Borodin Kwartet: Sjostakovitsj cyclus (deel IV)
Borodin Kwartet:
Ruben Aharonian viool
Sergey Lomovsky viool
Igor Naidin altviool
Vladimir Balshin cello
Lees ook het interview met het Borodin Kwartet: 'Toelatingseis: Sjostakovitsj'
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Tiende strijkkwartet
in As gr.t., op. 118 (1964)
Andante
Allegretto furioso
Adagio
Allegretto
Elfde strijkkwartet
in f kl.t., op. 122 (1966)
Intro: Andantino
Scherzo: Allegretto
Recitatief: Adagio
Etude: Allegro
Humoresque: Allegro
Elegie: Adagio
Finale: Moderato
pauze ± 21.00 uur
Twaalfde strijkkwartet
in Des gr.t., op. 133 (1968)
Moderato
Allegretto
einde ± 21.50 uur
Toelichting
Strijkkwartetten van Sjostakovitsj
Door Rutger Helmers
Het Tiende strijkkwartet van Dmitri Sjostakovitsj is opgedragen aan de Pools-joodse componist Mieczysław Weinberg (1919-1996), een vriend die ten tijde van de Sovjet-Unie weinig erkenning genoot, maar sindsdien steeds meer wordt gezien als een van de voornaamste Sovjet-componisten, in het bijzonder van strijkkwartetten. De oudere en de jongere componist hebben elkaar wederzijds beïnvloed. Weinberg heeft ontegenzeggelijk veel geleerd van Sjostakovitsj, die de leidende figuur van de Sovjet-muziek was geworden.
Maar specialisten hebben inmiddels ook geconstateerd dat bijvoorbeeld Weinbergs Tweede strijkkwartet uit 1939 in sommige aspecten vooruitloopt op Sjostakovitsj’ Tweede strijkkwartet uit 1944, en dat Weinbergs productiviteit in dit genre voor Sjostakovitsj überhaupt een stimulans was om zich aan het strijkkwartet te wijden. Zo ontstond een vriendschappelijke competitie waarin Sjostakovitsj, toen Weinberg negen kwartetten op zijn naam had staan, zich ‘tot doel had gesteld om Weinberg in te halen en voorbij te streven’. Toen Sjostakovitsj kort na zijn Negende ook zijn Tiende had voltooid, merkte hij tevreden op dat hij daarin was in geslaagd.
In de jaren zestig moest Sjostakovitsj sowieso rekening houden met de jongere generatie. Sinds de periode van ‘dauw’ onder Nikita Chroesjtsjov was het weer mogelijk geworden om allerhande muzikale experimenten in de richting van het ‘westerse’ modernisme te ondernemen, en componisten als Arvo Pärt en Alfred Schnittke begonnen stijlen te verkennen die onder Jozef Stalin ondenkbaar waren geweest.
Sjostakovitsj was inmiddels rond de zestig en zijn gezondheid begon hem in de steek te laten: hij was slecht ter been en na de première van het Elfde strijkkwartet kreeg hij een hartaanval, waarna zijn artsen hem verboden om te roken en te drinken, wat hem slecht afging. Het was niet ondenkbaar dat hij in deze omstandigheden gaandeweg als achterhaald te boek zou komen te staan. Hij slaagde er echter in om zichzelf te vernieuwen, zonder afstand te doen van die eigenschappen die zijn muziek zo onmiskenbaar de zijne maakten.
Tiende strijkkwartet
Het Tiende strijkkwartet bevat nog veel kenmerken van de vroegere kwartetten, en heeft met de opzet van vier delen een opvallend traditionele vorm. Tegelijkertijd is een nieuwe, strenge eenvoud voelbaar, die kenmerkend is voor Sjostakovitsj’ late stijl. Het Tiende strijkkwartet is een relatief optimistisch werk: het begint met een aarzelende vioolmelodie, die, als de andere instrumenten zich daarbij voegen, even in een warme wordt ondergedompeld – een opmerkelijk lichtpuntje dat regelmatig terugkeert.
Daartegenover staan ook vervreemdende momenten, zoals een plotselinge passage ‘sul ponticello’: gestreken bij de kam waardoor een nasale, metalige klank ontstaat. Er volgen een intens (Allegretto furioso) met scherpe en, en een fraai, dat in deze context relatief ongecompliceerd overkomt. Voordat de viool en klaar zijn met het Adagio, zet de de finale in. Het is een dans in de stijl van een trepak, zoals de finale van Tsjaikovski’s Vioolconcert of de ‘Russische dans’ uit het ballet De notenkraker, maar dan zonder de karakteristieke uitbundigheid. Nadat deze dans zich uiteindelijk toch tot een dramatisch fortissimo heeft opgebouwd, keren de motieven van het eerste deel terug, met het bijbehorende beetje zonneschijn.
