Bijzonder kwintet rond Renaud Capuçon speelt Mozart
Renaud Capuçon viool
Guillaume Chilemme viool
Gérard Caussé altviool
Adrien La Marca altviool
Edgar Moreau cello
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Strijkkwartet in a kl.t., op. 132 (1825)
Assai sostenuto – Allegro
Allegro ma non tanto
Heiliger Dankgesang eines Genesenen an
die Gottheit, in der lydischen Tonart: Molto adagio
– Neue Kraft fühlend: Andante
Alla marcia, assai vivace
Allegro appassionato
pauze
Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791
Strijkkwintet in C gr.t., KV 515 (1787)
Allegro
Allegretto: Menuet
Andante
Allegro
begin van de pauze ca. 21.00 uur
einde van het concert ca. 22.10 uur
Toelichting
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Beethovens 'late' kwartetten
De vijf strijkkwartetten plus de Grosse Fuge die Ludwig van Beethoven in de laatste jaren voor zijn dood schreef, worden aangeduid als zijn ‘late’ kwartetten. Het zijn grootse, epische werken, waar de musici en luisteraars van die tijd eigenlijk nog niet aan toe waren. Componist Louis Spohr bijvoorbeeld noemde ze ‘onleesbare, ongecorrigeerde verschrikkingen’. Sinds die tijd zijn de meningen veranderd. Inmiddels worden Beethovens late strijkkwartetten gerekend tot de beste composities aller tijden.
In november 1822 stuurde prins Nikolaj Galitsin een brief aan Beethoven waarin hij hem om ‘een, twee of drie’ strijkkwartetten vroeg en aanbood hem te betalen wat de componist ‘gepast’ achtte. In januari 1823 schreef de componist terug dat hij een prijs van vijftig dukaten per werk in gedachten had. Het duurde nog tot het volgende jaar voordat hij aan het componeren van de kwartetten toe kwam, maar het geduld van de Russische prins werd uiteindelijk rijkelijk beloond: Beethoven schreef in 1824-25 de strijkkwartetten 127, 132 en 130 (met als oorspronkelijke finale de Grosse Fuge). En had blijkbaar zo de smaak te pakken, dat hij in 1825-26 ook het tisch aan beide voorafgaande kwartetten verbonden opus 131 en daarna nog opus 135 en een nieuwe finale voor opus 130 componeerde.
Ludwig van Beethoven 1770-1827
strijkkwartet in a klein
Het Strijkkwartet in a klein, 132, ‘Heiliger Dankgesang’ is het tweede van de drie kwartetten die Beethoven voor prins Galitsin schreef. Hij voltooide het werk in de zomer van 1825 na een moeizame periode van ziekte en herstel. Het is dan ook niet verwonderlijk dat dit zijn weerslag had in de compositie. Strijd en duisternis maken uiteindelijk plaats voor blijdschap en licht. Het kwartet werd gepubliceerd in Parijs en Berlijn in 1827 na opus 130 en 131, vandaar dat het een hoger nummer en opusnummer kreeg dan de twee chronologisch eropvolgende.
Uit zijn schetsen blijkt dat Beethoven aan zijn Strijkkwartet in a klein was begonnen met de conventionele opzet van vier delen voor ogen. In april 1825 raakte hij bedlegerig en staakte hij het componeren. Het duurde maanden voor hij van de slopende ziekte af was. Daarna schreef hij een uitgebreid ‘Heilig dankgezang aan de godheid’ voor zijn herstel en voegde dit als nieuw deel aan het Strijkkwartet in a klein toe. De lydische modus en de hymneachtige zorgen voor het ‘heilige’ karakter van deze muziek. In vijf onderdelen passeren de hoop van de zieke componist, zijn gevoel van herstel en terugkerende kracht, en uiteindelijk zijn dankbaarheid aan God de revue. Dit sublieme, zeer gevoelige deel werd het emotionele hart van het kwartet en bezorgde het werk zijn bijnaam ‘Heiliger Dankgesang’.
