Brahms’ Ein deutsches Requiem door Cappella Amsterdam
Orkest van de Achttiende Eeuw
Cappella Amsterdam
Daniel Reuss dirigent
Carolyn Sampson sopraan
André Morsch bariton
Johannes Brahms 1833-1897
Ein deutsches Requiem, op. 45 (1865-68)
voor sopraan, bariton, koor en orkest
Selig sind, die da Leid tragen
Denn alles Fleisch, es ist wie Gras
Herr, lehre doch mich
Wie lieblich sind deine Wohnungen, Herr Zebaoth
Ihr habt nun Traurigkeit
Denn wir haben hie keine bleibende Statt
Selig sind die Toten, die in dem Herren sterben
er is geen pauze
einde ca. 21.30 uur
teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal
Toelichting
Johannes Brahms 1833-1897
Brahms: Ein deutsches Requiem
Door Lonneke Tausch
Brahms' Ein deutsches Requiem ontstond tussen 1856 en 1869 en volgde uit verschillende aangrijpende gebeurtenissen in die periode, zoals het overlijden van Robert Schumann. Zowel de Duitse tekst, opgebouwd uit verschillende Bijbelpassages, als Brahms eigen uitleg bij het Requiem maken duidelijk dat het hem niet ging om het leven na de dood, maar om het lijden van de mens op aarde.
Componeren in etappes
‘Het is werkelijk een geweldig kunstwerk, dat je hele wezen in vervoering brengt’, schreef Clara Schumann aan Johannes Brahms, toen ze rond Kerstmis 1867 een afschrift had gekregen van een pianobewerking van delen van Ein deutsches Requiem. Het uiteindelijk zevendelige stuk was toen nog niet af; het compositieproces ervan besloeg vele jaren.
De eerste schetsen dateren waarschijnlijk al uit 1856, toen Brahms’ goede vriend Robert Schumann – Clara’s echtgenoot – was overleden in een psychiatrische inrichting, waar hij twee jaar eerder was opgenomen nadat hij had geprobeerd zichzelf te verdrinken in de Rijn.
Pas vijf jaar later begon Brahms aan het openingsdeel, ‘Selig sind, die da Leid tragen’. Uit 1861 stamt ook het tweede deel, ‘Denn alles Fleisch, es ist wie Gras’, op basis van muziek die Brahms in eerste instantie (in 1854) als deel van een voor twee piano’s had bedoeld.
De première van het complete werk zou pas plaatsvinden op 18 februari 1869, in het Gewandhaus in Leipzig onder leiding van Carl Reinecke. Brahms had zelf op Goede Vrijdag 1868 al een uitvoering in de Dom van Bremen gedirigeerd (voor een gehoor van zo’n 2500 mensen en zó succesvol dat een tweede uitvoering spoedig volgde), maar toen telde Ein deutsches Requiem nog maar zes delen en was er nog alleen voor een bariton een solopartij.
In 1868 componeerde Brahms pas ‘Ihr habt nun Traurigkeit’, het tegenwoordige vijfde deel, ter nagedachtenis aan zijn moeder. Zij was in 1865 overleden en het stuk kreeg als opschrift ‘in Gedanken an die Mutter’. Over deze sopraansolo, die meerdere malen wordt onderbroken door een teder op de tekst ‘Ich will euch trösten wie einen seine Mutter tröstet’, zei de befaamde sopraan Elisabeth Schwarzkopf ooit: ‘De ligging is zo hoog, de emotie is zo diep.’
Bijbel als poëtisch document
Brahms’ tekstkeuze in zijn requiem was in twee opzichten opvallend: hij brak met de traditionele Latijnse requiemtekst en hij nam een nieuw gezichtspunt in door niet de overledene, maar juist de nabestaanden centraal te stellen. De rooms-katholieke dodenmis is vernoemd naar zijn openingswoorden ‘requiem aeternam’ (‘eeuwige rust’) – de gestorvene krijgt deze rust toegewenst als hij uitgeleide wordt gedaan uit het aardse bestaan.
In de protestantse eredienst had Martin Luther echter de Duitse taal ingevoerd, onder meer met zijn vertalingen van het Oude (1534) en het Nieuwe Testament (1522). Brahms componeerde nu geen mis op een Duitse vertaling van de Latijnse liturgie, maar hij koos een zevental verspreide tekstpassages uit Luthers bijbelvertaling.
Hoewel de componist christelijk was opgevoed, zag hij de bijbel eerder als inspirerende poëtische literatuur dan als religieus document. Hij selecteerde teksten op universele ’s als het verdriet om de dood, het contrast tussen vergankelijkheid en eeuwigheid en het belang van treurnis en troost.
Zo is zijn requiem niet langer een gebed voor het zielenheil van de overledene, maar geeft hij vooral aandacht aan de persoonlijke emoties van de achterblijvers. Het woord ‘deutsches’ verklaarde Brahms overigens eens graag te willen verruilen voor ‘menschliches’; dat zegt genoeg over de humanistische inslag die de componist zijn requiem wilde meegeven.
