Beethovens Missa Solemnis door Cappella Amsterdam
Koorserie 20.15 uur
Cappella Amsterdam
Orkest van de Achttiende Eeuw
Daniel Reuss dirigent
Carolyn Sampson sopraan
Marianne Beate Kielland mezzosopraan
Thomas Walker tenor
David Wilson-Johnson bariton
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Missa solemnis in D gr.t., op. 123 (1819-23)
voor solisten, koor, orkest en orgel
Kyrie
Gloria
Credo
Sanctus – Benedictus
Agnus Dei
er is geen pauze
einde van het concert ca. 21.40 uur
teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal
Toelichting
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Missa Solemnis
Tekst: Jos van der Zanden
‘Von Herzen – Möge es wieder zu Herzen gehn!’, noteerde Ludwig van Beethoven boven het Kyrie van zijn Missa solemnis. Zoals hij een jaar later met zijn Negende symfonie een poging zou doen om de vreugde te verkondigen, zo poogde hij ook met deze Missa solemnis al te appelleren aan een algemene welwillendheid.
Als man op leeftijd wilde hij de luisteraar omarmen, hem deelgenoot maken van zijn lijfspreuk ‘Ars longa, vita brevis’ – de kunst is lang, het leven kort. Geniet ervan, zolang het kan.
De Missa solemnis was een gelegenheidswerk. Beethoven moest namelijk niet veel hebben van het katholicisme en al helemaal niet van de kerk als instituut. Zijn godsgeloof sloot niet aan bij een traditionele godsdienst. Als eclecticus vormde hij zijn denkbeelden op basis van wat hij las en hoorde over verschillende culturen uit verschillende tijden.
Tot ongeveer 1803 had hij, als recht-geaard kind van de Verlichting, weinig op met het christendom. Later omhelsde hij weliswaar het idee van een hemelse Vader, maar niet de christelijke. Op zijn sterfbed werden hem de laatste sacramenten dan ook opgedrongen, het was geen vrije keuze.
Waarom dan toch een mis? Dat had een praktische aanleiding. Op 24 april 1819 werd in Wenen bekend dat aartshertog Rudolf van Habsburg aartsbisschop van Olmütz werd. Als diens compositiedocent was Beethoven daarover in zijn nopjes: het bood perspectief op een goedbetaalde baan.
Een aartsbisschop had een hofhouding en een muziekkapel. Met dat vooruitzicht gingen Beethovens gedachten uit naar een plechtige mis voor Rudolfs kroning, waarvoor de eerste ideeën al snel werden genoteerd. Maandenlang componeerde hij koortsachtig, totdat duidelijk werd dat hij de kroningsdatum niet zou halen. Toen liet hij de teugels vieren en componeerde er met tussenpozen aan. De slotstreep (en nog niet eens de definitieve) werd pas eind 1822 gezet, drieënhalf jaar later.
Het ging met de Missa solemnis zoals met veel andere late werken: de ambities werden opgeschroefd, waardoor een kort opgezette compositie gaandeweg de gedaante kreeg van een monument. Beethoven bestudeerde tussentijds missen van andere componisten, zoals Bachs Mis in b klein (de ‘Hohe Messe’), raadpleegde theorieboeken over oude kerktoonsoorten en pluisde de Latijnse mistekst woord voor woord uit.
Hij schijnt zich drie dingen te hebben voorgenomen. Ten eerste: de solozang beperken. De vocale solisten treden dan ook bijna steeds gezamenlijk op zodat de luisteraar niet te zeer wordt afgeleid door individuele zangprestaties. Ten tweede: gebruikmaken van echo-effecten. Die komen steeds weer terug, met de curieuze slotmaat van het Gloria als meest opvallende moment; even lijkt het daar alsof het koor het orkest niet kan bijbenen. Ten slotte: de tekst muzikaal illustreren waar dat maar enigszins mogelijk is.
Dit laatste is heel opvallend in de Missa solemnis. Er is nauwelijks een zelfstandig naamwoord (hemel, zonde, licht, dood, aarde, vrede) of werkwoord (nedergedaald, weggenomen, geboren, verrezen, verwekt) dat niet plastisch wordt verbeeld met muzikale formules. Juist deze muzikale symboliek, die soms kinderlijk naïef aandoet, maakt de Missa solemnis tot een heterogeen werk, hoewel de luisteraar de draad nogal eens kwijt kan raken.
Voor de beroemde filosoof Theodor Adorno was dat in 1959 een steen des aanstoots. Volgens hem was de Missa solemnis een allegaartje, een ‘verfremdetes Hauptwerk’. Wie kritisch luisterde, vond hij, kwam er snel achter dat het hier ging om een mislukt, conventioneel en saai werk, dat geen spoor vertoonde van de compromisloze en originele Beethoven van de late s en strijkkwartetten.