Anneloes Brand
Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791
Strijkkwintet
De Duitse dichter Goethe zei het al: een strijkkwartet is een onderhoudende conversatie tussen vier intelligente mensen. Na het succes van zijn ‘Haydn-kwartetten’ ging Wolfgang Amadeus Mozart nog een stapje verder: hij voegde een vijfde stem toe aan de conversatie. De toevoeging van een tweede , illustratief voor Mozarts voorliefde voor dit instrument, geeft een bijzondere, diepe kleur aan het geheel en deze bezetting biedt nog meer mogelijkheden voor verrassende afwisseling in samenklanken. Zo begint het eerste deel met een prachtige dialoog tussen de eerste viool en de , begeleid door de volle klank van de overige drie instrumenten, terwijl in het juist de dialoog tussen de eerste viool en de eerste alt overheerst. Opvallend zijn ook de virtuoze solo’s voor beide altviolen in het vierde deel, die steeds als antwoord klinken op de snelle loopjes van de eerste viool.
Over de volgorde van de beide middendelen bestaat onduidelijkheid. In het manuscript volgt na het eerste deel het en daarna het . Maar in de eerste uitgave van Artaria, tijdens Mozarts leven verschenen, is die volgorde omgedraaid. Mozarts eigen keus lijkt logisch en alleen bij zeer gecompliceerde eerste delen werd doorgaans als tweede deel een menuet geplaatst. Heeft Mozart dit Artaria toegestaan, of was het een vergissing die te laat werd ontdekt? Het is zeker dat Mozart haast had met de uitgave, in de hoop op geld. Want ondanks dat het succes van Le nozze di Figaro hem een nieuwe opdracht voor een opleverde (hij componeerde het strijkkwintet in 1787 terwijl hij op het libretto van Don Giovanni wachtte), had hij het geld hard nodig. Met de oorlog tussen Wenen en Turkije was voor Mozart een moeilijke tijd met veel geldzorgen aangebroken. Voor welke volgorde uitvoerende musici ook kiezen, de luisteraar wordt vanaf de eerste maat meegevoerd naar een wereld die ver is verwijderd van Mozarts aardse zorgen.
Noortje Zanen
Biografie
Renaud Capuçon, viool
Geboren in de Franse plaats Chambéry werd Renaud Capuçon op veertienjarige leeftijd toegelaten tot het conservatorium in Parijs. Vervolgens studeerde hij in Berlijn, waar Thomas Brandis en Isaac Stern zijn docenten waren.
In 1997 nodigde Claudio Abbado de jonge violist uit om concertmeester te worden van het Gustav Mahler Jugendorchester. In deze jaren musiceerde Renaud Capuçon onder leiding van maestro’s als Pierre Boulez, Seiji Ozawa en Claudio Abbado. Ondertussen werkte hij aan een carrière als solist en maakte hij debuten bij orkesten als het Boston Symphony Orchestra, de Berliner Philharmoniker en het Orchestre de Paris.
In zijn agenda staan momenteel optredens met bijvoorbeeld het London Symphony Orchestra en het Chamber Orchestra of Europe. Als kamermusicus werkte Renaud Capuçon met vele beroemde collega’s, onder wie Yuri Bashmet, Martha Argerich, Vadim Repin en Maria João Pires.
Ook treedt hij graag op met zijn broer, cellist Gautier Capuçon. Renaud bespeelt de Guarneri del Gesù ‘Panette’ (1737) waar eerder Isaac Stern op speelde.
Guillaume Chilemme, viool
Guillaume Chilemme begon op jonge leeftijd met vioolspelen. Aan de conservatoria van Toulouse en Parijs volgde hij lessen bij onder anderen Laurent Pellerin en Boris Garlitsky. De inzichten die hij opdeed bij pianist Pierre-Laurent Aimard waren van groot belang voor zijn ontwikkeling als kamermusicus.
In 2010 vervolgde Guillaume Chilemme zijn opleiding aan de Musikhochschule in Berlijn bij onder anderen Stephan Picard en leden van het Artemis Kwartet. Seiji Ozawa selecteerde de violist tweemaal voor deelname aan een cursus in het kader van zijn International Music Academy in Zwitserland. Inmiddels was Guillaume Chilemme te gast op tal van belangrijke festivals in onder meer Duitsland, Frankrijk, Zweden en Japan.