Groot orkest of twee piano's
De orkestbezetting van Ein deutsches Requiem is flink: naast het strijkerscorps noemt de twee fluiten en een , twee hobo’s, twee klarinetten, twee ten en een contrafagot, vier s, twee ten, drie trombones, een tuba, , twee harpen en een (facultatief).
In januari 1869 voltooide Brahms echter ook, op verzoek van zijn uitgever, een versie waarin het orkest is vervangen door piano à quatre mains. Brahms schreef over zijn pianoversie aan zijn uitgever (31 januari 1869): ‘Ik heb mij aan de edele bezigheid gewijd mijn onsterfelijke werk nu ook voor vierhandige zielen tot een genot te maken. Nu kan het niet ten onder gaan.’
De pianoversie beleefde zijn première in Londen, op 10 juli 1871, en heet daarom sindsdien de ‘Londense versie’ – overigens schijnt bij die première ook een Engelse tekst te zijn gebruikt. Een dergelijke reductie tot kamermuzikale proporties was overigens niet ongebruikelijk; kleiner bezette uitvoeringen van grote werken waren populair in de burgerlijke salons van de negentiende eeuw.
De opbouw van Ein deutsches Requiem
Ein deutsches Requiem is symmetrisch opgebouwd m deel IV, ‘Wie lieblich sind deine Wohnungen’, een idyllische schets van het Koninkrijk Gods in een vredige en achtige toonzetting.
De hoekdelen I en VII verwijzen naar elkaar, zowel in tekst als in muziek: de laatste vijftien maten van beide delen zijn bijna identiek. Deel II – dat begint als een treurmars – en deel VI – -achtige muziek met strijdlustige elementen – waarin dood en hel worden uitgedaagd, verbeelden de tweespalt tussen verdriet en vreugde, de delen III en V – beide over de korte tijd die de mens op aarde is vergund – die tussen trouw en hoop.
De delen III en VI, beide met een belangrijke solopartij voor de bariton, hebben met elkaar gemeen dat ze vanuit het perspectief van de individuele mens zijn gedacht. De delen II en VI zijn de meest dramatische delen van het werk, beide eindigend in een waarin Brahms te herkennen is als Bach-bewonde-raar.
Ondanks deze symmetrie vertelt Ein deutsches Requiem zijn verhaal in één richting: de eerste delen behandelen de vergankelijkheid, maar de laatste twee delen bieden een troostvol uitzicht op een eeuwig leven.
Biografie
Orkest van de Achttiende Eeuw, orkest
Het Orkest van de Achttiende Eeuw verwierf wereldfaam door symfonisch werk uit te voeren op originele instrumenten (of kopieën daarvan) en op een historisch geïnformeerde manier. Het ontstond in 1981 naar een idee van blokfluitist Frans Brüggen, die tot aan zijn dood in 2014 en artistiek leider bleef. Sindsdien werkt het gezelschap met gasten.
De orkestleden spelen internationaal in toonaangevende (kamer)muziekensembles en komen een aantal keer per jaar voor een project bij elkaar. De uitgebreide discografie van het Orkest van de Achttiende Eeuw omvat werken van Purcell, J.S. en C.Ph.E. Bach, Rameau, Haydn, Mozart, Beethoven, Schubert, Mendelssohn, Chopin en Weber. Met Daniel Reuss en Cappella Amsterdam nam het orkest Beethovens Missa solemnis en Brahms’ Ein deutsches Requiem op.
Na een concertante Così fan tutte van Mozart onder leiding van Ed Spanjaard in 2013 volgden in de onder leiding van Kenneth Montgomery Le nozze di Figaro, La clemenza di Tito, Don Giovanni en een bewerking van Die Zauberflöte/ Der Schauspieldirektor. In mei 2023 verzorgde het orkest in Het Concertgebouw een driedaags Beethoven Festival, in oktober 2023 bracht het opnieuw, nu onder leiding van Manoj Kamps, een productie van Così fan tutte, en in oktober 2024 kwam het met een Mozart-programma met onder meer het Requiem samen met Cappella Amsterdam.
Cappella Amsterdam, koor
Cappella Amsterdam, opgericht in 1970 door Jan Boeke, staat sinds 1990 onder de artistieke leiding van Daniel Reuss. Al ruim vijftig jaar lang houdt het kamerkoor de rijke koorcanon levend. De repertoirekeuze reikt van middeleeuwse tot de meest complexe hedendaagse koormuziek.
Het koor schenkt speciale aandacht aan het werk van Nederlandse componisten, variërend van Jan Pieterszoon Sweelinck tot Louis Andriessen, Ton de Leeuw, Robert Heppener en Jan van Vlijmen. De veelzijdigheid van Cappella Amsterdam komt ook tot uitdrukking in samenwerkingen met bijvoorbeeld het Holland Festival, Asko|Schönberg, MusikFabrik, de Akademie für Alte Musik Berlin, het Amsterdams Andalusisch Orkest en het Koninklijk Concertgebouworkest.