Beethoven had – nog steeds volgens Adorno – zelf ook de zwakte van zijn mis onderkend en juist daarom zijn volle autoriteit ingezet door hem herhaaldelijk te kwalificeren als zijn ‘beste werk’. Én er zoiets Biedermeier-banaals boven gezet als ‘Möge es wieder zu Herzen gehn’. De uitlatingen van Adorno houden de gemoederen ook nu nog bezig.
Ter verdediging kan worden aangevoerd dat de traditionele mis bepaald niet een genre is om stilistische vernieuwingen te introduceren, zoals dat bijvoorbeeld wél kan in een strijkkwartet. Beethoven stelde grenzen. Hij ging al ver door bijvoorbeeld smachtende noodkreten in het Kyrie (‘Christe’) en het Credo (‘passus’) dwars door de muzikale structuur heen te laten breken.
Of door curieus oorlogsrumoer als een waarschuwing in het plechtige Agnus Dei een plaats te geven, waarbij de alt ‘timidamente’ ofwel ‘ängstlich’ moet zingen. Vernieuwend is de symbolische aanwezigheid van Christus in het Benedictus (vioolsolo). Ook de fluisterend-geheimzinnige ën bij de menswording van Christus in het Credo zijn origineel.
En dan zijn er de machtige koorfuga’s in het Gloria en het Credo, waarbij alle technieken uit de leerboeken van het (omkering, kreeftgang, vergroting, verkleining etc.) worden toegepast, niettemin voorzien van een onmisbaar poëtisch element, conform Beethovens uitlating: ‘Een schrijven is geen kunst, maar de verbeeldingskracht wil ook wat, en daarom moet die ouderwetse vorm tegenwoordig worden verrijkt met een ander, echt poëtisch element.’
We hoeven niet te betwijfelen dat Beethoven het meende toen hij schreef dat hij de Missa solemnis zijn allergrootste en meest geslaagde compositie vond. Het magistrale werk werd aan wel vijf uitgevers aangeboden, uiteindelijk ging een zesde ermee vandoor: Schott in Mainz.
Tegen de tijd dat die zich over de noten kon ontfermen, stond vast dat het kapelmeesterschap waarvan Beethoven had gedroomd aan zijn neus voorbij zou gaan. In dat perspectief is het niet zo verwonderlijk dat Beethoven tot het uiterste ging om munt te slaan uit een werk dat van begin af aan werd geschreven uit financieel oogmerk.
Pas enkele jaren geleden verscheen de eerste echt betrouwbare -uitgave van de Missa solemnis, waaraan een team van deskundigen decennialang heeft gewerkt. De Originalausgabe door Schott, die Beethoven zelf niet meer mocht meebeleven, zat namelijk boordevol fouten.
Bij de recente nieuwe partituuruitgave (Henle, 2000) konden twee manuscripten worden geraadpleegd die voorheen onbekend waren: Beethovens eigen autograaf en een afschrift dat de componist in een laat stadium door een kopiist liet maken. Ze leveren onmisbare informatie over de juiste notentekst.
De luisteraar die wil weten of een uitvoering gebaseerd is op de nieuwe editie, kan dit verifiëren door te letten op het ‘Et incarnatus’ in het Credo: deze verstilde menswording van Christus zou gezongen moeten worden door alle tenorstemmen van het koor, niet door de tenorsolist.
Biografie
Cappella Amsterdam, koor
Cappella Amsterdam, opgericht in 1970 door Jan Boeke, staat sinds 1990 onder de artistieke leiding van Daniel Reuss. Al ruim vijftig jaar lang houdt het kamerkoor de rijke koorcanon levend. De repertoirekeuze reikt van middeleeuwse tot de meest complexe hedendaagse koormuziek.
Het koor schenkt speciale aandacht aan het werk van Nederlandse componisten, variërend van Jan Pieterszoon Sweelinck tot Louis Andriessen, Ton de Leeuw, Robert Heppener en Jan van Vlijmen. De veelzijdigheid van Cappella Amsterdam komt ook tot uitdrukking in samenwerkingen met bijvoorbeeld het Holland Festival, Asko|Schönberg, MusikFabrik, de Akademie für Alte Musik Berlin, het Amsterdams Andalusisch Orkest en het Koninklijk Concertgebouworkest.
Vaste partner is Nieuw Vocaal Amsterdam, dat jonge zangers van vier tot eenentwintig jaar een klassieke opleiding biedt. De cd’s van Cappella Amsterdam werden meermaals onderscheiden: zo kreeg Golgotha van Frank Martin – samen met het Ests Philharmonisch Kamerkoor – een Grammy-nominatie, een Janáček-album een Edison Klassiek en een Diapason d’Or, een Brahms-album een Preis der deutschen Schallplattenkritik en Arvo Pärts Kanon Pokajanen een Edison Klassiek.
