Borodin Kwartet: Sjostakovitsj cyclus (deel VI)

Borodin Kwartet 
Ruben Aharonian viool
Sergey Lomovsky viool
Igor Naidin altviool
Vladimir Balshin cello

Dit is het laatste concert van de serie Borodin Kwartet: Sjostakovitsj.

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Eerste strijkkwartet in C gr.t., op. 49 (1938)
Moderato
Moderato
Allegro molto
Allegro

Veertiende strijkkwartet in Fis gr.t., op. 142 (1973)
Allegretto
Adagio
Allegretto - Adagio

pauze ± 21.05 uur

Vijftiende strijkkwartet in es kl.t., op. 144 (1974)
Elegie: Adagio
Serenade: Adagio
Intermezzo: Adagio
Nocturne: Adagio
Treurmars: Adagio molto
Epiloog: Adagio

einde ± 22.05 uur

Toelichting

Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975

Sjostakovitsj: Drie strijkkwartetten

Door Rutger Helmers

Op dit concert staan het eerste en de laatste twee strijkkwartetten van Dmitri Sjostakovitsj naast elkaar geprogrammeerd. Het is een passende afsluiting van de cyclus die het Borodin Kwartet in Het Concertgebouw heeft gespeeld, die zowel de grote ontwikkeling van de componist als de grote consistentie in zijn oeuvre hoorbaar maakt.

Sjostakovitsj mag dan niet zijn geslaagd in het plan dat hij ooit had opgevat om een strijkkwartet in elk van de vierentwintig toonaarden te schrijven – zijn vijftien kwartetten komen over als een indrukwekkend en coherent geheel en vormen daarmee tezamen een van de grote monumenten van de twintigste-­eeuwse toonkunst.

Eerste strijkkwartet

Kort voor de première omschreef Sjostakovitsj zijn Eerste strijkkwartet als ‘opgewekt’, ‘’ en ‘lenteachtig’. Hij merkte op dat hij eraan begonnen was als een vingeroefening om zich dit moeilijke genre eigen te maken, maar vervolgens zodanig door het werk gegrepen werd dat hij het toch naar buiten wilde brengen.

Hoewel we ook in dit ‘opgewekte’ werk de kenmerkende en en harmonische wendingen horen die de muziek van Sjostakovitsj zo gelaagd en ambigu maken, is dit kwartet inderdaad opvallend licht van toon en relatief traditioneel van vorm.

Het Moderato waar het kwartet mee opent, wisselt een lyrisch eerste af met een ironisch aandoende figuur. Het tweede deel is opgebouwd als een reeks ‘achtergrondvariaties’, waarin het niet zozeer de als de begeleiding is die gevarieerd wordt – een vorm die Michail Glinka een eeuw eerder populair had gemaakt en sindsdien als typisch Russisch te boek stond.

De twee laatste delen vervullen achtereenvolgens de rol van en van een levendige, uitbundige finale in de traditie van Ludwig van Beethoven.

Veertiende strijkkwartet

De laatste twee kwartetten zijn geschreven in een heel andere fase van Sjostakovitsj’ leven. Het tijdperk van Stalin was gevolgd door de ‘dauw’ en vervolgens weer een verharding van het culturele en politieke klimaat in de Sovjet-Unie onder ­Nikita Chroesjtsjov en Leonid Brezjnev.

Maar in de jaren zeventig, waarin de componist zijn laatste werken schreef, nam de politiek geen centrale plek meer in binnen Sjostakovitsj’ leven. De componist leed vooral onder zijn slechte gezondheid, waardoor hij veel van zijn tijd in het ziekenhuis doorbracht.

Hij was in 1971 getroffen door een tweede hartinfarct, had symptomen van polio waardoor zijn ledematen hem in de steek lieten, en er werd longkanker bij hem geconstateerd, die hem uiteindelijk fataal zou worden.

Daarnaast vinden we in zijn brieven – voor zover hij er nog in slaagde om die te schrijven – voortdurend namen van geliefde vrienden en collega’s die hij in die periode verloor.

In deze sombere tijd vormde het Veertiende strijkkwartet een opvallend lichtpunt. Het staat in de Fis groot, die in het werk van Sjostakovitsj vaak met liefde wordt geassocieerd.

De componist doorbrak met dit werk een writers’ block dat hem sinds het voltooien van zijn Vijftiende ­symfonie had geplaagd, en wist tegelijk zijn reeks eerbetonen aan de leden van het Beethoven Kwartet te voltooien door dit kwartet op te dragen aan de cellist Sergej Sjirinski.