Elfde strijkkwartet
Het Elfde strijkkwartet is opgedragen aan Vasili Sjirinski, de tweede violist van het Beethoven Kwartet, die in augustus 1965 plotseling aan een beroerte overleed. Sjostakovitsj was bijzonder gehecht geraakt aan de leden van dit ensemble, dat de premières van al zijn kwartetten sinds het Tweede had verzorgd. Sjirinski’s dood was een grote schok, die Sjostakovitsj deed besluiten om zijn volgende kwartetten ieder aan een van de oorspronkelijke leden van het Beethoven Kwartet op te dragen.
Het Elfde strijkkwartet, zoals journaliste Wendy Lesser in haar boek over de strijkkwartetten opmerkt, doet weinig moeite om Sjirinski zelf te herdenken, maar lijkt gefixeerd op zijn dood. Het gemis is in iedere maat voelbaar: de stijl is sober, tot op het kale af, en de stemming troosteloos. Het kwartet is vormgegeven als een , een verzameling miniaturen, waarbij de componist op ironische wijze met de titels van de delen lijkt om te springen.
Zo klinken de zagende dissonanten van het in de verste verte niet als de menselijke stem, en is er weinig komisch aan de Humoresque, of het moet het wrange gegeven zijn dat de partij van de tweede violist is gereduceerd tot het eindeloos herhalen van twee noten. Het is de , uiteindelijk, waar het genre en de bedoelingen van de componist het meest in overeenstemming zijn, en dit is dan ook het langste van de zeven delen. De Finale biedt weinig verlossing, anders dan het uiteindelijke wegsterven van de laatste, lange, ijle noot van de viool.
Twaalfde strijkkwartet
Het Twaalfde strijkkwartet, opgedragen aan de eerste violist van het Beethoven Kwartet, Dmitri Tsyganov, is een ambitieus en experimenteel werk. Het staat bekend als het eerste kwartet waarin Sjostakovitsj gebruikmaakt van twaalftoonsreeksen: in het openingsmotief van de cello klinken meteen alle twaalf tonen van het . Ondanks dit nadrukkelijke gebaar waagt Sjostakovitsj zich niet aan de atonale principes gepropageerd door Arnold Schönberg en zijn volgelingen sinds de jaren twintig: het stuk staat ondubbelzinnig in Des groot.
Het meest fascinerende aspect van dit werk is de tweedelige vorm, waarbij het tweede deel met ongeveer twintig minuten bijna drie keer zo lang is als het eerste, en elementen van de anders gebruikelijke ‘delen’ omvat. Het is een meeslepende reis langs alarmerende trillers, ritmische en, plechtige recitatie, aangrijpende lyriek, een wirwar van toonladders (die ‘sul ponticello’ terugkeren), en een wonderbaarlijke solo voor de eerste viool – een veelheid aan stijlen die uitmondt in een onverwachts imposante conclusie.
Biografie
Borodin Quartet, strijkkwartet
Tachtig jaar geleden, in 1945, vormden vier conservatoriumstudenten het Moskou Filharmonisch Kwartet, dat tien jaar later werd omgedoopt tot het Borodin Quartet. Er waren sindsdien vanzelfsprekend wat wisselingen. Mede-oprichter Mstislav Rostropovitsj werd al in het eerste jaar opgevolgd door Valentin Berlinsky (cellist tot 2007).
Primarius Nikolay Sachenko trad als laatste toe, in september 2022.
De pijlers van het Russische kwartetrepertoire – Borodin, Tsjaikovski, Glinka, Stravinsky, Prokofjev, Schnittke – hebben altijd centraal gestaan, en een bijzondere band heeft het ensemble met het werk van Sjostakovitsj: met die componist werkte het aan al diens vijftien strijkkwartetten. Het Borodin Quartet speelde volledige Sjostakovitsj-cycli in onder meer Wenen, Zürich, Frankfurt, Madrid, Sevilla, Lissabon, Londen, Parijs en New York, en ook in Het Concertgebouw (1991).
In grotere kamermuziekbezettingen deelden de vier strijkers het podium met Sviatoslav Richter, Yuri Bashmet, Michael Collins, Alexei Volodin, Barry Douglas, Mario Brunello, Elisabeth Leonskaja, Christoph Eschenbach, Boris Berezovsky en Nikola Lugansky. Met de Sächsische Staatskapelle Dresden voerden ze de concerten voor strijkkwartet en orkest van Martinů en Schulhoff uit. Het Borodin Quartet geeft graag masterclasses en neemt regelmatig zitting in internationale concoursjury’s.
In de maakte het zijn debuut met twee optredens in april 1969, en bij zijn vijftigjarig bestaan kreeg het kwartet in april 1995 een Concertgebouw Penning. In een van de foyers grenzend aan de Kleine Zaal hangt een schilderij van het Borodin Quartet door Ronald Ophuis, dat werd onthuld ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan van het ensemble.