Vaste partner is Nieuw Vocaal Amsterdam, dat jonge zangers van vier tot eenentwintig jaar een klassieke opleiding biedt. De cd’s van Cappella Amsterdam werden meermaals onderscheiden: zo kreeg Golgotha van Frank Martin – samen met het Ests Philharmonisch Kamerkoor – een Grammy-nominatie, een Janáček-album een Edison Klassiek en een Diapason d’Or, een Brahms-album een Preis der deutschen Schallplattenkritik en Arvo Pärts Kanon Pokajanen een Edison Klassiek.
Het vorige optreden van Cappella Amsterdam in de Eigen Programmering was in 2023 een kerstconcert met het Nederlands Kamerorkest.
Daniel Reuss, dirigent
Daniel Reuss was aan het Conservatorium van Rotterdam leerling van Barend Schuurman en richtte op zijn 21ste het Oude Muziek Koor Arnhem op. Als ‘overtuigd niet-specialist’ dirigeert hij repertoire dat vele stijlen bestrijkt, van rond het jaar 1200 tot de meest actuele muziek.
Sinds 1990 is hij artistiek leider en chef- van Cappella Amsterdam, waarin hij al jarenlang zong toen hij die positie verwierf.
Als gastdirigent musiceert Daniel Reuss met gezelschappen in heel Europa, waaronder de Akademie für Alte Musik Berlin, MusikFabrik, Vocal Consort Berlin, Collegium Vocale Gent en het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Hij is chef- geweest van onder andere het RIAS Kammerchor in Berlijn, het Ests Philharmonisch Kamerkoor en het Ensemble Vocal Lausanne, waaraan hij nog verbonden is als vaste gastdirigent.
In 2016 werd Daniel Reuss voor zijn uitzonderlijke verdiensten benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam samen leidde de dirigent in Het Concertgebouw bijvoorbeeld ook in mei 2018 in Brahms’ Ein deutsches Requiem (een tournee die werd bekroond met de VSCD Klassieke Muziekprijs), in april 2019 in Bachs Johannes-Passion en in mei 2023 in Beethovens Negende symfonie.
Carolyn Sampson, sopraan
Carolyn Sampson soleerde bij het Freiburger Barockorchester, The English Concert, The Sixteen, het Hallé Orchestra, Britten , het Gewandhausorchester Leipzig, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Mozarteumorchester Salzburg en de orkesten van San Francisco, Boston, Cincinnati, Philadelphia en Detroit.
Het Concertgebouworkest vroeg haar sinds 2002 meermaals voor Bachs Passionen, het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam voor de Johannes-Passion, Mozarts Requiem, Beethovens Missa solemnis en Brahms’ Ein deutsches Requiem en het Bach Collegium Japan voor Mozarts Mis in c klein.
De Britse sopraan werd ook geëngageerd door de bekende huizen en door het Glyndebourne Opera Festival, de BBC Proms, de Salzburger Festspiele, het Mostly Mozart Festival in New York en het Boston Early Music Festival. s geeft ze graag tijdens de festivals van Oxford, Leeds, Saintes en Aldeburgh en op de bekende podia als Wigmore Hall in Londen, het Wiener Konzerthaus, de Alte Oper Frankfurt, deSingel in Antwerpen, Carnegie Hall in New York en de Pierre Boulez Saal in Berlijn.
Haar meest recente recital in de was in december 2022 met pianist Joseph Middleton, haar vorige optreden in de was in november 2024 met PRJCT Amsterdam en Maarten Engeltjes (Vivaldi en Pergolesi).
André Morsch, bariton
De Duitse bariton André Morsch studeerde bij Margreet Honig aan het Conservatorium van Amsterdam en is een voormalig lid van William Christie’s Le Jardin des Voix. Hij is winnaar van de Internationale Wettbewerb fur kunst Stuttgart en van de Prix Bernac van de Académie Ravel in Saint-Jean-de-Luz.
Van 2011 tot 2018 maakte de zanger deel uit van het ensemble van de Staatsoper Stuttgart. zong hij ook in de theaters van Basel, Zürich, Genève, Dijon, Nancy, Versailles en Parijs.
Bij De Nationale stond hij in Puccini’s La fanciulla del West, Schrekers Der Schatzgräber en Die Gezeichneten en Enescu’s Oedipe. Als concertzanger musiceerde André Morsch met onder meer het Radio Filharmonisch Orkest, het Nederlands Kamerkoor, Les Arts Florissants, Les Talens Lyriques, Le Poème Harmonique, het Gewandhausorchester Leipzig, het Beethovenorchester Bonn, het Balthasar Neumann Ensemble, de Akademie für Alte Musik Berlin en het Kioi Hall Chamber Orchestra.
In de gaf hij verschillende keren een , voor het laatst in oktober 2018 met Rosanne van Sandwijk en Julius Drake. In de was hij te beluisteren in Bachs Johannes-Passion (2017), Brahms’ Ein deutsches Requiem (2018) en Mozarts Don Giovanni (2019), telkens met het Orkest van de Achttiende Eeuw.