Veel van het materiaal in het eerste deel is afgeleid van het dansachtige dat in de eerste maten door de wordt ingezet en zich vervolgens op allerlei verschillende manieren ontvouwt.

In het indringende krijgt eerst de viool de hoofdrol, maar deze wordt vervolgens overgenomen door de cello, tot zij uiteindelijk samen een kort duet krijgen – een passage die Sjostakovitsj vanwege het e, bijna romantische karakter schertsend zijn ‘Italiaanse stukje’ noemde.

Het derde deel begint met herhalende noten die direct voortvloeien uit het tweede. Het is een , waarin als boodschap aan Sjirinski een citaat uit ­Sjostakovitsj’ Lady Macbeth van het district ­Mtsensk klinkt: de Serjozja, chorosji moj – Sergej, mijn schat.

De liefde was wederzijds: volgens zijn dochter reageerde de cellist, toen hij vernam dat Sjostakovitsj het kwartet aan hem had opgedragen, met de woorden: ‘Nu kan ik sterven’.

Vijftiende strijkkwartet

Het Vijftiende strijkkwartet kreeg van Sjostakovitsj geen opdracht mee, en wordt daarom vaak als een soort requiem voor hemzelf gezien. De ingewijde luisteraar zal in dit werk allerlei aspecten uit eerdere kwartetten terug kunnen horen.

Het is een reeks van zes achtereenvolgende adagio’s, die net als in het Tweede of het Elfde strijkkwartet elk zijn voorzien van een titel, en zonder onderbreking in elkaar overlopen.

Het Vijftiende strijkkwartet schetst een troosteloze maar intrigerende klankwereld – een raadsel dat zijn geheimen niet gemakkelijk blootgeeft. De opent als een , maar zet deze niet voort, en mijmert schijnbaar doelloos voor zich uit.

Het tweede deel begint met een eigenaardige aaneenschakeling van ’s op één noot en klinkt pas halverwege enigszins, en kortstondig, als een .

Het korte, woeste Intermezzo leidt de in, waarin de op wonderlijke wijze door gebroken en omcirkeld wordt.

De betekenis van de Treurmars is waarschijnlijk het minst dubbelzinnig, maar die wordt dan weer gevolgd door de Epiloog met enigmatische trillers die uiteindelijk, als de tonen van de Treurmars terugkeren, stilletjes wegsterven.

Biografie

Borodin Quartet, strijkkwartet

Tachtig jaar geleden, in 1945, vormden vier conservatorium­studenten het Moskou Filharmonisch Kwartet, dat tien jaar later werd omgedoopt tot het Borodin Quartet. Er waren sindsdien vanzelfsprekend wat wisselingen. Mede-oprichter Mstislav Rostropovitsj werd al in het eerste jaar opgevolgd door Valentin Berlinsky (cellist tot 2007).

Primarius Nikolay Sachenko trad als laatste toe, in september 2022.

De pijlers van het Russische kwartet­repertoire – Borodin, Tsjaikovski, Glinka, Stravinsky, Prokofjev, Schnittke – hebben altijd centraal gestaan, en een bijzondere band heeft het ensemble met het werk van Sjostakovitsj: met die componist werkte het aan al diens vijftien strijkkwartetten. Het Borodin Quartet speelde volledige Sjostakovitsj-cycli in onder meer Wenen, Zürich, Frankfurt, Madrid, Sevilla, Lissabon, Londen, Parijs en New York, en ook in Het Concertgebouw (1991).

In grotere kamermuziekbezettingen deelden de vier strijkers het podium met Sviatoslav Richter, Yuri Bashmet, Michael Collins, Alexei Volodin, Barry Douglas, Mario Brunello, Elisabeth Leonskaja, Christoph Eschenbach, Boris Berezovsky en Nikola Lugansky. Met de Sächsische Staats­kapelle Dresden voerden ze de concerten voor strijkkwartet en orkest van Martinů en Schulhoff uit. Het Borodin Quartet geeft graag masterclasses en neemt regelmatig zitting in ­internationale ­concoursjury’s.

In de maakte het zijn debuut met twee optredens in april 1969, en bij zijn vijftigjarig bestaan kreeg het kwartet in april 1995 een Concert­gebouw Penning. In een van de foyers grenzend aan de Kleine Zaal hangt een schilderij van het Borodin Quartet door Ronald Ophuis, dat werd onthuld ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan van het ensemble.