Brahms' Vierde en Price's Vioolconcert: Yannick Nézet-Séguin en Randall Goosby

Randall Goosby viool
Rotterdams Philharmonisch Orkest
Yannick Nézet-Séguin dirigent

Dit concert maakt deel uit van de serie Nieuwe Wereldsterren.

Antonín Dvořák (1841-1904)

Carnaval, op. 92 (1891)
ouverture voor orkest

Florence Price (1887-1953)

Vioolconcert nr. 2 (1952)
[in één deel]

Adoration (1951)
voor viool en orkest

pauze ± 20.55 uur

Johannes Brahms (1833-1897)

Symfonie nr. 4 in e kl.t., op. 98 (1884-85)
Allegro non troppo
Andante moderato
Allegro giocoso – Poco meno presto
Allegro energico e passionato – Più allegro

einde ± 22.05 uur

Toelichting

Antonín Dvořák (1841-1904)

Carnaval

Door Bart de Graaf

Antonín Dvořák was een echte laatbloeier: pas op 36-jarige leeftijd durfde hij het aan om enkele stukken naar zijn grote voorbeeld Johannes Brahms te sturen. Daarop bracht Brahms hem in contact met uitgever Fritz Simrock en ontwikkelde zich een hechte vriendschap tussen de twee componisten. Toen Dvořák drie concert­ouvertures had geschreven, aanvankelijk onder de titel Natuur, leven en liefde, schreef Brahms aan Simrock: ‘Het zijn vrolijke stukken, men zal je dankbaar zijn als je dit uitgeeft.’ Later scheidde Dvořák de drie werken van elkaar en veranderde hij de titel van het tweede stuk in Een Tsjechisch carnaval, om het later, meer algemeen, Carnaval te noemen. Hoewel de drie werken onafhankelijk van elkaar verder leefden, bleven ze tisch met elkaar verbonden. In de rustige middensectie van Carnaval speelt de klarinet een thema, dat door de wordt overgenomen. Dat thema klinkt in alle drie de ouvertures. 

Dvořák zelf dirigeerde de première van Carnaval in 1892 in Praag. Zes maanden later leidde hij een uitvoering van het stuk in Carnegie Hall, New York. In de tussentijd was de componist met zijn gezin naar de Verenigde Staten verhuisd op uitnodiging van Jeannette Thurber, die in New York het National Conservatory of Music of America had opgericht. De opdracht die zij aan Dvořák als nieuwe directeur gaf was de Amerikaanse klassieke muziek te ontwikkelen naar Europese maatstaven, met behoud van het Amerikaanse culturele erfgoed.

Florence Price (1887-1953)

Adoration en Tweede vioolconcert

Door Bart de Graaf

Een van de vele Amerikaanse componisten die Dvořák wist te inspireren was Florence Price, die als vrouwelijke Afro-Amerikaanse componist pionierswerk verrichtte. Hoewel Jeannette Thurber zich hard maakte voor de rechten van mensen van kleur en vrouwen, stuitte Price op veel weerstand. Zo heeft Serge Koussevitzky, leider van het Boston Symphony Orchestra, het nooit aangedurfd een werk van haar uit te voeren. ‘Ik heb twee handicaps: mijn geslacht en mijn ras,’ verzuchtte Price.

Na een lynchpartij in haar woonplaats Little Rock vluchtte Price naar Chicago, waar haar Eerste symfonie wél op de lessenaars belandde. Daarmee werd ­Price de eerste Afro-­Amerikaanse vrouw van wie een symfonisch werk werd uitgevoerd. Het concert, genaamd ‘Negro in Music’, ademde weliswaar racisme, maar het stuk werd in ieder geval gespeeld. Hoewel het voor Price nooit tot een internationale doorbraak kwam, heeft de uitvoering wel de basis gelegd voor de waardering van haar muziek. Die kreeg een impuls in 2009, ruim vijftig jaar nadat Price overleed. Haar oude vakantiehuis werd gerenoveerd en hierbij stuitten bouwvakkers op een grote hoeveelheid nog onbekende bladmuziek. Onder meer een symfonie, haar twee vioolconcerten en Adoration werden hierbij ontdekt. 

