Borodin Quartet 80 jaar: Brahms en Tsjaikovski (deel 1)

Borodin Quartet:
Nikolay Sachenko viool
Sergey Lomovsky viool
Igor Naidin altviool
Vladimir Balshin cello

Dit concert maakt deel uit van de serie Borodin Quartet 80 jaar.

Ook interessant:
- Achtergrond: hoe goed kenden Brahms en Tsjaikovski elkaar?

Pjotr Tsjaikovski (1840-1893)

Strijkkwartet in Bes gr.t. (1865)
[in één deel]

Strijkkwartet nr. 1 in D gr.t., op. 11 (1871)
Moderato e semplice – Allegro giusto
Andante: Cantabile
Scherzo: Allegro non tanto
Finale: Allegro giusto

pauze ± 21.00 uur

Johannes Brahms (1833-1897)

Strijkkwartet in c kl.t., op. 51 nr. 1 (1865-73)
Allegro
Romanza: Poco adagio
Allegretto molto moderato e comodo
Allegro

einde ± 22.00 uur

Toelichting

Pjotr Tsjaikovski (1840-1893)

Strijkkwartetten in Bes en D

Door Lonneke Tausch

Eind 1865 studeerde Pjotr Tsjai­kovski af aan het conservatorium in Sint-Petersburg. Toen hij zich daar in 1861 inschreef, werkte hij al als afgestudeerd jurist op het Ministerie van Justitie. Het ééndelige Strijkkwartet in Bes groot (zonder nummer) is een van zijn vroegste composities, al vóór zijn eindexamen uitgevoerd voor publiek. Na acht maten ­refereert Tsjaikovski aan de opening van Beethovens Strijkkwartet in Bes groot, opus 130 (1826), een eerbetoon dat hij tegen het einde nogmaals herhaalt.

Terwijl Tsjaikovski zich de vormen en conventies van de westerse muziek volledig eigen had gemaakt, drong de typische toontaal van de Russische volksmuziek overal in zijn composities door. Zo ook in het kwartet dat officieel als zijn eerste wordt gezien: het Strijkkwartet in D groot, opus 11. ­Tsjaikovski – inmiddels theorieleraar aan het conservatorium van Moskou – componeerde het speciaal voor een concert op 28 maart 1871, waar alleen werken van zijn hand klonken. Bepalend voor het openingsdeel zijn een syncopisch in de hoofdmelodie en een begeleidingsfiguur in zestienden. Het elegante cantabile wordt gekenmerkt door gedempte snaren en spel. Het is gebaseerd op een je dat Tsjaikovski een timmerman eens had horen zingen op het buitenverblijf van de familie van zijn zus Aleksandra in het huidige Oekraïne: Vanja zat op de bank en rookte een pijp. Sinds de componist deze melancholische in 1888 bewerkte voor en strijkorkest kreeg dit Andante ook een eigen leven als zelfstandig successtuk. Als derde deel voor zijn Eerste strijkkwartet koos Tsjaikovski niet voor het meer gangbare , maar voor een (in contrasterend ) met . De Finale heeft net als het eerste deel een , en met name in de doorwerking van beide kwartetdelen laat Tsjaikovski zien dat hij die bij westerlingen als Haydn, Mozart, Beethoven en Schubert ­geëvolueerde structuur goed in de vingers had.

Johannes Brahms (1833-1897)

Eerste strijkkwartet

Door Lonneke Tausch

Ruim twintig pogingen zou Johannes Brahms hebben weggegooid voordat hij in 1873, als veertigjarige, twee strijkkwartetten liet uitgeven – twee jaar na de zeven jaar jongere Tsjaikovski. Het gehele Strijkkwartet in c klein, 51 nr. 1, draagt het smachten in zich van de eerste paar maten, waarin de hunkering van een gepuncteerde stijgende steeds nog eens wordt versterkt door ’s. Hoofdbestanddeel van die melodie is de stijgende terts, een dat in alle vier delen van dit strijkkwartet onontkoombaar is en zo voor een grote interne samenhang zorgt. De ingenieuze structuren van vooral het eerste en het stormachtige laatste deel ( respectievelijk -) laten een hechte verknoping van ’s en tegenthema’s zien – voer voor analytici, maar vooral een indrukwekkende proeve van Brahmsische vernuft.

Het expressieve tweede deel is een Romanze in een driedelige vorm (ABA), waarin ’s in het B-gedeelte zorgen voor een zekere lichtheid. In de gaat het treurige tweede thema juist aan het eerste thema vooraf. In het derde deel is een Ländler te herkennen. Met volksmuziek was Brahms dan ook zeer vertrouwd: zijn vader speelde populaire liedjes in de cafés van Hamburg, en hijzelf als jonge tiener evengoed om zo zijn steentje bij te dragen aan het karige gezinsinkomen.

Biografie

Borodin Quartet, strijkkwartet

Tachtig jaar geleden, in 1945, vormden vier conservatorium­studenten het Moskou Filharmonisch Kwartet, dat tien jaar later werd omgedoopt tot het Borodin Quartet. Er waren sindsdien vanzelfsprekend wat wisselingen. Mede-oprichter Mstislav Rostropovitsj werd al in het eerste jaar opgevolgd door Valentin Berlinsky (cellist tot 2007).

Primarius Nikolay Sachenko trad als laatste toe, in september 2022.

De pijlers van het Russische kwartet­repertoire – Borodin, Tsjaikovski, Glinka, Stravinsky, Prokofjev, Schnittke – hebben altijd centraal gestaan, en een bijzondere band heeft het ensemble met het werk van Sjostakovitsj: met die componist werkte het aan al diens vijftien strijkkwartetten. Het Borodin Quartet speelde volledige Sjostakovitsj-cycli in onder meer Wenen, Zürich, Frankfurt, Madrid, Sevilla, Lissabon, Londen, Parijs en New York, en ook in Het Concertgebouw (1991).

In grotere kamermuziekbezettingen deelden de vier strijkers het podium met Sviatoslav Richter, Yuri Bashmet, Michael Collins, Alexei Volodin, Barry Douglas, Mario Brunello, Elisabeth Leonskaja, Christoph Eschenbach, Boris Berezovsky en Nikola Lugansky. Met de Sächsische Staats­kapelle Dresden voerden ze de concerten voor strijkkwartet en orkest van Martinů en Schulhoff uit. Het Borodin Quartet geeft graag masterclasses en neemt regelmatig zitting in ­internationale ­concoursjury’s.

In de maakte het zijn debuut met twee optredens in april 1969, en bij zijn vijftigjarig bestaan kreeg het kwartet in april 1995 een Concert­gebouw Penning. In een van de foyers grenzend aan de Kleine Zaal hangt een schilderij van het Borodin Quartet door Ronald Ophuis, dat werd onthuld ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan van het ensemble.