Belcea Quartet: Schuberts Der Tod und das Mädchen
Belcea Quartet:
Corina Belcea viool
Axel Schacher viool
Krzysztof Chorzelski altviool
Antoine Lederlin cello
Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkkwartetten.
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Strijkkwartet in F gr.t., KV 590 (1790) ‘Pruisisch’
Allegro moderato
Andante
Menuetto: Allegretto
Allegro
Karol Szymanowski (1882-1937)
Strijkkwartet nr. 1 in C gr.t., op. 37 (1917)
Lento assai – Allegro moderato
Andantino semplice ‘in modo d’una canzona’
Scherzando burlesca: Vivace ma non troppo
pauze ± 21.05 uur
Franz Schubert (1797-1828)
Strijkkwartet in d kl.t., D 810 (1824) ‘Der Tod und das Mädchen’
Allegro
Andante con moto
Scherzo: Allegro molto – Trio
Presto
einde ± 22.00 uur
Toelichting
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Mozart: ‘Pruisisch’ kwartet
Door Mark van Dongen
In 1789, tijdens een reis met de Weense prins Karl Lichnowsky naar het hof van Frederik Willem II in Potsdam, vatte Wolfgang Amadeus Mozart het idee op om drie strijkkwartetten te schrijven met een prominente rol voor de , het instrument dat de koning zelf bespeelde. Dit werden zijn ‘Pruisische kwartetten’, de drie laatste werken die hij in dit genre componeerde. Het compositieproces verliep voor Mozarts doen traag, onder meer omdat hij zich realiseerde dat vierstemmig in het strijkkwartet lastig te combineren viel met de lichte concertante stijl waar de koning van hield.
Zijn belangstelling voor het contrapunt was tijdens de reis versterkt door een tussenstop in Leipzig, waar hij opnieuw in aanraking was gekomen met de werken van Johann Sebastian Bach. In het laatste kwartet (KV 590), dat hij pas na een jaar voltooide, is van de vooraanstaande rol van de cello nog maar weinig te bespeuren. Het toont de sobere en verfijnde stijl van Mozarts laatste jaren. Hij voelde zich toen als componist zelfverzekerder dan ooit, al werd hij in toenemende mate geplaagd door geldzorgen en gezondheidsproblemen. Dit elegante werk verraadt hier en daar dan ook een zweem van ingehouden onrust.
Karol Szymanowski (1882-1937)
Szymanowski: Eerste strijkkwartet
Door Aad van der Ven
Het had moeilijk anders gekund: de eerste composities van de Pool Karol Szymanowski, een aantal preludes voor piano, laten zien hoe sterk hij aanvankelijk werd beïnvloed door zijn beroemde landgenoot Chopin. Later kwam hij in de ban van Wagner, raakte hij betoverd door de orkestklank van Debussy en liet hij zich meeslepen door de extase van Skrjabin. Ook interesseerde hij zich voor muziek uit het Midden-Oosten. Al deze elementen vloeiden samen in een hoogst persoonlijke, impressionistisch-exotische stijl, die culmineerde in de in 1916 voltooide Derde symfonie. Deze bevindt zich ‘halverwege Wagner en Messiaen’, aldus Christopher Palmer in een boek over de componist.
In zijn Eerste strijkkwartet streefde Szymanowski naar helderheid in klank en vorm
Maar er volgde een drastische heroriëntatie. Misschien voelde Szymanowski dat voortgaan op deze weg tot vormloosheid en overdaad zou leiden. Welk ‘geneesmiddel’ werkt dan beter dan het strijkkwartet, het genre dat beperking vraagt en tot ascese oproept? In zijn Eerste strijkkwartet streefde hij naar helderheid in klank en vorm. Daarbij komt dat Szymanowski had kennisgemaakt met de volksmuziek van de bergbevolking van het Tatra-gebied. In het Eerste strijkkwartet schemert al door dat de ‘Poolse Skrjabin’ zou uitgroeien tot een ‘Poolse Bartók’, met een voorkeur voor een duidelijke structuur en , waarbij kale en niet geschuwd werden. Szymanowski was van plan een vierdelig werk te schrijven, maar de finale is er om onduidelijke redenen nooit gekomen. Dat weerhield hem er niet van zijn Eerste strijkkwartet als driedelig werk voor publicatie vrij te geven.