Adoration schreef Price aanvankelijk voor het , hetgeen is terug te voeren op haar betrekking als kerk­organiste. Later heeft ze verschillende arrangementen gemaakt, zoals de versie voor viool en orkest, die in dit concert op het programma staat. Adoration is, zoals veel werken van Price, een semi­seculier werk: niet uitgesproken ­religieus, maar wel vol toewijding en met een schijnbaar eenvoudige, spiri­tuele schoonheid.

Het Tweede vioolconcert is een een­delig werk, maar de verschillende secties geven het gevoel van een meerdelig concert. Het stuk begint met een korte orkestrale introductie, waarna de soloviool met een zoete inzet. Deze melodie en de e ën doen denken aan de viool­concerten van Barber en Korngold. In het midden klinkt een achtige passage met actieve s in de . Vlak voor het einde valt het concert vrijwel stil en speelt de klarinet een desolate solo. De viool neemt de melodie over en na een krachtige onderbreking door het hele orkest is het concert vrij plotseling afgelopen. De verstilde dialoog tussen klarinet en viool doet denken aan het concert (1895) van Dvořák, waarin cello en viool vlak voor het einde een intiem duet spelen. De warmte in het stuk als geheel wijst eveneens terug naar de muziek van Dvořák.

Johannes Brahms (1833-1897)

Vierde symfonie

Door Bart de Graaf

Dvořák wijst op zijn beurt terug naar de muziek van zijn mentor Brahms, die zich weer liet inspireren én intimideren door de muzikale nalatenschap van Beethoven. Door Schumann uitgeroepen tot ‘de nieuwe Beethoven’ heeft Brahms altijd de druk gevoeld om in de voetsporen van zijn illustere voorganger te treden. Onzeker door onder meer Beethovens strijkkwartetten, deed Brahms waarschijnlijk enkele tientallen kwartetten in de open haard belanden. Stukken voor bezettingen die Beethoven niet gebruikte, zoals het trio, durfde hij wel te publiceren. Het waren echter Beethovens negen symfonieën die Brahms de meeste stress bezorgden. Pas op 43-jarige leeftijd publiceerde hij zijn Eerste symfonie. Daarna ging het vlotter en negen jaar later waren ook de overige drie voltooid. Toch heeft Brahms de druk nooit helemaal achter zich kunnen laten en hield hij het bij vier symfonieën en drie strijkkwartetten. 

Hoewel zijn symfonieën direct succesvol waren, gaven ze Brahms ook de reputatie van een conservatief componist. Zo was Wagner van mening dat de symfonie door Beethoven was uitgeput en zocht hij, net als Liszt en Richard Strauss, naar nieuwe vormen. Brahms vernieuwde de symfonie echter van binnenuit, maar het duurde geruime tijd voordat zijn progressieve kant werd erkend. Dat gebeurde pas toen Arnold Schönberg in zijn beroemde artikel Brahms the Progressive (1947) beschreef hoe Brahms oude compositie­technieken als en imitatie liet samenkomen met een wagneriaanse harmonische rijkdom. 

Vooral in het vierde deel wordt duidelijk hoe Brahms zo’n oude techniek een plek geeft in een grote, romantische symfonie. Het deel is een passacaglia, een ke vorm die inhoudt dat er variaties klinken op een steeds herhaalde baslijn. Deze heeft Brahms mogelijk overgenomen uit de Nach dir, Herr, verlanget mich, BWV 150 (ca. 1707) van Johann Sebastian Bach. Nadat deze in fluit, hobo en trombone heeft geklonken, volgen tweeëndertig variaties en een , waarin Bachs baslijn in verschillende instrumenten terugkeert. De spannende harmonisering van deze lijn zorgt ervoor dat Brahms in dit deel nieuw en oud laat samenkomen.  

Biografie

Rotterdams Philharmonisch Orkest, orkest

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest werd opgericht in 1918. Onder Eduard Flipse ontwikkelde het zich vanaf 1930 tot een van de meest prominente Nederlandse orkesten, en met Jean Fournet, Edo de Waart en James Conlon bouwde het in de jaren 1970 en 1980 verder aan zijn internationale reputatie.

De benoeming van Valery Gergiev in 1995 luidde een nieuwe bloeiperiode in, die sinds 2008 werd voortgezet met Yannick Nézet-­Séguin.