Samen met pianist Nathanael Gouin treedt de violist veelvuldig op en in 2014 bracht het duo zijn eerste cd uit, met daarop werken van Maurice Ravel en Marguerite Canal. Ook op 17 en 19 december 2015 en 19 februari 2016 speelde Guillaume Chilemme in de in kamermuziekprogramma’s m Renaud Capuçon.
Gérard Caussé, altviool
Gérard Caussé verwierf bekendheid in de jaren 1970, toen hij medeoprichter en altviolist was van Pierre Boulez’ Ensemble intercontemporain. De Fransman is nog altijd een bevlogen vertolker van hedendaagse muziek: hij bracht werken in première van onder anderen Henri Dutilleux, Philippe Hersant, Pascal Dusapin en Wolfgang Rihm.
Van 2002 tot 2004 was Gérard Caussé artistiek leider van het Orchestre National du Capitole de Toulouse en trad hij veelvuldig op met dit gezelschap, als solist en als . In recente seizoenen was hij te gast bij bijvoorbeeld het Orchestre National de France, het Orchestre de la Suisse Romande, de Philharmonie Luxembourg en het van São Paulo.
Zijn discografie omvat meer dan zestig titels. Masterclasses geeft de altist wereldwijd, en hij is als docent verbonden aan de conservatoria van Parijs en Madrid. Gérard Caussé bespeelt een instrument van Gasparo da Salo uit 1560. Hij betreedt regelmatig het kamermuziekpodium in wisselende bezettingen met de broers Capuçon, zoals bijvoorbeeld ook in de van Het Concertgebouw in januari en februari 2016.
Adrien La Marca, altviool
Adrien La Marca begon zijn muziekstudie op jonge leeftijd in Aix-en-Provence. In 2005 werd hij toegelaten tot het conservatorium in Parijs, waar hij vervolgens met de hoogste onderscheiding afstudeerde. Adrien La Marca had ook les in Duitsland en Zwitserland; onder zijn docenten waren Tabea Zimmermann, Yuri Bashmet en Hatto Beyerle.
De altist won een reeks onderscheidingen en maakte in de afgelopen jaren debuten in tal van Europese concertzalen. Zo speelde hij in Wigmore Hall in Londen, de Salle Rameau in Lyon en het Auditorium van het Louvre in Parijs. Kamermuziek voert hij uit met partners als Frank Braley, Nicholas Angelich, Edgar Moreau en Renaud Capuçon.
In kamermuziekcombinaties met de laatstgenoemde violist was Adrien La Marca al drie keer eerder te gast in de . Ook deelt hij het podium graag met zijn broer, de cellist Christian-Pierre La Marca. In 2016 verscheen de eerste cd van Adrien La Marca, English Delight, opgenomen met pianist Thomas Hoppe.
Edgar Moreau, cello
Edgar Moreau werd op zijn dertiende toegelaten tot het Conservatoire National Supérieur de Musique en studeerde later bij Frans Helmerson aan de Kronberg Academy. Masterclasses volgde hij bij Anner Bijlsma, Miklós Perényi, Gary Hoffman en David Geringas.
Hij viel in de prijzen bij het Rostropovitsj Concours 2009 en het Tsjaikovski Concours 2011, won in 2014 in New York de Young Concert Artists International Auditions en kreeg twee jaar later een ECHO Klassik voor Giovincello, opgenomen met de oudemuziekspecialisten van Il Pomo d’Oro.
Edgar Moreau musiceerde inmiddels met vele beroemde collega’s, onder wie Valery Gergiev, András Schiff, Gidon Kremer, Yuri Bashmet, Krzysztof Penderecki, Gustavo Dudamel, Renaud Capuçon, Frank Braley, Khatia Buniatishvili en het Talich Kwartet.
Als solist werd hij uitgenodigd door onder meer het Orkest van het Mariinski Theater, het Los Angeles Philharmonic Orchestra, het Orchestre Philharmonique de Radio France, het Simón Bolívar Symphony Orchestra of Venezuela en Hong Kong Sinfonietta. In de was Edgar Moreau eerder te beluisteren in 2015/16 in drie programma’s m violist Renaud Capuçon, met pianist Pierre-Yves Hodique in de serie Rising Stars van 2016/17 en met pianist David Kadouch tijdens de Robeco SummerNights 2018.