Het eerste deel is gebaseerd op de , voorafgegaan door een langzame inleiding, waarin de noten cirkelen rond de drieklank van C groot. Het tweede deel van het kwartet heeft een ondertitel, ‘in modo d’una canzona’, die past bij de melodische aantrekkelijkheid van dit Andantino. Bijzonder in het als opgezette derde deel is dat alle vier de strijkers een ‘eigen’ hebben in een opeenvolging van stijgende kleine tertsen (c-es-fis-a), waarbij de muziek toch harmonische samenhang behoudt. Met een korte -afsluiting in C groot komt alles weer op zijn pootjes terecht.
Franz Schubert (1797-1828)
Schubert: ‘Der Tod und das Mädchen’
Door Lies Wiersema
Schuberts Strijkkwartet in d klein, D 810 is gebaseerd op een gedicht met een bij uitstek romantisch thema. Een jonge vrouw wordt benaderd door de dood in de gedaante van een skelet. Wanhopig smeekt ze hem haar met rust te laten, maar de dood houdt aan en probeert haar gerust te stellen. Hij noemt zichzelf een vriend in wiens armen zij zacht zal slapen. Dit gedicht, Der Tod und das Mädchen van Matthias Claudius (1740-1815), inspireerde Franz Schubert tot zijn gelijknamige . Zeven jaar later volgde het strijkkwartet.
In het lied wordt de ontmoeting van het meisje met de dood voorafgegaan door een piano-introductie in het tempo van een treurmars. In een monotoon, orakelachtig haalt de dood het meisje over haar verzet op te geven. Op deze inleiding heeft Schubert het langzame tweede deel van zijn strijkkwartet gebaseerd. Het eerste deel van het kwartet wordt beheerst door een ritmisch van opgewonden len waarin de paniek van het meisje doorklinkt. In het langzame tweede deel verschijnt het recitatief van de dood, gevolgd door vijf variaties die het in verschillende gevoelswerelden belichten, om af te sluiten met een troostend ‘schlafen’. Het energieke met zijn onafgebroken syncopen contrasteert met de e van het Trio. In de finale, een vorm op een tarantella-thema, verschijnt de doodsthematiek weer. De tarantella was de dans die een door een tarantula gebeten persoon van de dood moest redden. De dans wordt tot een wilde jacht, die meedogenloos en onvermijdelijk naar het einde voert. In de drie slotakkoorden klinkt de uiteindelijke overwinning van de dood.
Der Tod und das Mädchen
Das Mädchen:
Vorüber! Ach, vorüber! Geh, wilder Knochenmann! Ich bin noch jung, geh Lieber! Und rühre mich nicht an.
Der Tod:
Gib deine Hand, du schön und zart Gebild! Bin Freund, und komme nicht zu strafen. Sei gutes Muts! Ich bin nicht wild, sollst sanft in meinen Armen schlafen!
Matthias Claudius
Biografie
Belcea Quartet
Het Belcea Quartet ontstond in 1994 aan het Royal College of Music in Londen en studeerde bij het Alban Berg Quartet en het Amadeus Quartet. Sinds vorig seizoen worden de Roemeense primarius Corina Belcea, de Poolse altviolist Krzysztof Chorzelski en de Franse cellist Antoine Lederlin vergezeld door de Koreaans-Australische Suyeon Kang (als opvolger van Axel Schacher).
Het repertoire van het Belcea Quartet reikt van de Weense Klassieken tot vandaag: compositieopdrachten worden gegeven vanuit de Belcea Quartet Trust, die niet alleen als doel heeft de strijkkwartetliteratuur uit te breiden maar ook jonge kwartetten te ondersteunen.
De discografie van het Belcea Quartet omvat – onder veel meer – de complete strijkkwartetten van Britten, Bartók, Brahms (Diapason d’Or de l’année 2016) en Beethoven (live). In 2022 verschenen de twee sextetten van Brahms samen met altiste Tabea Zimmermann en cellist Jean-Guihen Queyras.
Van 2017 tot 2020 was het Belcea Quartet ensemble in residence van de Pierre Boulez Saal in Berlijn, en sinds 2010 maakt het vast deel uit van het strijkkwartetaanbod van het Wiener Konzerthaus. Recentelijk was het viertal te beluisteren op de biënnales van Parijs, Lissabon en Amsterdam, in Carnegie Hall in New York, de Elbphilharmonie in Hamburg, Flagey in Brussel, de National Concert Hall in Dublin, de Tonhalle in Zürich en Toppan Hall in Tokio.
In Het Concertgebouw debuteerde het Belcea Quartet in seizoen 1999/2000 als Rising Stars en was het voor het laatst te gast op 29 mei jongstleden, toen het samen met het Quatuor Ébène de strijkoctetten van Mendelssohn en Enescu speelde.