Hij bleef als eredirigent aan het orkest verbonden toen Lahav Shani per seizoen 2018/2019 chef- werd. Vaste gastdirigent is Tarmo Peltokoski. Naast de concerten in de thuiszaal, Concert­gebouw De Doelen, speelt het Rotterdamse gezelschap op vele andere podia in binnen- en buitenland.

Zo heeft het sinds 2010 een residency in het ­Parijse Théâtre des Champs-Élysées. Met zijn concerten, educatieve voorstellingen en sociale projecten trekt het Rotterdams Philharmonisch Orkest ieder seizoen 150.000 à 200.000 bezoekers. Het orkest koestert een uitgebreide discografie en voor de heruitgave van historische opnamen initieerde het zijn eigen label Rotterdam Philharmonic ­Vintage Recordings.

De vorige optredens in de serie Klassieke Meesterweken waren op 6 mei 2024 met Yannick Nézet-Séguin en violist Randall Goosby respectievelijk op 5 april 2025 met Lahav Shani en violiste Clara-­Jumi Kang.

Yannick Nézet-Séguin, dirigent

Sinds 2000 leidt Yannick Nézet-­Séguin het Orchestre Métropolitain de Montréal. Sinds 2012/2013 is hij ook muzikaal-artistiek leider van The Philadelphia Orchestra. Hij was chef- van het Rotterdams Philharmonisch Orkest van 2008 tot 2018.

Yannick Nézet-­Séguin onderhoudt nauwe banden met de Berliner en de Wiener Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en het London ­Philharmonic Orchestra (waarvan hij eerste gastdirigent was van 2008 tot 2014). Bovendien is hij erelid van het Chamber Orchestra of Europe, waarmee hij de complete symfonieën van Beethoven opnam en live-registraties maakte van Mozart’s. Voor opera werd hij ook geëngageerd door bijvoorbeeld de Scala in Milaan, de Royal Opera Covent Garden in Londen, de Salzburger Festspiele, de Wiener Staatsoper en De Nationale Opera. Per 2018/2019 is hij music director van de Metropolitan Opera in New York.

Voor de opname van Champion van Terence Blanchard wonnen de Metropolitan Opera en Yannick Nézet-­Séguin afgelopen februari een Grammy. Als pianist nam de musicus ­albums op met Joyce DiDonato (Schuberts Winterreise) en Renée Fleming (Grammy 2023) en maakte hij recent zijn eerste solo-cd Introspection. Yannick Nézet-Séguin studeerde in zijn geboorteplaats Montréal piano, directie, compositie en kamermuziek en in Princeton koordirectie. Later volgde hij privé­lessen bij onder anderen Carlo Maria Giulini.

In Het Concertgebouw maakte hij zijn debuut in mei 2008 met het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

Randall Goosby, viool

Randall Goosby soleerde al op zijn dertiende bij de New York Philharmonic, en studeerde na lessen bij Philippe Quint aan de ­Juilliard School bij Itzhak Perlman en Catherine Cho. In 2018 won hij de Young Concert Artists Internatio­nal Auditions en in 2022 de Avery Fisher Career Grant.

Dit seizoen ­debuteert hij bij de orkesten van Boston, Washington, Pittsburgh, ­Seattle en St. Louis, en in Europa bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het Deens Nationaal Radio Symfonie­orkest en de orkesten van Oslo en Lahti. Bij het Londense Southbank Centre is de violist artist in ­residence. s geeft hij in Cincinnati, Georgia, Hamburg en Milaan. Eerder soleerde hij bij de orkesten van San Francisco, Los Angeles en Dallas en debuteerde hij in Zuid-Korea en Japan.

In 2023 nam hij met The Philadelphia Orchestra onder leiding van Yannick Nézet-­Séguin vioolconcerten op van Max Bruch en Florence Price. Op zijn debuut-album Roots, vol muziek van Afro-Amerikaanse componisten, breekt hij een lans voor zijn eigen muzikale wortels. In zijn rol als ambassadeur voor Music Masters in Londen inspireert en begeleidt hij sinds 2020 jong talent.

Zijn Concertgebouwdebuut was op 17 augustus 2022 met het Vioolconcert in G groot van Chevalier de Saint-Georges met het Antwerp Symphony Orchestra onder leiding van Elim Chan. De violist bespeelt de ‘ex-Strauss’-­Stradivarius (Cremona, 1708).