Borodin Kwartet met roerende Tsjaikovski

Borodin Kwartet:
Ruben Aharonian viool
Sergei Lomovsky viool
Igor Naidin altviool
Vladimir Balshin cello 

pauze ca. 21.05 uur
einde ca. 22.00 uur

Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkkwartetten.

Aftertalk

Na afloop zullen leden van het Borodin Kwartet aanschuiven bij een interview in de Pleinfoyer, gratis toegankelijk voor de bezoekers van deze concerten.

Joseph Haydn 1732-1809

Strijkkwartet in b kl.t., op. 33 nr. 1 (1781)
Allegro moderato
Scherzo
Andante
Finale: Presto

Strijkkwartet in G gr.t., op. 33 nr. 5 (1781)
Vivace assai
Largo e cantabile
Scherzo – Trio
Finale: Allegretto 

Hugo Wolf 1860-1903

Italiaanse serenade in G gr.t. (1887)

pauze

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893

Eerste strijkkwartet in D gr.t., op. 11 (1871)
Moderato e semplice – Allegro giusto
Andante: cantabile
Scherzo: Allegro non tanto
Finale: Allegro giusto 

Toelichting

Joseph Haydn 1732-1809

Haydn: Strijkkwartetten opus 33

Door Lies Wiersema

‘Ik ben niet verstoken van een zekere behendigheid, aangezien mijn naam bekend en gewaardeerd wordt in elk land. Daarom neem ik de vrijheid u een kleine gunst te vragen. Voor de prijs van 6 dukaten bied ik u via inschrijving een werk aan dat bestaat uit 6 kwartetten […] geschreven op een geheel nieuwe en bijzondere wijze.’

Wervende zinnen, waarmee Joseph Haydn zich richtte tot een Zwitserse relatie in de hoop zijn nieuwe kwartetserie, 33, ook aan particulieren aan de man te brengen. Inmiddels had hij ze al aan zijn uitgever Artaria verkocht.

Vernieuwing of verkooppraatjes

Maar wat was de ‘nieuwe en bijzondere wijze’? Afgezien van het commerciële aspect waren er als nieuwigheden het vervangen van de aanduiding door het luchtiger klinkende . Muzikale grappen en verrassingen, ongebruikelijke of onverwachte wendingen, zijn ook kenmerkend voor de nieuwe serie.

Maar misschien was de belangrijkste verandering dat Haydn vanaf 33 een echte kwartetstijl ontwikkelde met zijn methode van de ‘tische ontwikkeling’, waarbij motieven, ontleend aan een beginthema, op een conversatieachtige manier bewerkt en verwerkt worden voor alle instrumenten.

Zo wist hij een eenheid te bereiken in de hele compositie, en werden alle vier kwartetleden in de conversatie betrokken. De kwartetten werden opgedragen aan Groothertog Paul van Rusland, en daarom ook wel de ‘Russische kwartetten’ genoemd.

Het eerste kwartet

Het eerste kwartet van de reeks is het enige in een toonsoort, maar het opent onverwacht in ; een dubbelzinnig, plagerig begin in een overigens tamelijk ernstig kwartet. Ook het Scherzo, hoewel een stuk sneller dan het traditionele menuet, is meer ingetogen dan vrolijk.

Het enige majeurdeel in dit kwartet is het , een enigszins statige dans. Er is een fraaie afwisseling tussen eerste viool en en het geheel heeft ondanks de contemplatieve ernst een e gratie.

In zijn finales verpakte Haydn vaak humor en muzikaal temperament. Hier is de Finale een vrolijk, ademloos met een virtuoze vioolsolo, door de eerste viool met Hongaars temperament gespeeld, als lichtvoetige afsluiting.

Het vijfde kwartet

Ook de opening van het Vijfde kwartet laat Haydns plezier zien in het spelen met verwachtingen en het stichten van verwarring. Het begint met twee maten die klinken als de afsluiting van een muzikale frase. Alsof het kwartet na de eerste maten ten einde is.

Pas dan begint het thema. De cadensmaten keren echter als een soort motto terug en beëindigen uiteindelijk het eerste deel. In het Largo is het luchtige ver te zoeken. Gedurende het hele deel speelt de eerste viool een hartstochtelijke, bijna tragisch klinkende , maar op het laatste moment verzint de componist toch nog een kwinkslag.

Groot contrast vormt hierna het Scherzo met zijn metrische onregelmatigheden en plotselinge pauzes. Als Finale kiest Haydn voor een variatiedeel: vier variaties op een vrolijk sicilianothema, met een onverwachte afsluiting in snel tempo.

Hugo Wolf 1860-1903

Wolf: Italiaanse serenade

Door Lies Wiersema

Zo goedgehumeurd als Haydn bekend stond onder zijn tijdgenoten, zo gekweld kon de met depressies kampende componist Hugo Wolf zijn. Maar in betere tijden kon hij ook zuidelijke lichtheid en warmte laten klinken. Begin mei 1887 schreef hij in krap drie dagen een blijmoedig, lichtvoetig en speels stuk, overgoten door de Italiaanse zon. De Italiaanse in G groot is een van zijn drie werken voor strijkkwartet.

