van deze instrumenten, die de warme klank van de combineren met de duisterheid van de trombone, dragen vanaf het begin bij aan het luisterrijke en troostrijke karakter van dit Adagio.

Waarna dankzij het de luisteraar spoedig weer met beide benen op de grond staat. Het vormt een wonderlijk contrast met het voorafgaande, dit onbekommerde deel met zijn galopperende strijkers plus het ‘hanengekraai’, zoals het wel genoemd is, van een .

Het centrale , rustiger en dunner geïnstrumenteerd, heeft een enigszins pastoraal karakter. De Finale is rijk aan zeer uiteenlopende ideeën, te beginnen met het hoofdthema in de vorm van een variant van het openingsthema van het eerste deel. Via talrijke omwegen, waarbij melodieën een belangrijke rol spelen, klimt de muziek op naar een majestueuze climax met een herhaling van het grootse beginthema als bekroning. 

Biografie

Eivind Gullberg Jensen, dirigent

Eivind Gullberg Jensen, opgeleid bij Jorma Panula in Stockholm en bij Leopold Hager in Wenen, is sinds 2022/2023 chef- van het Noord Nederlands Orkest en sinds 2020/2021 artistiek en algemeen directeur van de Nationale in Bergen (Noorwegen).

Eerder leidde hij vijf jaar de NDR Radiophilharmonie in Hannover. Als gast stond de Noor op de bok bij de Berliner Philharmoniker, de orkesten van Stockholm, Kristiansand, Odense, Göteborg en Malmö, het Philharmonia ­Orchestra, het City of Birmingham Symphony Orchestra, het Orchestre de Paris en het Orchestre Philharmonique de Monte-­Carlo.

In Noord-Amerika werkte hij met de orkesten van Québec, Utah, Minnesota, Oregon en Vancouver. Eivind Gullberg Jensen heeft met bijvoorbeeld Tosca aan de Wiener Staatsoper en het Nationaal Theater van Tokio, Rusalka in Rome, Wenen, Zürich en Oslo, Jenůfa aan de English National , Die Zauberflöte en Der fliegende Holländer in Lille en The Rake’s Progress in Helsinki en op het festival van Aix-en-Provence bovendien ruime opera-ervaring.

Afgelopen oktober leidde hij een Europese cast in Bizets Carmen op het Macao International Music Festival. In Het Concertgebouw was Eivind Gullberg Jensen samen met zijn Noord Nederlands Orkest al vier keer te gast in de serie Klassieke Meesterwerken: in september 2021 (Tsjaikovski en Sjostakovitsj), mei 2023 (Liszt en Bruckner), februari 2024 (Grieg en Bruckner) en november 2024 (Tsjaikovski en Berlioz).

Bertrand Chamayou, piano

Bertrand Chamayou, afkomstig uit Toulouse, won onder meer het Concours International Long-­Thibaud en ontving tot viermaal toe een Victoire de la Musique Classique (onder andere voor Liszts Années de pèlerinage). Hij is een gezaghebbend interpreet van Franse muziek en heeft een grote liefde voor hedendaagse muziek; hij werkte met Pierre Boulez, Henri ­Dutilleux, György Kurtág, Thomas Adès, Bryce Dessner en Michael Jarrell.

Bertrand Chamayou is een regelmatige gast van podia als de Philharmonie en het Théâtre des Champs-Elysées in Parijs, Wigmore Hall in Londen, de Elbphilharmonie in Hamburg en de Philharmonie Berlin en op festivals van Luzern en Salzburg tot New York en Tokio.

Orkesten die hem engageerden waren bijvoorbeeld de New York Philharmonic, The Cleveland Orchestra, het Leipziger Gewandhaus­orchester, het Orchestre de Paris, het London Philharmonic Orchestra, de ­Wiener Symphoniker, het Tonhalle-­Orchester Zürich, het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia en het NHK Symphony ­Orchestra Tokyo.

Hij werd gedirigeerd door ­Semyon Bychkov, Philippe Herreweghe, François-Xavier Roth, Herbert Blomstedt, Antonio Pappano en Elim Chan. Bertrand Chamayou geeft veelvuldig s met celliste Sol Gabetta en is co-artistiek leider van het nieuwe Festival Ravel in Baskenland.

Voor zijn opname van Ravels complete werk voor piano solo won hij een Echo Klassik Preis en voor Messiaens Vingt regards sur l’Enfant-Jésus in 2022 een Choc de l’Année. De pianist debuteerde in juni 2018 in de in het Tweede pianoconcert van Mendelssohn met het Nederlands Philharmonisch Orkest onder leiding van Marc Albrecht en keert nu voor het eerst terug in Het Concert­gebouw.

Noord Nederlands Orkest, orkest

De geschiedenis van het Noord Nederlands Orkest gaat terug tot 1862 en daarmee is het ­‘s lands langst actieve professionele . Het gezelschap telt zo’n 70 orkestleden van 14 nationaliteiten, en de afgelopen jaren zijn er veel jonge getalenteerde musici aangetrokken. Het orkest brengt symfonische muziek in de drie noordelijke provincies – met ruim honderd concerten per seizoen in concert­zalen, op buitenlocaties en op scholen.

Thuisbasis is De Ooster­poort in Groningen, de musici reizen geregeld af naar bijvoorbeeld TivoliVredenburg in Utrecht en Het Concertgebouw, en het seizoen 2025/2026 werd geopend op Lowlands. De programmering reikt van puur klassiek tot verrassende mixprogramma’s, en er is een nauwe samenwerking met andere kunst­instellingen en met de conservatoria van Groningen, Amsterdam en Den Haag. Chef- is Eivind Gullberg Jensen en vaste gastdirigenten zijn Hartmut Haenchen en Kerem Hasan; Antony Hermus is honorair dirigent en Michel Tabachnik dirigent emeritus.

Het Noord Nederlands Orkest werkte verder met dirigenten als Wayne Marshall, Susanna Mälkki en Han-Na Chang en solisten als Nemanja Radulović, Simone Lamsma, Guy Braunstein, Bertrand Chamayou, Alice Sara Ott, Martin Grubinger, Jeanine De Bique, Nelson Goerner en Leif Ove Andsnes. Het vorige optreden van het orkest in Het Concertgebouw was het project Blue Potential met producer/dj Jeff Mills tijdens de VriendenLoterij Zomer­Concerten 2025.