Blomstedt dirigeert Brahms 1 bij het Koninklijk Concertgebouworkest
Koninklijk Concertgebouworkest
Herbert Blomstedt dirigent
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Derde symfonie in a kl.t.,
op. 56 (1842) ‘Schotse’
Andante con moto - Allegro un poco agitato - Assai animato
Vivace non troppo
Adagio
Allegro vivacissimo - Allegro maestoso assai
pauze (± 20.55 uur)
Wilhelm Stenhammar (1871-1927)
Intermezzo (Mellanspel)
uit de cantate ‘Sången’ (1921)
eerste uitvoering door het
Koninklijk Concertgebouworkest
Johannes Brahms (1833-1897)
Eerste symfonie in c kl.t.,
op. 68 (1855-76)
Un poco sostenuto - Allegro
Andante sostenuto
Un poco allegretto e grazioso
Adagio - Più andante - Allegro non troppo ma con brio
einde (± 22.25 uur)
Toelichting
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Derde symfonie
Door Axel Meijer
In juli 1829 is de twintigjarige Felix Mendelssohn op Grand Tour door Europa. Onderdeel daarvan is een bezoek aan Edinburgh, Schotland. Aan zijn familie in Duitsland schrijft hij: ‘In de avondschemering zijn we vandaag naar het paleis gegaan waar Koningin Maria leefde en liefhad. Er is daar een kleine kamer waarheen een wenteltrap leidt. Die zijn ze opgegaan en in de kamer vonden ze Rizzio [de Italiaanse secretaris en minnaar van Queen Mary, red.]… Drie ruimtes verderop is een donkere hoek, waar ze hem hebben vermoord. De kapel die er vlakbij staat heeft nu geen dak meer, er groeien gras en klimop, en op het nu vergane altaar werd Maria tot koningin van Schotland gekroond. Alles is teloor en vermolmd en de heldere hemel schijnt er naar binnen. Ik geloof dat ik vandaag in die oude kapel het begin van mijn Schotse symfonie heb gevonden.’ Hoewel Mendelssohn met dezelfde brief alvast een uit het eerste deel meestuurt, duurt het nog dertien jaar voor hij de symfonie voltooit. Maar het geduld loont. Mendelssohns Derde is een groot en blijvend succes, zeker in Groot-Brittannië.
De symfonie bestaat uit vier delen die alle zonder onderbreking in elkaar overgaan: zo kon het publiek niet applaudisseren tussen de delen – iets waar Mendelssohn een hekel aan had. Hiermee liep de componist vooruit op het symfonische gedicht, dat zo’n dertig jaar later in zwang kwam. Het eerste deel opent met een lange en trage introductie, gevolgd door steeds snellere variaties op het hoofdthema. Een stormachtig gedeelte verwijst mogelijk naar Mendelssohns woeste boottocht naar de Schotse eilanden. In een uitvoerig storten de strijkers, chromatisch, een aantal grote golven over het orkest uit. Het tweede deel is het meest ‘Schotse’, met blazersharmonieën die aan doedelzakken doen denken en met het van de Scotch snap: het op de eerste korte noot, gevolgd door een langere zonder nadruk. Het langzame derde deel is in . Dit is de Mendelssohn die de hele negentiende-eeuwse Engelse muziek beslissend zou beïnvloeden. De volle en de ën doen al bijna denken aan Edward Elgar (1857-1934). Dichter bij de ruige Schotse eilanden dan in het vierde deel komt Mendelssohns gepolijste muzikale verbeelding nergens. Het is een tisch boordevol deel, en ongebruikelijk strijdbaar: guerriero schrijft Mendelssohn zelfs voor. De symfonie eindigt op bijzondere wijze: met een instrumentaal in , en een verwijzing naar de langzame introductie van het werk.
Wilhelm Stenhammar 1871-1923
Stenhammar: Mellanspel
Wilhelm Stenhammar (‘Sten’ voor familie en vrienden) is de zoon van een architect/amateurcomponist. Pas nadat hij de muziek van Jean Sibelius leert kennen, durft Stenhammar zijn eigen stem als componist te ontwikkelen. Zijn oeuvre blijft klein: Stenhammar is bijzonder kritisch op zijn eigen muziek.
De Sången (‘Het ’), waaruit het Mellanspel (‘tussenspel’) afkomstig is, is Stenhammars laatste grote werk. Het Mellanspel is ingetogen en toch meeslepend. In de stemmige klinkt duidelijk Stenhammars ervaring als door: hij was van 1907 tot 1922 chef-dirigent van het van Göteborg – toevallig (of niet?) de plaats die Herbert Blomstedt als zijn thuisstad beschouwt.