Mogelijk werd hij geïnspireerd door het gedicht Der Soldat I van Joseph von Eichendorff, waarvoor hij op dat moment de muziek schreef, en door Eichendorffs novelle Aus dem Leben eines Taugenichts, over een jonge musicus die op zoek naar avontuur in een Italiaans kasteel belandt, waar een orkest een serenade speelt.

Wolfs Italiaanse serenade heeft de vorm van een . De tiek zou de serenade kunnen zijn die een minnaar op zijn gitaar tokkelt. Het werk heeft maar één deel, hoewel er schetsen zijn voor andere delen. Later bewerkte Wolf de compositie voor kamerorkest.

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski 1840-1893

Tsjaikovski: Eerste strijkkwartet

Het was zijn eerste officiële strijkkwartet, geschreven voor een benefietconcert met alleen eigen werken, georganiseerd om zijn magere financiën aan te vullen. Voor het toenmalige publiek was het zoiets als een mijlpaal in een land waarin kamermuziek lange tijd meer iets voor liefhebbers dan voor openbare concerten was.

‘Nooit voelde ik me zo gevleid als toen Leo Tolstoj luisterde naar mijn Andante terwijl de tranen over zijn wangen stroomden.’

Het strijkkwartet kende geen Russische traditie en was meer een ‘Duits’ genre. Maar het tij keerde en het strijkkwartet begon in Rusland terrein te veroveren. Pjotr Iljitsj Tsjaikovski wist een synthese tot stand te brengen tussen de westerse, klassiek-romantische kwartettraditie en Russische klanken en folklore. Het benefietconcert werd een artistiek en financieel succes.

Het Eerste strijkkwartet in D groot werd vooral populair vanwege het , gebaseerd op een oude Russische . Het qua vorm klassieke eerste deel is licht en speels en zou vanwege de syncopisch pulserende openingsakkoorden van een Russische recensent de bijnaam ‘’ hebben gekregen.

Het langzame tweede deel is bij uitstek gekleurd door Russische folklore met zijn charmante , afkomstig van een populair Oekraïens volksliedje.

Tsjaikovski hoorde het zingen toen hij op bezoek was bij zijn zus in de Oekraïne. Het begint met de woorden ‘Vanja zat op de sofa en rookte een pijp tabak.’ Ter afwisseling speelt de eerste viool een tweede expressieve boven een begeleiding. Het deel wordt in zijn geheel met gedempte instrumenten uitgevoerd. Het zou de schrijver Leo Tolstoj diep geraakt hebben.

In zijn dagboek schreef de componist: ‘Nooit in mijn leven voelde ik me zo gevleid, zo trots op mijn creatieve vermogens als toen Leo Tolstoj, zittend aan mijn zijde, luisterde naar mijn terwijl de tranen over zijn wangen stroomden.’

Het vormt hiermee een energiek contrast met zijn scherpe ritmische en, ongewone accentveranderingen en dynamische tegenstellingen. Het is een levendige boerendans, vrolijk en kleurrijk. Ook de Finale is sterk folkloristisch gekleurd: uitbundige dansmuziek met volkse motieven, herhaalde, opwindende s en accenten.

Het besluit met een wervelende . Hoewel zijn Eerste strijkkwartet met enthousiasme werd ontvangen zou Tsjaikovski slechts drie strijkkwartetten componeren, maar ze nemen wel een belangrijke plaats in zijn oeuvre in.

Biografie

Borodin Quartet, strijkkwartet

Tachtig jaar geleden, in 1945, vormden vier conservatorium­studenten het Moskou Filharmonisch Kwartet, dat tien jaar later werd omgedoopt tot het Borodin Quartet. Er waren sindsdien vanzelfsprekend wat wisselingen. Mede-oprichter Mstislav Rostropovitsj werd al in het eerste jaar opgevolgd door Valentin Berlinsky (cellist tot 2007).

Primarius Nikolay Sachenko trad als laatste toe, in september 2022.

De pijlers van het Russische kwartet­repertoire – Borodin, Tsjaikovski, Glinka, Stravinsky, Prokofjev, Schnittke – hebben altijd centraal gestaan, en een bijzondere band heeft het ensemble met het werk van Sjostakovitsj: met die componist werkte het aan al diens vijftien strijkkwartetten. Het Borodin Quartet speelde volledige Sjostakovitsj-cycli in onder meer Wenen, Zürich, Frankfurt, Madrid, Sevilla, Lissabon, Londen, Parijs en New York, en ook in Het Concertgebouw (1991).

In grotere kamermuziekbezettingen deelden de vier strijkers het podium met Sviatoslav Richter, Yuri Bashmet, Michael Collins, Alexei Volodin, Barry Douglas, Mario Brunello, Elisabeth Leonskaja, Christoph Eschenbach, Boris Berezovsky en Nikola Lugansky. Met de Sächsische Staats­kapelle Dresden voerden ze de concerten voor strijkkwartet en orkest van Martinů en Schulhoff uit. Het Borodin Quartet geeft graag masterclasses en neemt regelmatig zitting in ­internationale ­concoursjury’s.

In de maakte het zijn debuut met twee optredens in april 1969, en bij zijn vijftigjarig bestaan kreeg het kwartet in april 1995 een Concert­gebouw Penning. In een van de foyers grenzend aan de Kleine Zaal hangt een schilderij van het Borodin Quartet door Ronald Ophuis, dat werd onthuld ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan van het ensemble.