Het vorige optreden van Cappella Amsterdam in de Eigen Programmering was in 2023 een kerstconcert met het Nederlands Kamerorkest.
Orkest van de Achttiende Eeuw, orkest
Het Orkest van de Achttiende Eeuw verwierf wereldfaam door symfonisch werk uit te voeren op originele instrumenten (of kopieën daarvan) en op een historisch geïnformeerde manier. Het ontstond in 1981 naar een idee van blokfluitist Frans Brüggen, die tot aan zijn dood in 2014 en artistiek leider bleef. Sindsdien werkt het gezelschap met gasten.
De orkestleden spelen internationaal in toonaangevende (kamer)muziekensembles en komen een aantal keer per jaar voor een project bij elkaar. De uitgebreide discografie van het Orkest van de Achttiende Eeuw omvat werken van Purcell, J.S. en C.Ph.E. Bach, Rameau, Haydn, Mozart, Beethoven, Schubert, Mendelssohn, Chopin en Weber. Met Daniel Reuss en Cappella Amsterdam nam het orkest Beethovens Missa solemnis en Brahms’ Ein deutsches Requiem op.
Na een concertante Così fan tutte van Mozart onder leiding van Ed Spanjaard in 2013 volgden in de onder leiding van Kenneth Montgomery Le nozze di Figaro, La clemenza di Tito, Don Giovanni en een bewerking van Die Zauberflöte/ Der Schauspieldirektor. In mei 2023 verzorgde het orkest in Het Concertgebouw een driedaags Beethoven Festival, in oktober 2023 bracht het opnieuw, nu onder leiding van Manoj Kamps, een productie van Così fan tutte, en in oktober 2024 kwam het met een Mozart-programma met onder meer het Requiem samen met Cappella Amsterdam.
Daniel Reuss, dirigent
Daniel Reuss was aan het Conservatorium van Rotterdam leerling van Barend Schuurman en richtte op zijn 21ste het Oude Muziek Koor Arnhem op. Als ‘overtuigd niet-specialist’ dirigeert hij repertoire dat vele stijlen bestrijkt, van rond het jaar 1200 tot de meest actuele muziek.
Sinds 1990 is hij artistiek leider en chef- van Cappella Amsterdam, waarin hij al jarenlang zong toen hij die positie verwierf.
Als gastdirigent musiceert Daniel Reuss met gezelschappen in heel Europa, waaronder de Akademie für Alte Musik Berlin, MusikFabrik, Vocal Consort Berlin, Collegium Vocale Gent en het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Hij is chef- geweest van onder andere het RIAS Kammerchor in Berlijn, het Ests Philharmonisch Kamerkoor en het Ensemble Vocal Lausanne, waaraan hij nog verbonden is als vaste gastdirigent.
In 2016 werd Daniel Reuss voor zijn uitzonderlijke verdiensten benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam samen leidde de dirigent in Het Concertgebouw bijvoorbeeld ook in mei 2018 in Brahms’ Ein deutsches Requiem (een tournee die werd bekroond met de VSCD Klassieke Muziekprijs), in april 2019 in Bachs Johannes-Passion en in mei 2023 in Beethovens Negende symfonie.
Carolyn Sampson, sopraan
Carolyn Sampson soleerde bij het Freiburger Barockorchester, The English Concert, The Sixteen, het Hallé Orchestra, Britten , het Gewandhausorchester Leipzig, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Mozarteumorchester Salzburg en de orkesten van San Francisco, Boston, Cincinnati, Philadelphia en Detroit.
Het Concertgebouworkest vroeg haar sinds 2002 meermaals voor Bachs Passionen, het Orkest van de Achttiende Eeuw en Cappella Amsterdam voor de Johannes-Passion, Mozarts Requiem, Beethovens Missa solemnis en Brahms’ Ein deutsches Requiem en het Bach Collegium Japan voor Mozarts Mis in c klein.
De Britse sopraan werd ook geëngageerd door de bekende huizen en door het Glyndebourne Opera Festival, de BBC Proms, de Salzburger Festspiele, het Mostly Mozart Festival in New York en het Boston Early Music Festival. s geeft ze graag tijdens de festivals van Oxford, Leeds, Saintes en Aldeburgh en op de bekende podia als Wigmore Hall in Londen, het Wiener Konzerthaus, de Alte Oper Frankfurt, deSingel in Antwerpen, Carnegie Hall in New York en de Pierre Boulez Saal in Berlijn.
Haar meest recente recital in de was in december 2022 met pianist Joseph Middleton, haar vorige optreden in de was in november 2024 met PRJCT Amsterdam en Maarten Engeltjes (Vivaldi en Pergolesi).
Marianne Beate Kielland, mezzosopraan
De Noorse zangeres Marianne Beate Kielland studeerde in Oslo en begon haar carrière in het zangersensemble van de Staatsoper Hannover.
Haar repertoire reikt van werk uit de zeventiende eeuw tot hedendaagse muziek. Producties waarin de mezzosopraan recentelijk soleerde waren bijvoorbeeld Bachs Hohe Messe met Leonardo Alarcon en het orkest van Radio France, Bachs Weihnachtsoratorium met het Gulbenkian Orkest onder Michel Corboz, Beethovens Missa solemnis in Liverpool met Andrew Manze, Dido in Purcells Dido and Aeneas in het Bolsjoi Theater in Moskou onder leiding van Christopher Moulds en de titelrol in Händels Giulio Cesare onder leiding van Rinaldo Alessandrini in Tokio.
Andere en met wie ze werkte zijn Herbert Blomstedt, Thomas Dausgaard, Philippe Herreweghe, Manfred Honeck, René Jacobs, Fabio Luisi, Marc Minkowski, Vasily Petrenko, André de Ridder, Jukka-Pekka Saraste, Jordi Savall en Masaaki Suzuki. Marianne Beate Kielland is te horen op zo’n vijftig cd’s (, , en ) en werd in 2012 genomineerd voor een Grammy Award.
In Het Concertgebouw was ze eerder te beluisteren met de Akademie für Alte Musik Berlin en The King’s Consort, maar ook met Cappella Amsterdam en het Orkest van de Achttiende Eeuw (in Beethovens Missa solemnis in 2016).
Thomas Walker, tenor
Thomas Walker, geboren in Glasgow, begon na zijn afstuderen als tubaspeler aan het Royal Conservatoire of Scotland aan een zangstudie bij Ryland Davies aan het Royal College of Music in Londen. Recente highlights uit zijn agenda zijn Monteverdi’s L’incoronazione di Poppea met het Boedapest Festival Orkest onder leiding van Iván Fischer én aan de Staatsoper Unter den Linden in Berlijn, Mozarts Mis in c klein in Bozar in Brussel met Riccardo Minasi, concerten in Londen en Cambridge met de Academy of Ancient Music en een Bach-programma in Wigmore Hall met het Gabrieli Consort en Paul McCreesh.
Met Daniel Reuss en het Ensemble Vocal de Lausanne maakte de tenor opnames van Beethovens Missa solemnis en Honeggers Le roi David. vertolkte Thomas Walker in theaters als de Staatsoper Stuttgart, het Theater an der Wien, De Munt in Brussel, de Opéra National de Paris en het Royal Opera House Covent Garden in Londen. Voor oratoria werd hij uitgenodigd door de Innsbrucker Festwochen der Alten Musik, de Gulbenkian Foundation in Lissabon, de BBC Proms en de Ruhr Triennale.
Bij het Orkest van de Achttiende Eeuw soleerde hij eerder als Evangelist in Bachs Johannes-Passion (2017) en afgelopen oktober – onder meer in Het Concertgebouw – in het Requiem van Mozart.
David Wilson-Johnson, bas (Il Commendatore)
David Wilson-Johnson studeerde Modern Languages in Cambridge en zang aan de Royal Academy of Music in Londen. In het begin van zijn inmiddels vier decennia omspannende carrière was hij koorzanger, in onder meer het Monteverdi Choir en de BBC Singers.
Zijn debuut als zanger maakte hij in 1976 in Henze’s We Come to the River in het Royal Opera House in Londen. De bariton trad ook op in de belangrijke theaters van Brussel, Madrid, Parijs en New York, tijdens de BBC Proms en op de festivals van Salzburg en Edinburgh.
Bij De Nationale Opera zong hij in onder meer Brittens Peter Grimes, Boris Godoenov van Moesorgski en Wagners Die Meistersinger von Nürnberg.
In 2006 nam David Wilson-Johnson afscheid van het toneel. Uitnodigingen als concertsolist brachten hem sindsdien bij bijvoorbeeld de orkesten van Sydney, Chicago, Boston en Philadelphia, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Orchestra of the Age of Enlightenment en het Radio Filharmonisch Orkest.
Bij het Concertgebouworkest vertolkte hij in november 2017 een spreekrol in het Requiem voor Jheronimus Bosch van Detlev Glanert.
Met het Orkest van de Achttiende Eeuw zong David Wilson-Johnson eerder onder meer in Haydns Die Schöpfung (nog onder Frans Brüggen), in een concertante Così fan tutte van Mozart (2013) en in de Missa solemnis van Beethoven (2016).