Johannes Brahms (1833-1897)
Eerste symfonie
Door Axel Meijer
Brahms’ Eerste symfonie grijpt de luisteraar vanaf de eerste noten bij de strot, om die voorlopig niet meer los te laten. Vanaf het naar adem snakkende begin tot aan de laatste doorluchte noot zijn we overgeleverd aan een volleerd symfonicus. Maar: ten tijde van de première, in 1876, is Johannes Brahms zelf daar nog niet zo zeker van.
Het heeft hem zo’n vijftien jaar gekost voor hij met zijn eersteling voor de dag durft te komen. Er zijn orkestrale successen aan voorafgegaan, absoluut: twee s, Ein deutsches Requiem, de Haydn-variaties, het Eerste pianoconcert. Maar om zijn naam definitief in de muziekgeschiedenis te griffen moet Brahms, vooral van zichzelf, een symfonie schrijven: eentje waarmee hij uit de voetsporen van Ludwig van Beethoven treedt – maar waarmee hij hem tegelijkertijd eert.
Brahms doet dat door zijn eerste symfonie beethoveniaanse proporties mee te geven, in de meest beethoveniaanse : bijna een uur lang muziek in c klein. Dat is de toonsoort van, onder andere, Beethovens Vijfde symfonie – het icoon van gewelddadig verlangen en uiteindelijke verlossing.
Maar waar Beethoven met zijn ritmische opening de luisteraar buiten westen slaat, snijdt Brahms ons met een ijselijk langgerekte melodische lijn de adem af. In deze introductie en het eerste zit vrijwel al het materiaal van het eerste deel besloten: de lange stijgende lijn en een van vallende septiemen en sexten houden de luisteraar in nerveuze spanning.
Het tweede en derde deel bieden een welkome gelegenheid om op adem te komen: in het sostenuto horen we Brahms de componist; door de rol van de hobo en de vioolsolo aan het eind doet het deel denken aan het langzame deel uit Brahms’ Vioolconcert.
Na een opgewekt derde deel brengt de opening van de finale ons terug naar de sfeer van het eerste deel. Strijkers proberen, , enige lucht in de drukkende sfeer te brengen. Een in de s verandert de stemming en leidt naar de belangrijkste in dit deel: het is, net als in de finale van Mendelssohns ‘Schotse’ symfonie, een .
Bij Brahms is het echter geen slotgedachte, maar de aanleiding voor veel variërend vuurwerk. Het is vooral deze melodie die de symfonie de bijnaam ‘Beethovens Tiende’ bezorgde. Brahms’ ergernis daarover is begrijpelijk: hij heeft Beethoven duidelijk beluisterd en bestudeerd, maar zijn 68 is geen poging Beethoven te imiteren. Het is honderd procent Brahms.
Biografie
Herbert Blomstedt, dirigent
Herbert Blomstedt, geboren in de Verenigde Staten, studeerde in Stockholm en Uppsala en volgde lessen orkestdirectie aan de Juilliard School of Music in New York. In Darmstadt bekwaamde hij zich in de moderne muziek en aan de Schola Cantorum Basiliensis in de oude muziek.
Ook werkte hij met Igor Markevich in Salzburg en met Leonard Bernstein in Tanglewood. In 1954 debuteerde Herbert Blomstedt bij het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Stockholm. Hij stond aan het roer van verschillende Scandinavische orkesten, de Staatskapelle Dresden, het NDR Sinfonieorchester en de San Francisco Symphony.
Van 1998 tot 2005 was hij chef- van het Gewandhausorchester Leipzig. Onder zijn vele cd-opnamen worden die van de volledige symfonieën van Sibelius en Nielsen in het bijzonder geroemd. Ook wordt hij als een van de belangrijkste interpreten van de muziek van Mendelssohn, Brahms en Bruckner beschouwd. In januari 2018 ontving hij de International Classical Music Award voor zijn cd-opnamen van alle Beethoven-symfonieën.
Herbert Blomstedt kreeg verschillende eredoctoraten en is lid van de Koninklijke Zweedse Muziekacademie. In 2003 ontving hij in Duitsland het Grosses Bundesverdienstkreuz. Zijn negentigste verjaardag in juli 2017 werd gevierd met een boek, diverse cd- en dvd-uitgaven en een internationale tournee met 90 concerten. Al sinds 1983 staat Herbert Blomstedt zeer geregeld voor het Concertgebouworkest, de laatste keer in januari 2019 met werken van Brahms en Mendelssohn.
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest


